Dr. Annemarie Cottaar

Dr. Annemarie Cottaar

Onderzoeker, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG)







Contactgegevens
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Postbus 2169
1000 CD Amsterdam

Publicaties
-met Wim Willems en Kai Yin Or, Een draak met vele gezichten. Chinatown Den Haag 1920-2010. (Den Haag 2010) Tweetalige uitgave: Nederlands en Chinees.
-met Nadia Bouras, Marokkanen in Nederland. De pioniers vertellen. (Amsterdam 2009)
-(red.) Indisch leven in Nederland (Amsterdam 2006)
-Zusters uit Suriname. Naoorlogse belevenissen in de Nederlandse verpleging. (Amsterdam 2003)
-Ik had een neef in Den Haag. Nieuwkomers in de twintigste eeuw. (Zwolle 1998)
-Kooplui, kermisklanten en andere woonwagenbewoners: groepsvorming en beleid 1870-1945 (Amsterdam 1996)


Projecten
-Indisch leven in Nederland
-Zusters uit Suriname
-Historisch Beeldarchief Migranten (HBM)
-Culturele Spoorzoekers
-Chinatown Den Haag
-Riftour
-Vijfeeuwenmigratie
-Euroclio
-50 jaar Spanjaarden in Nederland

“Met foto’s sta je in één klap in het verleden”

Annemarie Cottaar is als historicus werkzaam bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Zij is wetenschappelijk coördinator van het CGM en oprichter van het Historisch Beeldarchief Migranten (HBM). Annemarie promoveerde in 1996 op het proefschrift Kooplui, kermisklanten en andere woonwagenbewoners: groepsvorming en beleid 1870-1945.

Samen met anderen schreef Annemarie over de geschiedenis van de Indische, Surinaamse, Marokkaanse, en Chinese migratie naar Nederland. Veel van de onderzoeksprojecten mondden uit in publieksmanifestaties, zoals in 1995 de tentoonstelling Mensen van de Reis in het Nederlands Openluchtmuseum en het Haagse Museon, en meest recent, de door Nederland en Marokko reizende tentoonstelling Riftour (2009).

Binnen het werk van Annemarie neemt het archiveren van privéfoto’s van migranten een belangrijke plaats in. Dit materiaal werd onder meer verzameld tijdens het project Culturele Spoorzoekers, gericht op de nakomelingen van migranten. ‘Het is heel belangrijk jongeren in aanraking te brengen met de migratiegeschiedenis van hun ouders. Daar weten ze doorgaans weinig van af.’

Je studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Is daar je interesse voor  het onderwerp migratie gewekt?
Net als Wim Willems en Leo Lucassen volgde ik college bij hoogleraar Sociale Geschiedenis Dik van Arkel. Hij richtte het werkgezelschap Historische Racismestudies op, waarin we ons bezighielden met het proces van uitsluiting van bepaalde groepen in de samenleving. Daar ontstond mijn interesse voor dit onderzoeksveld, maar ook het idee om met mensen uit verschillende disciplines samen te werken – zoals dat nu binnen het CGM nog gebeurt. Er was in de jaren tachtig nog weinig onderzoek gedaan op dit terrein, met uitzondering van de antisemitismestudies en wat wij nu de Black Studies noemen. Er waren enkel de succesverhalen over de tolerante Nederlandse samenleving die altijd probleemloos migranten zou hebben opgenomen. Dat was een reden voor Wim en mij om in 1983 te kijken naar hoe dat proces verliep bij grote groepen migranten die er anders uitzagen. Zo namen wij de zogenaamde ‘geruisloze assimilatie’ van Indische Nederlanders onder de loep. Dat ontmythologiseren is heel dankbaar om te doen als onderzoeker, maar het is ook belangrijk om de gebeurtenissen in hun tijd te plaatsen, in dit geval in de jaren vijftig - een periode van grote woningnood.

Je werkte na je afstuderen samen met Wim Willems voor het Ministerie van VWS. Nu klinkt vaak het verwijt dat de overheid de problemen van de migratie toen niet onderkend heeft. Hoe ervaar jij dat?
Er werd in die tijd veel onderzoek in opdracht van de overheid gedaan naar migranten. Maar wie las die rapporten eigenlijk? En wat gebeurde ermee? Wij hadden de nederige taak toegankelijke samenvattingen te maken van die rapporten over bijvoorbeeld huisvesting, onderwijs en arbeid. Dat was een geweldige leerschool in het migratieonderzoek. De overheid zag toen wel dat er problemen waren, maar het is in het licht van de huidige ontwikkelingen opvallend dat er heel weinig onderzoek naar Marokkanen werd gedaan. De aandacht was toen meer op de grote groepen Turken en Surinamers gericht. Ook bleef het natuurlijk opdrachtonderzoek. Er werd op een probleem gereageerd, maar het was nooit proactief. En als een uitkomst niet welgevallig was, werd er gewoon niets mee gedaan. Wat wel belangrijk is voor de discussie die nu wordt gevoerd, is dat het idee dat migranten altijd zijn doodgeknuffeld helemaal niet klopt. Onderzoekers zeiden toen ook al dat je bijvoorbeeld spijbelaars meteen een boete moest geven. De oplossingen waren er, maar de politiek heeft daar toen om de een of andere reden niet voor gekozen. Wim Willems en ik schreven in die periode ook in opdracht van het ministerie het boek Het Beeld van Nederland, over hoe vier groepen migranten de Nederlanders en zichzelf zagen. We kregen daarbij een zware begeleidingscommissie, omdat men bang was dat de uitkomsten averechtse gevoelens over die migranten zouden oproepen bij Nederlanders. Het boek werd echter een succes en is in veel opleidingen gebruikt.

Een van de pijlers van het CGM is de kennis verkregen uit wetenschappelijk onderzoek te verspreiden onder een breed publiek. Hoe heeft dit binnen jouw eigen werk vorm gekregen?
In 1989 begon ik met mijn promotieonderzoek over woonwagenbewoners. Na verloop van tijd kreeg ik de behoefte om iets van de resultaten te laten zien aan de groep over wie het ging. Maar ik had te maken met mensen die niet lazen, en – binnen de oudere generatie – grotendeels analfabeet waren. Een belangrijk deel van mijn onderzoek was gebaseerd op overheidsbronnen. In ieder lokaal en regionaal archief waar ik kwam, zocht ik echter ook altijd naar foto’s. Door die foto’s kreeg ik een heel ander beeld dan oprees uit de overheidsdocumenten. Ineens zag ik de enorme variatie. Dat is wat je als onderzoeker altijd wil vertellen, over welke groep dan ook. Dat we uit moeten gaan van diversiteit, niet van stereotypen. Zo kon een woonwagen tussen 1890 en 1920 variëren van een simpel karretje op twee wielen tot een rijk versierde grote houten wagen. Hetzelfde gold voor de welstand van de bewoners.  De foto’s publiceerde ik in het krantje Woonwagennieuws, dat in die tijd onder alle woonwagenbewoners in Nederland werd verspreid. Daarop reageerden mensen die familie herkenden en ik zocht hen dan - met een afdruk van de foto - op voor een interview. Mijn toenmalige baas, antropoloog André Köbben, zei altijd: ‘Dat is hoe je onderzoek hoort te doen. Je neemt iets en je geeft iets terug.’ In samenwerking met Wim en Leo maakten we in 1995 het fotoboek Mensen van de Reis. Het was mijn eerste kennismaking met hoe je een onderwerp kunt verbreden zodat het niet alleen toegankelijk wordt voor de groep om wie het gaat, maar ook voor een groter deel van het Nederlandse publiek dan we doorgaans met academische studies bereiken. Zowel in het Nederlands Openluchtmuseum als in het Museon in Den Haag werden drukbezochte tentoonstellingen georganiseerd. In dat laatste museum maakte ik kennis met conservator Anne-Marie Boer, met wie ik nog een aantal spraakmakende tentoonstellingen zou maken.

Heeft het voor een breed publiek beschikbaar maken van wetenschappelijke kennis over migratiegeschiedenis ook een functie als empowerment voor deze groepen?
Dat was niet alleen bij de woonwagenbewoners het geval, maar ook bij mijn onderzoek naar Surinaamse verpleegsters. Via, via was ik in contact gekomen met een groep van zo’n dertig Surinaamse vrouwen die in de jaren vijftig in Rotterdam in de verpleging hadden gewerkt. Zij waren heel betrokken bij het onderzoek en werkten actief mee aan de tentoonstelling in het Nederlands Museum voor Verpleging en Verzorging in Zetten. Ik vond het belangrijk dat hun geschiedenis werd getoond in deze Nederlandse – tot op dat moment ‘witte’ – instelling, omdat zij zo rolmodel konden zijn voor de gemêleerde scholierengroepen die het museum bezochten. Bij de opening van de tentoonstelling nam de inmiddels flink uitgebreide groep Surinaamse vrouwen alles over. Zij zorgden voor de catering, aankleding en maakten het tot een waanzinnig feest. Het gevoel ‘dit is van ons’ straalde er van af. Later ging de tentoonstelling naar Fort Zeelandia in Paramaribo. Een deel van de groep reisde met ons mee.

Hoe is het idee voor het Historisch Beeldarchief Migranten (HBM) ontstaan?
Vanwege het 750-jarig bestaan van Den Haag werkte ik aan een boek over verschillende migrantengroepen in de stad. Net als bij mijn onderzoek naar woonwagenbewoners wilde ik foto’s een prominente plaats geven, om een breder publiek te bereiken. In het archief vond ik echter uitsluitend materiaal van persfotografen: een clubhuis dat geopend werd door de burgemeester, een pension waar de woonomstandigheden heel slecht waren. Dan merk je hoe fotografie afhankelijk is van de journalistieke invalshoek van dat moment. Het werkt sterk beeldbevestigend. Daarom besloot ik alle mensen die ik interviewde naar privéfoto’s te vragen. Toen het boek af was, en de foto’s netjes waren teruggebracht, bedacht ik me ineens: dat is dus stom. Een groot deel van de geïnterviewden is al oud. Die foto’s – of een digitale kopie daarvan - hadden we moeten archiveren. Tijdens mijn daaropvolgende onderzoeksproject over Surinaamse verpleegsters in Nederland ben ik op zoek gegaan naar fondsen om een beeldarchief mogelijk te maken. In 2003 ging het HBM van start.

Om materiaal voor het HBM te verzamelen, organiseerde je de cursus Culturele Spoorzoekers. Daar kwamen onder meer boeken over de Sloveense, Marokkaanse en Chinese migratie naar Nederland uit voort, en de reizende tentoonstelling Riftour. Hoe kwam dat project tot stand?
Het project Culturele Spoorzoekers werd georganiseerd in samenwerking met migrantenorganisaties van Zuid-Europeanen, Marokkanen en Chinezen, en vormde een belangrijk onderdeel van de activiteiten van het HBM. Het was primair bedoeld om foto’s te verzamelen, maar bleek ook een bijzonder platform voor gesprekken van de tweede generatie migranten over en met de generatie vóór hen. Jongeren gingen aan de hand van foto’s op zoek naar de migratiegeschiedenis van hun ouders. Door het beeldmateriaal konden ze zich beter in de jeugd van hun ouders verplaatsen. Je staat met foto’s in één klap in het verleden.

Ook Riftour was een uitkomst van het project Culturele Spoorzoekers. We reisden de Nederlandse Marokkanen achterna die in het Rifgebergte in Noord-Marokko hun vakantie doorbrachten. Normaal financieren Nederlandse fondsen geen projecten over de grens, maar in Marokko hebben we ons bewezen. Het project bestond uit een tentoonstelling in een bus, er werden films vertoond, theatermaker Amar El-Ajjouri trad op, en er was het boek Marokkanen in Nederland. De pioniers vertellen. Tijdens de reis verzamelden we nieuwe verhalen, liederen en foto’s van achterblijvers en terugkeerders om weer mee te nemen naar Nederland. Daar heeft de Rifbus nog op verschillende festivals en in het Openluchtmuseum gestaan.

Hoe denk je dat het publieke debat zich de komende jaren zal ontwikkelen en in hoeverre bepaalt dat de onderzoeksagenda van het CGM?
Het CGM is ooit ontstaan om mensen die op dit onderzoeksgebied bezig zijn, bij elkaar te brengen. We willen inspireren tot nieuw onderzoek, wetenschappelijke resultaten voor een breder publiek toegankelijk maken, en als vraagbaak dienen voor instellingen. Onlangs nog zijn we benaderd door een Europese organisatie van geschiedenisdocenten, Euroclio. Zij werken aan een website over migratiegeschiedenis. Wij hebben dat op nationaal niveau al gerealiseerd met www.vijfeeuwenmigratie.nl. Een ander voorbeeld is de samenwerking met migrantenorganisaties. Het was vorig jaar vijftig jaar geleden dat de Spaanse en de Nederlandse overheid een wervingsovereenkomst sloten. Om dit jubileum te vieren werken wij samen met de Spaanse organisatie FAEEH en Spanje-correspondent Steven Adolf aan een tentoonstelling en een boek. In hoeverre we met onze projecten een bijdrage leveren aan het algemene debat blijft de vraag. Via de media komt het onderzoek vaak wel in andere disciplines terecht. Wat betreft mijn eigen bijdrage, zal dat vooral het toegankelijk maken van beeldmateriaal van migranten zijn. Daarmee toon je de overeenkomsten in plaats van de verschillen. Dat merk ik ook uit de reacties bij lezingen, dat mensen zeggen: wat ziet het er gewoon uit allemaal. Terwijl ze verwachten dat jij ze inwijdt in de wondere wereld van migranten. Maar het blijkt een wereld te zijn die veel Nederlanders goed kennen.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM