Dr. P.W.A. (Peter) Scholten

Dr. P.W.A. (Peter) Scholten

Universitair Hoofddocent Beleid & Politiek, Erasmus Universiteit Rotterdam
Webpagina EUR





Contactgegevens
Bestuurskunde
M-gebouw
Burgermeester Oudlaan 50
3062 PA Rotterdam
p [dot] scholtenatfsw [dot] eur [dot] nl
www.peterscholten.eu
+31 (0)10-4081676

Publicaties
-Scholten, P. (2011). Framing Immigrant Integration: Dutch research-policy dialogues in comparative perspective. Amsterdam: Amsterdam University Press.
-Boswell, C., Geddes, A. & Scholten, P.W.A. (2011). States, Knowledge and Narratives of Migration: The Construction of Immigration in Migration Policy-Making in Europe. British Journal of Politics & International Relations, 13:1, 1-11.
-Scholten, P.W.A. (2011). Constructing Dutch Immigrant Policy. Research-policy relations and immigrant integration in the Netherlands. British Journal of Politics & International Relations, 13:1, 75-92.
-Duyvendak, W.G.J. en Scholten, P.W.A. (2011) Beyond National Models of Integration. The Coproduction of Integration Policy Frames in the Netherlands. Journal of International Migration and Integration.
-Scholten, P. & A.Timmermans (2010). Setting the Immigrant Policy Agenda: Expertise and Politics in France, the UK and the Netherlands. In: Journal of Comparative Policy Analysis, 12, 527-543.
-Scholten, P. (2009). The Co-Production of Immigrant Integration Policy and Research in the Netherlands: The Case of the Scientific Council for Government Policy. In; Science & Public Policy, 36(7), p. 561-573.
-Scholten, P. & R. Holzhacker (2009). Bonding, Bridging and Ethnic Minorities in the Netherlands. Nations and Nationalism, Vol. 15, nr. 1 , 81-100.
-Timmermans, A. & P. Scholten (2006). The Political Flow of Wisdom: Science Institutions as Policy Venues in the Netherlands. Journal of European Public Policy, Vol. 13, Nr. 7.

Projecten
-Beyond National Models of Integration? Agenda Dynamics and the Multi-Level Governance of Immigrant Integration
-The Local Politics of Attention: Local policy agendas in a comparative and historical perspective
-Research-Policy Dialogues on Migration and Integration in Europe

"Je integreert niet in een land, maar in een stad, een wijk"

Peter Scholten is Universitair Hoofddocent Politiek en Beleid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij studeerde Bestuurskunde aan de Universiteit Twente en promoveerde daar ook. Centrale thema's in zijn onderzoek en publicaties zijn integratiebeleid van multiculturele samenlevingen en de relatie tussen onderzoek en beleid. Ook is hij als onderzoeker verbonden aan het Montesquieu Instituut en is hij lid van het Europese netwerk International Migration, Integration and Social Cohesion in Europe (IMISCOE)

In zijn promotieonderzoek onderzocht hij de relatie tussen sociaal-wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling van het integratiebeleid in Nederland in de periode 1970-2004. Meer recentelijk doet hij onderzoek naar nationale integratiemodellen en lokale aspecten van integratiebeleid. 'Je integreert niet in een land, je integreert in een stad, in de wijk waar je naar school gaat of waar je je baan vindt'.

Peter is namens de onderzoeksgroepen Bestuurskunde en Sociologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam de vertegenwoordiger in het CGM.

Je studeerde Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. Is daar je interesse voor thema's als  immigratie en integratie gewekt?
Integratiebeleid is een thema dat op mijn pad kwam tijdens mijn studie en je zou kunnen zeggen dat het een uit de hand gelopen hobby is geworden. Wij leerden om op een wetenschappelijk manier naar beleid te kijken. Er zijn mooie theorieën over hoe beleidskundige processen horen te lopen. Maar op het gebied van integratie en immigratie paste er niets. Dat triggerde mij enorm. Integratie stond al veertig jaar op de politieke agenda en steeds kwam het terug. Om de tien jaar werd het  voorgaande beleid weer tot een mislukking verklaard. Zo'n radicaal verschil als in integratie- en immigratiebeleid was eigenlijk nergens terug te vinden in de Bestuurskunde Dat was een heel atypisch probleem. Normaal gesproken moeten problemen op een gegeven moment benoemd zijn en daar moet dan beleid op worden gemaakt. Dat was hier niet het geval en dat maakte het ook tot zo'n spannend beleidsvraagstuk. Het blijft voortdurend in beweging.

In je promotieonderzoek deed je onderzoek naar de interactie tussen sociaal-wetenschappelijk onderzoek en beleidsmakers. Hoe groot was de wisselwerking tussen minderhedenonderzoekers en de ontwikkeling van integratiebeleid?
Die wisselwerking was erg groot. Zeker in het begin waren de lijntjes tussen onderzoekers en beleidsmakers erg kort. In zekere zin creëerden de onderzoekers het beleid. Aan de andere kant speelden de onderzoekers meer in op de beleidsvragen dan dat ze bezig waren met de vorming van een wetenschappelijk onderzoeksveld.  Toen ik ben gaan graven in de ontwikkeling van veertig jaar integratiebeleid en minderhedenonderzoek werd me dat duidelijk. In de beginjaren zag je echt dat het een nieuw probleem was. Er was een klein netwerk van mensen die zich hier mee bezig hielden en die elkaar goed kenden en regelmatig zagen. Zij speelden elkaar ook regelmatig elkaars onderzoekjes toe. Ik spreek over die tijd altijd van een 'technocratische symbiose': een kleine kring waarin onderzoekers en beleidsmakers dicht op elkaar zitten. Doordat het voor beleidsmakers zo´n nieuw probleem was leek het heel evident om het door middel van wetenschappelijk onderzoek aan te pakken. In mijn onderzoek ben ik Jan Lucassen en zeker Rinus Penninx dan ook regelmatig tegengekomen. Zij waren belangrijke pionnen  in de interactie tussen onderzoek en beleid en fungeerden als mijn onderzoeksobject. Als je mensen uit die tijd spreekt gingen ze er van uit dat dit probleem binnen tien jaar was opgelost. Dat blijkt ook wel uit de eerste minderhedennota uit 1983, een enorm dikke pil. Zo staat er een stuk in over een fietscursus voor Marokkaanse vrouwen. Dit met de gedachte dat wanneer ze eenmaal de deur uit zijn dat de rest vanzelf zou volgen. Ook over werkloosheid werd gedacht dat wanneer het rationeel werd aangepakt, het probleem over tien jaar weg zou zijn. Voor hen was dit een hele evidente gedachte maar voor mij als jonge onderzoeker was het niet voor te stellen. Zeker als je kijkt hoe het beleid zich heeft ontwikkeld de afgelopen jaren.

Framing en agendavorming zijn belangrijke thema´s in je huidige onderzoek. Waarom zijn juist deze thema´s zo relevant in het onderzoek naar integratieproblematiek?
Deze twee thema´s vormen echt de bestuurskundige bril waarmee ik naar integratieproblematiek kijk. Agendavorming omdat het integratie de afgelopen jaren eigenlijk niet meer van de agenda af is te krijgen. Bij beleidsprocessen is het agendavormings-stadium het vormende moment. Vandaar dat ik dat stadium ook heb gekozen om me op te focussen tijdens mijn promotieonderzoek. Ik stel hierbij de vragen hoe het op de agenda komt, welke actoren zich ermee bemoeien en welke beleidsideeën deze actoren hebben.

Het tweede, meer omstreden, thema is framing. Integratie: wat is dat eigenlijk? Niemand weet het precies en er zijn zo veel controverses over. Dat triggerde mij enorm. Toen ik net was begonnen met mijn proefschrift verscheen het rapport van de Commissie Blok. Dat was het levende bewijs dat mijn proefschrift nodig was. Het rapport liet goed zien dat er helemaal geen eenduidige definitie van integratie bestond.  Op basis van dezelfde analyses zeiden sommige dat integratie, ondanks het beleid, een succesvol was en anderen zeiden dat het een complete mislukking was. De Commissie Blok zei dat wanneer je keek naar arbeid en onderwijs, er op het gebied van integratie hoopvolle tekenen te zien waren. Zij kregen veel kritiek op het onderzoek: 'je kunt toch niet zeggen dat integratie een succes is terwijl je kunt zien dat het mislukt is?' De critici keken vooral naar sociaal-culturele factoren van integratie, daar had de commissie amper naar gekeken. Ook de beeldvorming over integratie hadden ze in hun onderzoek niet meegenomen. Met deze kritiek op het proces was ik het, los van de inhoud, als bestuurskundige heel erg eens. Zo'n commissie kan niet  midden in een definitiestrijd over wat integratie eigenlijk is, een definitie uitkiezen en zeggen dat het allemaal goed zit. Ze hadden veel meer moeten kijken naar welke frames er allemaal zijn en welk bewijs je daar naast kunt leggen. Het is niet zo dat er geen feiten zijn. De feiten moeten alleen gekoppeld worden aan de verschillende frames. Wat er gebeurde noem ik een 'dialoog van de doven'. Mensen met verschillende frames gaan met elkaar in gesprek en komen op basis van dezelfde onderzoeksresultaten tot compleet verschillende interpretaties.

In het huidige debat over integratie en immigratie lijkt er nog steeds sprake te zijn van verschillende frames. Wordt er ook geleerd van de fouten in het verleden?
Policy learning is echt een van mijn favoriete concepten maar het gebeurt op dit gebied te weinig en dat is jammer. Het is eigenlijk tragisch. Ondanks vijftig jaar integratiebeleid weten we nog steeds heel slecht wat wel en wat niet werkt. Voor mij als bestuurskundige roept dat veel vragen op. Hoe  kan het dat we te maken hebben met zoveel framewisselingen over de tijd? Het is niet zo dat er in het verleden altijd consensus is geweest over het beleid. Ook in de jaren '80 waren er alternatieve frames, zoals het Marxistische frame. Zij hadden het dan over de vorming van een 'etnisch subproletariaat'. Daarnaast was er natuurlijk het multiculturele frame, hoewel veel minder sterk dan nu wordt gesuggereerd.  Nu wordt er een beeld gecreëerd dat wij het multiculturele walhalla waren en dat dat model de schuld is voor het falen van de integratie. Dat getuigt van een gigantisch gebrek aan historisch besef. We hebben een beleid gehad, alleen in de jaren ´80, dat multiculturalistische trekjes had, maar de sociaal-economische tak van het beleid was het sterkst. We hebben niet voortdurend een multiculturalistisch model gehad, we hebben dat model al verlaten eind jaren '80. Sindsdien hebben we een vrij liberaal/egalitair beleid gehad,  echt een Paars beleid bij uitstek. Vanaf 2000/2001 hebben we weer een wat meer assimilistisch beleid. En nu gaan we richting naar wat wij noemen een no-policy approach. Er is wel een integratiebeleid maar het beleid is bijna nul en integreren dat doe je zelf. Het wordt een individuele verantwoordelijkheid. Met andere woorden, we hebben voortdurend andere modellen gehad, met andere frames.

In 2010 ontving je een VENI beurs voor je onderzoek 'Beyond National Models of Integration? Agenda Dynamics and the Multi-Level Governance of Immigrant Integration'. Waarop ligt de nadruk in dit onderzoek?
Het onderzoek gaat eigenlijk over twee dingen. Ten eerste de voordurende veronderstelling dat integratie iets heel nationaals is. Waar ik mij tegen afzet is dat we er in de wetenschap zomaar vanuit gaan dat dit een nationaal thema is. Wat heel veel onderzoekers doen is dat wanneer ze naar Duitsland kijken, het gaan ze het vergelijken met het Duitse model. En in Nederland met het Nederlandse model. Wat je dan vindt is altijd weer een soort bestendiging van die nationale modellen. Nationale modellen probeer ik aan de zijlijn te zetten. Waarschijnlijk gaat mijn onderzoek aantonen dat er veel meer dynamiek is in die landen en ook veel meer parallellen zijn tussen die landen. En het tweede heeft er direct mee te maken: wat is er dan wel? Dat ga ik onderzoeken vanuit een multi-level governance hoek. Er wordt op nationaal en op lokaal niveau integratiebeleid gevoerd meer veel sociologen zeggen dat integratie vooral een lokaal vraagstuk is. Je integreert niet in een land, je integreert in een stad, in de wijk waar je naar school gaat of waar je je baan vindt, waar je trouwt. Dat doe je niet via een land, dat doe je in je directe omgeving. Je ziet ook steeds meer dat het een lokaal beleidsvraagstuk wordt. Rotterdam is hierin natuurlijk een fantastisch laboratorium. Het is in heel Europa en zelfs in de wereld bekend vanwege zijn experimenten op het gebied van integratie. Het is een stad die zegt: integratieproblematiek is voor ons zo groot en belangrijk dat we hiervoor niet op Den Haag gaan wachten. We gaan eigen beleid en eigen experimenten doen. Je ziet ook dat heel veel beleidsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld de inburgeringscursus, dat nu toch wel de hoeksteen van het integratiebeleid is, in Rotterdam is uitgeprobeerd. Dus die steden worden steeds belangrijker. Dus waar ik naar wil kijken is: hoe verloopt nou de interactie tussen die verschillende niveaus? En mijn verwachting is dat je dan een veel dynamische beeld krijgt van integratiebeleid. En dat je zo veel beter in staat bent om te verklaren waarom we in de afgelopen vijftien jaar zo veel ontwikkelingen hebben gezien.

Binnen het CGM zijn voornamelijk historici actief. Wat voegen jullie er als bestuurskundigen/sociologen aan toe?
We hebben afgesproken dat we ons vooral zullen bemoeien met de recente geschiedenis. Dat gaat ongeveer tot veertig jaar terug. Voor ons is dat ook wel een de max. Sociologen en bestuurskundigen hanteren vaak de grens van de mogelijkheid om mensen te interviewen. Ik zie er naar uit om samen met historici de recente geschiedenis te onderzoeken. Je ziet dat heel veel elementen die historici vinden heel relevant zijn voor vandaag de dag. Dus dat is een hele vruchtbare kruisbestuiving volgens mij. Zeker als je constateert dat het historisch besef op dit gebied heel erg gebrekkig is. Daarnaast zie ik de grenzen tussen sociale en historische wetenschappen niet zo scherp. Of je de samenleving nou bestudeert en historiseert of theoretiseert/sociologiseert, dat is wat mij betreft niet zo'n verschil. Ik heb mij in mijn jonge loopbaan nooit veel aangetrokken van disciplinaire aanpakken. En ook hier in Rotterdam ben ik voortdurend bezig met bestuurskunde én sociologie. Ik heb me nooit laten opsluiten in een hokje.

Wat kan de samenwerking met het CGM in praktische zin opleveren?
Een van de redenen om de samenwerking aan te gaan was om de kennisvalorisatie een impuls te geven. We zijn hier in het verleden wel heel erg academisch georiënteerd geweest. Onze onderzoeken zijn buiten Nederland misschien wel bekender dan daar binnen. We hebben ons altijd sterk gericht op internationale publicaties en fora Ook wanneer je kijkt naar mijn eigen projecten zie je dat die allemaal voortkomen uit wetenschappelijke fondsen. Maatschappelijke fondsen kennen ons niet zo goed. Het CGM is vooral erg goed in het organiseren van activiteiten om het maatschappelijk debat te beïnvloeden, daarbij gebruik makend van onderzoek. De eerste zichtbare tekenen van samenwerking en synergie zouden daar moeten liggen. Zo komt er een evenement over mijn boek aan, dat dit jaar is verschenen. Daarnaast kan het CGM een belangrijk label zijn om naar buiten uit te dragen. Ook om je gezamenlijk te kunnen presenteren aan Nederlandse onderzoeksfora als het NICIS. Ik denk dat er wel behoefte is naar interuniversitaire instituten op het gebied van minderhedenonderzoek en het CGM is toch wel een van de grote kandidaten om dat te worden.

Wat is volgens jou de toekomst van migratieonderzoek en welke plannen hebben jullie zelf voor toekomstig onderzoek?
Migratieonderzoek verschuift toch iets meer in de richting van political science. Dat is een weerspiegeling van het feit dat migratie steeds meer een politiek- en beleidsvraagstuk is geworden. In Rotterdam zitten wij dus wel enigszins op dat pad. Ook denk ik dat er nog wat nieuwe niches zijn waar we iets mee moeten, zoals het lokale perspectief. Iets wat minder historisch is maar wel erg belangrijk is de opkomst van sociale media. Een van onze nieuwe projecten richt zich daar op. Dat is iets wat heel belangrijk gaat worden. Migranten zijn zo enorm overgeorganiseerd op dat soort nieuwe sociale media en wij weten daar bijna niets van af. Het is echt een nieuwe niche en ik ben blij dat we ons daar meer bezig gaan houden. Daarnaast denk ik dat we nog veel te weinig weten van de verschillende migrantengroepen. Dat is historisch maar zeker ook beleids-sociologisch zeer interessant. Ons beleid wordt nu toch een beetje gemaakt met het oog op Turken en Marokkanen. Maar de Iraanse vrouwen zijn toch heel wat anders dan de eerste generatie Turkse of Marokkaanse vrouwen die in de jaren ' 80 naar Nederland kwamen. Het is toch wel heel merkwaardig dat die op een hoop worden gegooid vanwege het feit dat ze hoofddoekje dragen en ze Moslim en immigrant zijn. De Iraanse vrouwen die binnenkomen zijn vaak hoog opgeleide en goed ontwikkelde vrouwen.  Daar moet je eigenlijk een andere lens voor ontwikkelen en dat doen we bijna niet. Verder is de migratie vanuit de MOE-landen, de Midden- en Oost-Europese landen, een van de speerpunten bij ons. Dat is echt een voorbeeld van onderzoek naar de recente geschiedenis wat we in CGM-verband moeten oppakken.

(RdJ)


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM