Dr. Ulbe Bosma

Dr. Ulbe Bosma

Senior onderzoeker, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG)
Webpagina IISG

 

 

 

Contactgegevens
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Postbus 2169
1000 CD Amsterdam
uboatiisg [dot] nl
(0031 (0) 206685866)

Publicaties
-Indiëgangers. Verhalen van Nederlanders die naar Indië trokken (Amsterdam: Bert Bakker, 2010)
-Terug uit de koloniën. 60 jaar postkoloniale migranten en hun organisaties (Amsterdam: Prometheus, 2009)
-(met Remco Raben), (vertaald door Wendie Shaffer), Being "Dutch" in the Indies. A History of Creolisation and Empire, 1500-1920 (Singapore and Ohio: Singapore University Press and Ohio University Press, 2008)
-'European colonial soldiers in the nineteenth century: their role in white global migration and patterns of colonial settlement', Journal of Global History 4 (2009) 317-336.
-Sailing through Suez from the South. The Emergence of an Indies-Dutch Migration Circuit 1815-1940', International Migration Review 41, 2 (Summer 2007) 511-536

Projecten
-Database Migrantenorganisaties Nederland
-Postkoloniale migranten
-Indiëgangers
-Vijfeeuwenmigratie.nl
-Global Migration History Programme
-Global Collaboratory on the History of Labour Relations (1500-2000)

 

“Een migratieperspectief om koloniale mythes door te prikken”

Ulbe Bosma is senior onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hij promoveerde in de geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Centrale thema’s in zijn onderzoek zijn de koloniale geschiedenis, de migratie tussen Nederland en Indië, en postkoloniale migranten.

Ulbe deed een promotieonderzoek naar het vroege nationalisme in Nederlands-Indië aan de hand van het werk van de Indische journalist Karel Zaalberg. Later verschoof zijn benadering van koloniale geschiedschrijving naar een migratieperspectief. ‘Je krijgt vanzelf met migratie te maken omdat Indische Nederlanders voor 90% in Nederland terecht zijn gekomen.’

In zijn recente onderzoek naar postkoloniale migranten zet Ulbe met verschillende CGM-partners een Europese database van migrantenorganisaties op. Deze virtual collaboratories (virtueel beschikbare datasets) zijn volgens hem de toekomst van het onderzoek.

Je hield je aanvankelijk bezig met koloniale geschiedschrijving. Waarom is je focus verschoven naar een migratieperspectief?
Ik had altijd al een interesse in dekolonisatieprocessen. Vooral de rol van bepaalde sleutelgroepen daarin, zoals de Passi’s in India, de mulat in Angola en de Koptische christenen in Egypte. Het zijn groepen die heel dicht bij de kolonisator staan en die vooraan staan bij de ontwikkeling van het nationalisme. In het geval van Nederlands-Indië waren dit de Indo-Europeanen. Mijn doctoraalscriptie en mijn promotieonderzoek bij Kees Fasseur gingen over deze groep. Ik keek naar het werk van de Indische journalist en hoofdredacteur van het Bataviaasch Dagblad, Karel Zaalberg. De geschiedschrijving over Indische Nederlanders kwam in die periode pas echt op gang. Je krijgt dan vanzelf met migratie te maken omdat ze voor 90% in Nederland terecht zijn gekomen. Ik zag Indische Nederlanders niet als migranten. Ze waren de avant-garde van de nationalistische beweging, die later door diezelfde beweging is ingehaald. Dat is typisch voor een revolutie, iedere revolutie eet zijn eigen kinderen op. Maar het waren de Indische journalisten die het als eerste hadden over Indië als vaderland.

Wat leverde dit migratieperspectief voor nieuwe inzichten op?
Er werd in de jaren 90 al onderzoek gedaan naar aspecten van migratie, het verkeer van mensen en ideeën binnen de koloniale imperia. Maar die literatuur verkeert op een dermate hoog abstractieniveau dat je daar als empirisch historicus niet zoveel aan hebt. Via een migratieperspectief kun je het onderzoek operationaliseren. Je kunt precies bepalen hoeveel mensen er trekken en van welke sociale lagen zij afkomstig zijn. Je kunt de allocatie van arbeid bekijken en daarmee de allocatie van bepaalde ideeën. Het voordeel van zo’n perspectief werd duidelijk in mijn onderzoek naar de plantage-economie op Java. Aanvankelijk werd er vanuit gegaan dat in de periode 1830-1870 het cultuurstelsel door ambtenaren werd opgezet en dat daar vrijwel geen private ondernemers aan te pas kwamen. In werkelijkheid bleek de hele opkomst van de suikerindustrie op Java ondenkbaar zonder allerhande immigranten, met name uit Engeland, en in mindere mate uit Frankrijk en Duitsland. Een migratieperspectief is hier gebruikt om bepaalde mythes die in de koloniale geschiedschrijving bestaan door te prikken.

De koppeling die je maakt tussen koloniale geschiedenis en een migratieperspectief komt duidelijk naar voren in de recente publicatie ‘Indiëgangers’ (2010). Hoe kwam dat onderzoek tot stand?
Alvorens een migratieperspectief te kunnen hanteren is het belangrijk dat je sociaal-economisch historicus bent en niet zozeer politiek historicus. Dat maakt je argwanend ten aanzien van politieke statements over de koloniale geschiedenis die van gouverneur naar generaal gaat en van liberaal beleid naar ethische politiek. Wij kijken naar heel andere processen. Zeker wanneer het Indische Nederlanders betreft ben je bezig met processen van hybridisering en vermenging, in plaats van raciale scheiding – die er natuurlijk ook was in de koloniale tijd. Je verlaat het primaat van het beleidsdiscours. Wat betreft de migratie naar de koloniën bestond lang het idee dat de koloniale metropolen hun uitschot afscheepten. Dat is onzin. De grote koloniale projecten van de negentiende eeuw waren ook echt projecten van de Europese elites, die daar in groot aantal in betrokken waren. Dat geldt voor Nederland, maar waarschijnlijk ook voor Engeland waar families generaties lang bij de Indian Civil Service in dienst waren. Het oude idee dat wij de rest van de wereld konden overheersen met ons tuig lijkt dan ook Eurocentrische arrogantie. Het idee is nauwelijks houdbaar omdat iedereen wel iemand in zijn omgeving kent die in Indië is geweest – zelfs zestig jaar later nog. Dat kunnen niet allemaal paupers zijn geweest. Voor het boek ‘Indiëgangers’ heb ik dit systematisch onderzocht. Dit was ondermeer mogelijk door de koppeling aan de Historische Steekproef Nederlandse Bevolking.

Naast de migratie van en naar Indië, doe je onderzoek naar postkoloniale migranten in Nederland. Een van de uitkomsten van dat onderzoek was dat de ‘postkoloniale bonus’ betrekkelijk is. Wat houdt dat precies in?
Als onderdeel van dat onderzoek, dat we samen met het KITLV en het Meertens Instituut uitvoerden, maakten we een Europese vergelijking tussen postkoloniale migranten. Het bleek dat zij zich in menig opzicht helemaal niet zo sterk onderscheiden van arbeidsmigranten. Lang bestond het idee van wat Gert Oostindie ‘de postkoloniale bonus’ noemde. Het voordeel dat je hebt als je als migrant uit een kolonie komt en de taal spreekt.  Dit bleek enkel op te gaan voor de eerste groepen, de elites, die komen goed terecht. Voor de massa gaat het niet op, voor hen is het toch gewoon sappelen als ze aankomen in de metropool. Ze vallen ten prooi aan dezelfde achterstelling en vooroordelen als gastarbeiders. Soms geldt het zelfs nog sterker, omdat zij een koloniaal vooroordeel bij zich dragen. We zien dat bij Noord-Afrikanen in Frankrijk, maar ook in Nederland. In het boek ‘Terug uit de Koloniën’ beschrijf ik hoe een grote groep van Surinamers, tweede generatie Molukkers, en de latere generaties Antilianen in de jaren tachtig en negentig hetzelfde sociaaleconomische lot was beschoren als de tweede generaties Turken en Marokkanen. Zij krijgen geen toegang tot de arbeidsmarkt. Het boek over de Europese vergelijking komt later dit jaar uit, onder redactie van Gert Oostindie en Jan Lucassen, getiteld Postcolonial Migrations and Identity Politics.

Met verschillende partners van het CGM heb je een database opgezet van migrantenorganisaties in Nederland. Hoe ontwikkelt dat project zich?
Het idee voor dat project heeft jarenlang gesluimerd. Verschillende mensen maakten bestanden van bepaalde migrantengroepen aan, maar het werd nergens centraal bijgehouden. Dankzij het CGM is toen een grote database voor alle migrantenorganisaties in Nederland opgezet. Anja van Heelsum heeft die database gevuld en op de website gezet. Je kunt daar zoeken op de naam van de organisaties en het land van herkomst, etniciteit en religie van de doelgroepen. Echt leuk wordt het natuurlijk pas als ook anderen er gebruik van maken voor hun onderzoek. Hier kan het CGM nog een belangrijke rol in spelen, bij het opzetten van virtual collaboratories. Dat zijn virtuele werkplaatsen waarin je apparatuur hebt, in dit geval databestanden, die voor collega’s beschikbaar zijn. Dat is een nieuwe cultuur die we willen ontwikkelen. Juist in het kader van migratieonderzoek is dat belangrijk, omdat we daarbij zoveel data gebruiken. Anders dan bij sociale en politieke wetenschappers zijn deze databestanden niet alleen contemporain, maar ook historisch. Ze overstijgen de disciplines en kunnen zowel gebruikt worden voor onderzoek, als voor archivering, heritage. Momenteel ben ik samen met Hanneke Verbeek, Leo Lucassen en de Belgische collega’s bezig net zo’n database voor Europese migrantenorganisaties te ontwikkelen.

Door je met migranten in Nederland bezig te houden zul je ook te maken krijgen met het publieke debat over integratie. Wil je daar met je onderzoek een bijdrage aan leveren?
Dat is bijvoorbeeld bij het boek ‘Terug uit de Koloniën’ wel heel nadrukkelijk gebeurd. Daar was een debat rond georganiseerd over migrantenorganisaties en het belang daarvan. In het parlementaire onderzoek naar het integratiebeleid van de laatste dertig jaar werd nogal badinerend gesproken over migrantenorganisaties. Dat heb ik toch proberen recht te zetten met dit boek. Het beeld bestond dat zij zich vooral hebben beziggehouden met de etnische profilering en nauwelijks met zaken die werkelijk ten goede kwamen aan de integratie van nieuwkomers. Uit empirisch onderzoek blijkt dat de organisaties wel degelijk een cruciale rol hebben vervuld, in bepaalde tijden meer dan andere. Bijvoorbeeld Indische Nederlanders hebben veel baat gehad bij een sterke migrantenorganisatie die opkwam voor hun belangen. Voor de Surinamers geldt dit veel minder, mede door de periode waarin zij naar Nederland kwamen. Maar over het geheel genomen is de balans toch positief. De vraag waar migratiehistorici kunnen bijdragen aan het integratiedebat, is precies op dat punt. Wij kunnen vanuit een veel langer tijdsperspectief werken en niet op basis van een halve generatie, maar gewoon twee of drie generaties. Als je onderzoek op één periode gericht is, zie je alleen het beleid dat toen gevoerd is.

Hoe denk je dat het publieke debat zich de komende jaren zal ontwikkelen en in hoeverre bepaalt dat jouw onderzoeksagenda?
Het is de vraag of het een debat is of gewoon geschreeuw? Ik weet niet of wij er als migratiehistorici genoeg in slagen om te laten zien wat de verschillende spelers en posities in het migratiedebat zijn. Ik denk dat wij als onderzoekers meer verwantschap hebben met de lokale bestuurders, omdat het ons beide om ‘de zaak’ gaat. Ik heb dat ook gemerkt tijdens de discussie rondom ‘Terug uit de Koloniën’. De betreffende wethouder van de gemeente Amsterdam was daarbij aanwezig, en hij was wel degelijk gevoelig voor onze argumenten. De gemeentebesturen zien graag dat migrantenorganisaties zich ontwikkelen, zich uitspreken en deelnemen aan de discussie. Zij zijn ervan overtuigd dat je zonder migrantenorganisaties niets begint. Als jij in Den Haag in het parlement zit hoef je je niet dag in dag uit te verantwoorden voor de problemen. Als er ergens een relletje uitbreekt sta je als burgemeester meteen achter een microfoon te praten, terwijl een Kamerlid gewoon kan roepen dat ze ‘een knieschot’ moeten geven. Dat is het hele spel. Overigens denk ik dat dit wel gaat veranderen. De generatie die nu opgroeit is gewend aan diversiteit, in etniciteit, in geloof, in alles. Zij kennen persoonlijk meisjes met een hoofddoek en hebben daar nooit een probleem mee gehad. Zij zullen daar dus ook niet snel een politiek probleem van maken. Een man als Wilders zat nooit met zo iemand in de schoolbanken. De jongeren van nu zullen hierover veel makkelijker van mening wisselen. Een website als vijfeeuwenmigratie.nl – die afgelopen jaar door CGM gelanceerd werd – biedt hen daar alle gelegenheid toe. De komende tijd verwacht ik mij vooral met het voortzetten van dat project en de Europese migrantenorganisaties bezig te houden.

(AXS)


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM