Prof.dr. Jan Lucassen

Prof.dr. Jan Lucassen

Bijzonder hoogleraar Internationale en Comperatieve Sociale Geschiedenis, Vrije Universiteit Amsterdam / senior onderzoeker, IISG
Webpagina IISG

 

 

 

Contactgegevens
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Postbus 2169
1000 CD Amsterdam
jluatiisg [dot] nl
(0031 (0) 206685866)

Publicaties
-met Leo Lucassen, Winnaars en Verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie (Amsterdam: Bert Bakker, 2011).
-met Leo Lucassen en Patrick Manning (eds.), Migration History in World History. Multidisciplinary approaches (Leiden and Boston: Brill Publishers, 2010).
-met Karel Davids (eds.), A Miracle Mirrored: The Dutch Republic in European Perspective (Cambridge: Cambridge University Press, 1995, xviii + 539 pp.) Dutch translation: Een wonder weerspiegeld. De Nederlandse Republiek in Europees perspectief(Amsterdam: Aksant, 2005, 502 pp.)
-met Rinus Penninx, Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders. Immigranten in Nederland 1550-1993 (Amsterdam 1994)
-Naar de kusten van de Noordzee. Trekarbeid in Europees perspectief, 1600-1900 (Gouda 1984)

Projecten
-Global Migration History Programme
-Vijfeeuwenmigratie.nl
-800 van Lippe (seizoensmigratie steenbakkers uit Lippe-Detmold, Duitsland)
-Global Collaboratory on the History of Labour Relations (1500-2000)

“We weten niet meer wie wij zijn”

Jan Lucassen is sinds 1990 bijzonder hoogleraar Internationale en Comparatieve Sociale Geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Van 1988 tot 2000 was hij onderzoeksdirecteur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, waar hij nu als senior onderzoeker werkt. Centrale thema’s in zijn onderzoek zijn comparative global labour history – met een focus op Europa en India, en migratiegeschiedenis – met een focus op trekarbeid.

Jan promoveerde op een onderzoek naar Europese trekarbeid in de periode 1600-1900. In 1994 publiceerde hij samen met Rinus Penninx een van de eerste boeken over de Nederlandse migratiegeschiedenis Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders. Momenteel houdt hij zich bezig met onderzoek naar arbeidsverhoudingen overal ter wereld in de periode 1500-2000.

Binnen het CGM was hij betrokken bij het opzetten van de website www.vijfeeuwenmigratie.nl. Jan maakt zich zorgen over de huidige scepsis ten aanzien van de wetenschap, het migratieonderzoek in het bijzonder. ‘Wetenschappers worden weggezet als Linkse Kerk. Dat raakt ook aan ons.’

Je begon je wetenschappelijke loopbaan bij sociaaleconomische geschiedenis. Hoe ben je van daar bij de migratiegeschiedenis terecht gekomen?
In zekere zin ging mijn eerste publicatie al over gastarbeiders. Dat had niets met mijn studie te maken, maar kwam voort uit de werkgroep gastarbeiders in Leiden waar ik bij betrokken was. Dat begon eind jaren zestig. We waren er dag en nacht mee bezig. We gaven Nederlandse les aan gastarbeiders en voerden actie tegen de huisjesmelkers. Er was toen behoefte aan een overzicht van de literatuur rond dat thema. Dat bestond simpelweg nog niet. Via een omweg ben ik later ook binnen mijn onderzoekswerk bij migratie terecht gekomen. Ik schreef vier doctoraalscripties, zowel bij sociale- als economische geschiedenis. Ik deed opeenvolgend onderzoek naar de wolhandel met Australië, het ontstaan van vooroordelen tegen zwarten in Zuid-Afrika op basis van VOC archieven, landbouwboekhoudingen, en het associatieverdrag van Marokko met de EEG. Daarbinnen speelde migratie dus nog geen rol. Dat kwam pas toen ik aan de Universiteit van Utrecht aan een boek werkte over de arbeidsmarkt van de Republiek. Althans, dat was het plan. Ik dacht een eenvoudig model te maken van de economische activiteiten aan de ene kant, en de mensen die daarvoor beschikbaar waren aan de andere kant. Ik was erg gecharmeerd van het werk van Wageningse onderzoekers als Van der Woude en wilde daar de voetnoot bij plaatsen dat er ook tijdelijke arbeiders waren. Dat voetnootje werd het boek Naar de kusten van de Noordzee over trekarbeid in Europees perspectief in de periode 1600-1900.

Waar kwam die fascinatie met migratie vandaan?
Het is gedeeltelijk iets romantisch vrees ik. Verre landen, verre volkeren. Reizen het ik altijd mooi gevonden. Bovendien is het toch leuker om migranten te onderzoek dan die duffe types die op een plaats blijven zitten? Ik heb wel eens overwogen op te houden met het migratie thema, het is in feite een non-onderwerp. Je kunt je afvragen in hoeverre mensen in gegeven omstandigheden in een val zitten of echt iets aan hun situatie kunnen veranderen. Echter, het moment dat mensen het heft in eigen handen nemen, daar wordt het interessant. Migratie is een van de manieren, maar het kan natuurlijk ook door hard te studeren, een slim handeltje op te zetten of van beroep te veranderen. Het gaat allemaal om mobiliteit, of het nu intellectueel, sociaal of geografisch is. Momenteel werk ik aan een boek over de geschiedenis van arbeidsverhoudingen overal ter wereld. Hoe mensen aan de kost komen, hoe ze tegen werk aan kijken, dat fascineert me mateloos. En arbeidsmigratie is daar een aspect van. Ik kom er dus ook bij terecht omdat ik mij met allerlei andere maatschappelijke problemen bezighoud.

In hoeverre is een historisch perspectief belangrijk bij het bestuderen van de huidige maatschappelijke problemen?
Een historisch perspectief is ongelofelijk nuttig. Juist omdat migratie zo’n emotioneel geladen onderwerp is. Door er historisch naar te kijken kun je nog een enigszins neutraal terrein creëren waarop mensen naar elkaar luisteren. Dat geldt met name voor de genealogie en familiegeschiedenis. Ik houd mij daar zelf niet mee bezig, maar bij die onderzoeken ontdooien zelfs de ‘Wildersen’ van deze samenleving. Dan lijkt het immers om iets anders te gaan dan migratie, dan is het familie. Als je er over nadenkt gaat het om puur imaginaire personen van honderden jaren terug, die je niet hebt gekend, maar dat lijkt er niet toe te doen. Op dat punt kun je als migratiehistorici zeker iets bijdragen aan het publieke debat. Puur als wetenschapper geloof ik echter ook dat historische parallellen ons inzicht geven in de hedendaagse wereld. Geschiedenis is een comparatieve sociale wetenschap, waarbij het comparatieve hem zit in de vergelijking door de tijd heen. In mijn archiefonderzoek kijk ik naar de vroege periode, de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw. Tegelijk kun je als sociaal historicus niet genoeg levenservaring hebben om je dingen voor te kunnen stellen waar je niet bij bent geweest. Het feit dat ik uit een klein dorpje kwam en bij een boer mocht werken die nog met de hand het koren maaide en bond, dat is later een voorrecht gebleken toen ik de vroegmoderne landbouwgeschiedenis wilde begrijpen.

In hoeverre is het boek Nieuwkomers dat je samen met Rinus Penninx schreef een voorbeeld gebleken van hoe het verleden inzicht in het heden kan bieden?
Ik hoop zeker dat we dat met Nieuwkomers hebben gedaan. We lieten zien dat migratie niet iets nieuws is. Want dat was in de jaren zeventig toch de kreet: we zitten met een immens probleem en we weten ons er geen raad mee omdat het een nieuw probleem is. Natuurlijk zitten er nieuwe aspecten aan de migratie, maar er zijn hele goede vergelijkingen te maken. Een van de belangrijke uitkomsten van ons onderzoek was dat het vestigingsproces iets is dat over meerdere generaties gaat. Je moet dus – zoals met veel maatschappelijke problemen – niet te ongeduldig zijn. Het boek is overigens tot stand gekomen naar aanleiding van een verzoek van het Amsterdam Historisch Museum. Reneée Kistemaker werkte daar aan een van de eerste historische tentoonstellingen over migratie in Nederland. Hij vroeg Rinus en mij afzonderlijk van elkaar om aan de tekst te werken. Toen Rinus mij bezocht in Engeland, waar ik tijdelijk aan de Hull University werkte, kwamen we er achter dat we hetzelfde verzoek hadden gehad. Aangezien hij antropoloog is en ik historicus wisten we niet goed hoe we het aan zouden pakken. Toen zijn we ieder een dagboek van onze ideeën bij gaan houden en schreven elkaar iedere week een brief. Uit die briefwisseling is het boek Nieuwkomers ontstaan. Het boek heeft toen zeker een functie vervuld voor de groep van migratiehistorici die toen ontstond. Door zo’n basistekst in handen te hebben, heb je wat feiten op een rijtje én kun je je ergens tegen afzetten.

Je bent momenteel werkzaam in een internationaal vergelijkend project over arbeidsverhoudingen. Met wat voor bronnen werk je doorgaans, en hoe worden arbeidsverhoudingen en migratie daarbinnen zichtbaar?
Een voorbeeld van empirisch onderzoek is het werk dat ik samen met Piet Lourens doe naar trekarbeiders uit het vorstendommetje Lippe-Detmold. Dat is een langlopend project waarbij we kijken naar steenbakkers die vanaf de achttiende eeuw vanuit Duitsland vertrokken naar Groningen, Noord-Duitsland, Polen, Rusland en Scandinavië. Omdat het om trekarbeiders gaat zijn er normaliter weinig bronnen bewaard. Bij permanente migratie, zoals naar Amerika, zijn er gewoon passagierslijsten en douanedocumenten te vinden. In het geval van deze mensen kwamen ze in het voorjaar en vertrokken ze weer in het najaar. Iedereen was blij dat ze kwamen, en vervolgens ook weer blij dat ze weggingen. Ze deden geen beroep op de armenzorg, niemand schreef wat op. Maar omdat de trekarbeid juist voor dit vorstendom zo belangrijk was, is het toch gedocumenteerd. De gelden die terugvloeiden uit migratie waren de belangrijkste inkomstenbron voor dit landje. Je ziet hetzelfde bij landen als Marokko en Turkije nu. Momenteel proberen we de levensgeschiedenissen en carrières van de steenbakkers te reconstrueren. Welke migratiebeslissingen namen zij, wanneer, op welke leeftijd, en met wie? De afgelopen jaren heb ik ook vergelijkend onderzoek gedaan in India en Rusland. Ik interviewde daar mensen die nu op steekbakkerijen werken. Ik denk dat mensen in vergelijkbare omstandigheden ook tot vergelijkbare oplossingen komen – of dat in ieder geval de variatie aan oplossingen kleiner is.

Hoe denk je dat het publieke debat over migratie zich de komende jaren zal ontwikkelen en in hoeverre bepaalt dat de onderzoeksagenda van het CGM?
Ik denk dat de huidige defensieve reflex nog een hele tijd zal voortduren. Deze is immers niet alleen gebaseerd op de korte migratiestromen, maar op het gevoel van de gemiddelde Nederlander, Europeaan, of Amerikaan, van God los te zijn. Er zijn geen ankers meer. De Europese eenwording, de samenvoeging van gemeentes en waterschappen, de verkoop van banken, dat draagt bij tot gevoelens van anomie. Vreemdelingenhaat hoort daarbij. We weten niet meer wie wij zijn. Dat is een interessant historisch proces. Maar het geeft ook aan hoe wij denken over migranten. En dan natuurlijk niet ten opzichte van onze buurman. Wat ik daarbij zorgelijk vind, is de huidige scepsis ten aanzien van de wetenschap, het migratieonderzoek in het bijzonder. De vanzelfsprekende positie van de wetenschap als een kritische gemeenschap die probeert de waarheid dichterbij te brengen, wordt in twijfel getrokken. Vooral onze broeders en zusters van de sociale wetenschappen, de migratiewetenschappers, hebben daar last van. Zij worden weggezet als Linkse Kerk. Dat raakt ook aan ons.

(AXS)


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM