Prof.dr. M.J.A. (Rinus) Penninx

[title]

Hoogleraar Ethnic Studies, IMES/Universiteit van Amsterdam
Webpagina UvA





Contactgegevens
Institute for Migration and Ethnic Studies of the University of Amsterdam,
OZ-Achterburgwal 185, 1012 DK, Amsterdam
m [dot] j [dot] a [dot] penninxatuva [dot] nl
0031(0)205253629 

Publicaties
-Leo Lucassen en Rinus Penninx, “Caught between Scylla and Charybdis? Changing orientations of migrant organisations in the era of national states, from 1880 onwards”, IMISCOE Working Paper 26 (Amsterdam 2009)
-R. Penninx, M. Berger & K. Kraal (eds.), The dynamics of International Migration and Settlement in Europe. A State of the Art (Amsterdam 2006)
-J. Rath, R. Penninx, K. Groenendijk en A. Meyer, Western Europe and its Islam (Leiden 2001)
-R. Penninx en J. Roosblad (red.), Trade Unions, Immigration and Immigrants in Europe 1960-1993 (New York 2000)
-J. Lucassen en R. Penninx, Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders. Immigranten in Nederland 1550-1993 (Amsterdam 1994)

Projecten
-Website Vijfeeuwenmigratie.nl
-NWO-project Migrantenorganisaties ‘Tussen Scylla en Charybdis’, UvA, IISG, UL, 2003-2006
-Coördinator van het door de Europese Commissie gefinancierde Network of Excellence IMISCOE (International Migration, Integration and Social Cohesion in Europe)
-CLIP Network (Cities for Local Integration Policy)

“Nederland is altijd een migratieland geweest”

Rinus Penninx is hoogleraar Ethnic Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde Culturele Antropologie in Nijmegen en Leiden. Centrale thema’s binnen zijn werk waren in de afgelopen jaren de institutionalisering van de Islam, de vergelijkende studie van vakbonden en hun houding tegenover migranten, migrantenorganisaties, en lokaal integratiebeleid.

Rinus deed in de periode 1971-1978 onderzoek naar de gevolgen van migratie voor de achterblijver in Tunesië en Turkije. In 1978 maakte hij een inventarisatie van de beschikbare kennis over migrantengroepen in Nederland en het overheidsbeleid voor deze groepen. Deze studie mondde in 1979 uit in het WRR-rapport ‘Etnische Minderheden’, dat de basis vormde voor het latere Minderhedenbeleid. In de jaren tachtig was hij als stafmedewerker betrokken bij de uitvoering van dat minderhedenbeleid bij de ministeries van CRM/WVC en Binnelandse Zaken.

Rinus werd in 1993 door de Universiteit van Amsterdam aangetrokken om het IMES (Instituut voor Migratie- en Etnische Studies) op te richten – waarvan hij tot 2005 directeur was. Het IMES nam in 2004 het voortouw in het organiseren van onderzoek op het terrein International Migration, Integration and Social Cohesion in Europe (IMISCOE). Binnen het IMES en IMISCOE wordt veel waarde gehecht aan interdisciplinaire samenwerking. Daarnaast benadrukt Rinus het belang van een historisch perspectief: ‘Dat Nederland geen migratieland is, is een politieke uitspraak. Historisch gezien is het dat altijd geweest.’

Het boek Nieuwkomers. Immigranten en hun nakomelingen in Nederland, 1550-1985 dat je in 1985 samen met Jan Lucassen schreef, was een van de eerste werken over migratiegeschiedenis in Nederland. Hoe kwam die samenwerking tot stand?
Van opleiding ben ik antropoloog. Jan ken ik al sinds de middelbare school. Zo heb ik vanaf jonge leeftijd met een historicus over onze ideeën kunnen stoeien. In 1983 werden wij door het Amsterdams Historisch Museum gevraag een boek te schrijven over de Nederlandse migratiegeschiedenis. Jan zat toen voor enige tijd aan University of Hull in Engeland. We hebben het boek toen in een intensieve briefwisseling geschreven. Jan richtte zich op het historische proces, ik keek naar de theoretische concepten daarachter en de naoorlogse periode. Nieuwkomers gold als wetenschappelijk documentatie voor de tentoonstelling ‘Allemaal Amsterdammers’ in het Amsterdams Historisch Museum. Tien jaar later maakten we een herziene en uitgebreidere versie van het boek onder de titel Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders, dat ook in het Engels verscheen in 1997.

Dit was nog voor de oprichting van het CGM in de jaren ‘90. Was er in die tijd al aandacht voor historisch migratieonderzoek?
Absoluut niet. Er waren maar een paar mensen met het onderwerp bezig. Dat veranderde toen begin jaren tachtig het Minderhedenbeleid van start ging. Toen werd er allerlei onderzoek uitgezet. Zo werkt dat in de politiek, er komt pas beleid als er maatschappelijk een probleem gedefinieerd is. In 1979 schreef ik het WRR-rapport ‘Minderheden’ dat aan dat beleid ten grondslag ligt. Het rapport bracht alles wat we systematisch wisten over migrantengroepen in Nederland bij elkaar. Hoe verging het de Indische Nederlanders, de Molukkers, de gastarbeiders, Surinamers en Antillianen? Daarnaast bekeek ik het gevoerde beleid en constateerde dat er onterecht werd uitgegaan van de tijdelijkheid van het verblijf van deze groepen. Er was nog niets geregeld op het gebied van huisvesting, onderwijs of culturele voorzieningen.

Je bent als antropoloog opgeleid en hield je bij de ministeries bezig met beleidsvorming. Hoe raakte je overtuigd van het belang van een historisch perspectief op migratie?
Het verschil tussen historici en sociale wetenschappers zit hem met name in de bronnen die wij gebruiken. Het verleden is op een andere manier neergeslagen. Het materiaal dat historici vinden toont met name de institutionele kant. De antropoloog gaat met zijn vragen naar de mensen zelf toe. De bijdrage van geschiedenis is natuurlijk dat je met de benefit of hindsight, terugblikkend op een langere periode, meerdere groepen en omstandigheden, meer kunt zeggen over de bepalende factoren binnen het vestigingsproces. Zeker bij het onderwerp migratie neigt men ernaar te denken dat het om eenmalige gebeurtenissen gaat. Maar migratie is er altijd geweest. Kijk naar een stad als Amsterdam, die is de afgelopen eeuwen zo’n beetje opgebouwd uit nieuwkomers. En het duurt een tijdje tot zij hun plaats vinden, of tot de instituties zich hebben aangepast aan de nieuwe verscheidenheid.

Je beschrijft in je studies dat dit vestigingsproces zich in twee tot drie generaties voltrekt. Is daar in het huidige politieke klimaat wel ruimte voor?
De huidige discussie zal wel overwaaien. De vraag is alleen wanneer en welke ravage dan is aangericht. Je ziet dat men al een beetje moe is van het geblaat over de Islam en moslims. Maar het migratiebeleid is al aangepast. Het wordt steeds moeilijker Nederland binnen te komen. Natuurlijk kent ook de migratiegeschiedenis uitzonderingen. Er zijn een aantal gevallen waar het vestigingsproces langdurig anders verliep. Dat gebeurde bij de Joden, de zwarten in Amerika, en de zigeuners. Deze groepen werden consequent institutioneel apart gezet.

Je was nauw betrokken bij de oprichting van het IMES (Institute for Migration and Ethnic Studies) – waar je tot 2005 directeur was – en het IMISCOE (International Migration, Integration and Social Cohesion in Europe). Heb je daar het onderzoek naar migratie kunnen institutionaliseren?
Verschillende CGM-leden hielden zich tijdens hun studie al met minderheden bezig. In Leiden deed een groep onder Dik van Arkel (red. Leo Lucassen, Wim Willems en Annemarie Cottaar) onderzoek naar woonwagenbewoners en zigeuners. Er bestond echter nog geen structuur voor dat onderzoek. Toen kreeg ik in Amsterdam de kans het IMES op te zetten. Dat ging uit van een interdisciplinaire benadering. Ik heb daar een breed aantal onderzoeken gedaan, bijvoorbeeld over de institutionalisering van de Islam in Nederland. Ik keek naar wat er geregeld was op het gebied van ritueel slachten, gebedsruimtes, en geestelijke verzorging. Je ziet daar veel parallellen met de Joodse groep. Bij IMISCOE werd ik in 2004 coördinator. Het gaat daar om een samenwerkingsverband van 26 onderzoeksinstituten in 16 landen met honderden onderzoekers. De internationale vergelijkingen die uit die samenwerking voortkomen leren je zoveel over je eigen situatie.

Naast het lange termijn perspectief en internationale vergelijkingen, wordt je werk gekenmerkt door lokale studies. Wat maakt dit onderzoek op microniveau zo aantrekkelijk?
Momenteel werk ik mee aan het CLIP-project (Cities for Local Integration Policies), waarbinnen het integratiebeleid van 30 steden in Europa vergeleken wordt. Het is een erg interessant project. De betrokken partijen zijn bereid van elkaar te leren. Zelf kijk ik naar de steden Kopenhagen (red. Denemarken) en Turku (red. Finland). Ik interview daar een  aantal sleutelpersonen om te achterhalen vanuit welke denkwereld zij naar integratie kijken, hoe framen zij het? Zo sprak ik met een raadslid van de Danish People’s Party, een partij vergelijkbaar met de PVV. Deze politicus had de angst dat, bijvoorbeeld door migrantenorganisaties, een parallel society naast de Deense samenleving zou ontstaan. In andere interviews ontdekte ik echter dat diezelfde migrantenorganisaties ook na stopzetting van subsidie een belangrijke functie behielden als schakel tussen de lokale overheid en de migrantengemeenschap. Daar zie je de spanning tussen formeel beleid en beleidspraktijk.

Je bent ook buiten de wetenschap betrokken bij de migrantenzaak. Hoe verhoudt dat zich tot je onderzoek?
Ik studeerde in de tijd dat de revolutie toesloeg in het onderwijs, 1968. Je had toen mensen die zich bezighielden met de hervorming van het onderwijs, en zij die zich op maatschappelijke problemen richtten. Ik zat toen in Leiden en heb met andere studenten de Werkgroep Buitenlandse Arbeiders opgericht. Als student woonde je meestal in dezelfde wijken als waar de pensions voor de gastarbeiders zaten. Ik ontmoette daar ook Achmed, zoon van een Marokkaanse gastarbeider. Ik heb hem toen Nederlands geleerd en hij mij Arabisch. Dat kwam nog goed van pas tijdens mijn eerste onderzoek in Tunesië in 1971. Later heb ik Turks geleerd voor het eerste grote REMPLOD-onderzoeksproject (Reintegration of Emigrant Manpower and Local Opportunities for Development) dat de sociale en economische gevolgen van het wegtrekken van gastarbeiders voor de streek van herkomst in kaart bracht. Ook in mijn huidige woonplaats ben ik lang actief geweest. Samen met Rachid, een zeer geëngageerde lokale bakker, zorgden we dat de activiteiten en faciliteiten voor de Marokkanen in de wijk goed geregeld zijn.

Tot 2010 was je voorzitter van het CGM. Wat hebben jullie in die twintig jaar bereikt?
Het CGM heeft in eerste instantie gezorgd dat het historisch migratie onderzoek op gang is gebracht. We hebben bijvoorbeeld het onderzoek naar migrantenorganisaties gehad en het grote project over koloniale migratie waar Ulbe Bosma bij betrokken was. Daarnaast is er flink wat gedaan aan het uitdragen van kennis over migratiegeschiedenis naar een breder publiek. Zo schreef Annemarie Cottaar een aantal etnografieën over Chinezen, Marokkanen en Surinamers waarin beeldmateriaal een belangrijke plaats kreeg. En recent is natuurlijk het website-project vijfeeuwenmigratie.nl gestart. Het CGM bouwt op langdurige persoonlijke contacten en gedeelde interesses van een aantal onderzoekers en instituten. We hebben daarmee bij sponsors en fondsen een reputatie opgebouwd.

Migratie blijft zowel in de wetenschap als in het publieke debat een hot topic. Wat zijn jouw plannen voor toekomstig historisch migratie onderzoek?
Ik ben altijd op en neer gegaan tussen beleid en onderzoek. Ik ben niet tevreden als een boek alleen maar in de kast staat. Ik voel me uitgedaagd om te kijken wat je nou wijzer bent geworden van onderzoek en of je er werkelijk iets mee doen kunt. Van het internationaal vergelijkende onderzoek dat ik nu binnen IMISCOE doe zie ik dat nut zeker terug. Daarnaast willen Jan en ik graag nog een nieuwe versie van Nieuwkomers uitbrengen. De laatste versie van 1997 was mooi, maar er is inmiddels zoveel nieuw materiaal beschikbaar gekomen. Wie weet als we met emeritaat gaan.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM