Prof.dr. M.L.J.C. (Marlou) Schrover

Hoogleraar Geschiedenis van migratie en sociale verschillen, Universiteit Leiden
Webpagina UL







C
ontactgegevens
Faculteit der Geesteswetenschappen, Instituut voor Geschiedenis, Universiteit Leiden
Postbus 9515, 2300 RA Leiden
m [dot] l [dot] j [dot] c [dot] schroverathum [dot] leidenuniv [dot] nl
0031(0)71 527 2786

Publicaties
-Marlou Schrover and Eileen Janes Yeo (red), Gender, Migration and the Public Sphere 1850-2005 (New York Routledge 2010)
-Herman Obdeijn en Marlou Schrover, Komen en gaan. Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550 (Amsterdam Bert Bakker 2008).
-Marlou Schrover, Een kolonie van Duitsers. Groepsvorming onder Duitse immigranten in Utrecht in de negentiende eeuw (Amsterdam Aksant 2002) Bekroond met de Van Winterprijs voor het beste boek over regionale geschiedenis verschenen in de periode 2000-2003.

Projecten
-H-Migration
-Website History of International Migration
-LIMS
-Werkgezelschap Historische Migratiestudies
-Demka Utrecht
-NWO vici-project Gender and Migration, Universiteit Leiden, 2006-2011

“Gender gaat over mannen én vrouwen”

Marlou Schrover is hoogleraar Migratiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden. Zij studeerde Journalistiek en Sociale & Economische Geschiedenis in Utrecht. Centrale thema’s binnen haar werk zijn etniciteit, klasse en gender.

Marlou deed een promotieonderzoek naar arbeidsverhoudingen in de voedingsmiddelenindustrie. Daar kwam zij in haar bronnen al Joods etnisch ondernemerschap tegen. In later onderzoek richtte zij zich uitsluitend op migranten, zoals de kolonie van Duitsers die zich in de negentiende eeuw in Utrecht vormde. 

Gezien haar journalistieke achtergrond maakte redactiewerk, zoals tot voorjaar 2010 voor het Tijdschrift Sociale en Economische Geschiedenis, een groot deel van haar werk uit. In haar huidige NWO vici-project Gender & Migration kijkt ze naar de naoorlogse migratie naar Nederland, en hoe er verschillen werden gemaakt tussen mannen en vrouwen: ‘Meneer Gümüs moest terug. Een groep Turkse hongerstaaksters mocht blijven…’ 

Je begon je carrière in de journalistiek. Waarom koos je uiteindelijk voor de geschiedenis?
Tijdens mijn journalistiekopleiding liep ik stage bij het programma Achter Het Nieuws van de Vara. Daar maakte ik al eens items over discriminatie. Ook interviewde ik Frank Bovenkerk (red. cultureel antropoloog en hoogleraar criminologie). Na dat gesprek dacht ik, ik kan nu reconstrueren wat hij mij verteld heeft, maar dan ben je toch weinig creatief bezig. Ik wilde juist degene zijn die iets te vertellen heeft. Bovendien was ik erg jong na het afronden van de School voor Journalistiek, dus ik dacht, ik kan nu wel ergens op een redactie koffie gaan zetten, maar ik kan ook eerst geschiedenis studeren.

Je volgde bij mede-CGM’er Jan Lucassen een werkgroep over trekarbeiders. Werd daar je interesse voor migranten gewekt?
Ik schreef bij hem een scriptie over woonwagenbewoners. Daarvoor heb ik mensen geïnterviewd en ben in het archief naar oud materiaal op zoek gegaan. Ik vond dat erg leuk om te doen. Bovendien ontdekte ik daar dat er in een wijk in Utrecht een concentratie Duitse handelaren woonde. Die ontdekking vormde de basis voor mijn latere postdoc project over groepsvorming onder Duitse migranten in de negentiende eeuw. Het opmerkelijke was dat er sterke concentraties waren naar geloof, beroepsgroep, sociale klasse en regionale herkomst. De Lutherse vijlenkappers woonden bijvoorbeeld niet bij de katholieke Westerwalders in de wijk.

Het gaat dan over migratie een tot twee eeuwen terug. Wat voor bronnenmateriaal is daarvan bewaard gebleven?
Ik keek bijvoorbeeld naar de ledenlijsten van verenigingen. Zo had je carnavaleske verenigingen waarvan alleen de katholieke Westerwalders lid waren, of de Duitse zangverenigingen waar mannen van een bepaalde sociale klasse – ook Joden – lid konden worden. Vanaf het jaar 1849 zijn er bevolkingsregisters bijgehouden. Daardoor kon ik mensen generaties lang volgen. Waar kwamen zij terecht? In het archief werkten veel genealogen aan dit onderzoek. Sommigen van hen waren zelf Duitse nakomelingen. Een van hen had zelfs zijn huis barstensvol steengoed staan omdat de Westerwalders daar vroeger in handelden!

Ondanks je journalistieke achtergrond interviewde je deze nakomelingen niet voor je onderzoek. Maak je wel gebruik van de methode van de oral history?
Natuurlijk spraken we over de overleveringen van hun voorouders. Maar de negentiende eeuw ligt zo ver weg, dan krijg je toch een geconstrueerd verhaal. Voor een project over de geschiedenis van de Utrechtse staalfabriek Demka (red. 1915-1983) maakte ik wel gebruik van interviews. De mensen zelf laten vertellen, dat vind ik ontzettend leuk om te doen. Ik gebruik het liefst een combinatie van bronnen. Het klassieke archiefwerk, statistiek, maar ook kranten en andere media zijn leuk om mee te werken. Cijfertjesstukken zijn belangrijk, maar als je die combineert met romancitaten wordt het een stuk leesbaarder.

Die interesse voor mediazaken rondom migranten is terug te zien in je vici-project over naoorlogse migratie. Wat is de rol van de media in het migratiedebat?
Wat in mijn huidige project opvalt, is dat de verschillen tussen mannen en vrouwen zo overduidelijk zijn, net als naar klasse en verschillende migrantengroepen, maar dat de gevolgen ervan onderbelicht blijven. Ik heb naar een aantal mediazaken gekeken waarbij mensen in Nederland wilden blijven. Daarbij probeert men op het publiek in te spelen, en dat gaat toch voor mannen en vrouwen heel anders. Bijvoorbeeld de Turkse meneer Gümüs (red. witte illegaal), ondanks de enorme aandacht en handtekeningenacties is hij gewoon weggestuurd. Bij een hongerstaking van Turkse vrouwen werd gezegd dat zij na veertig dagen niet eten dood zouden gaan, dus mochten ze op dag 39 blijven. Die vrouwen hadden kinderen, niemand wilde daar zijn vingers aan branden. Er werd gewoon nieuw beleid geïntroduceerd.

Probeer je met je onderzoek dat migratiebeleid te beïnvloeden?
Ik denk niet dat je direct invloed hebt op het beleid. Politici pikken dingen op uit ons werk, maar zijn daarin heel selectief. Het is ook een vak apart politicus, net als journalist of historicus. Je moet niet de ambitie hebben op hun stoel te willen zitten. Wij zijn wetenschappelijk bezig, en natuurlijk als er werkelijk onzin wordt verkondigd dan kun je een reactie geven. Zo kwam de PvdA vorig jaar met een tien-punten programma over migratie. Twee punten gingen over boerka’s en weigerambtenaren. Dat is raar. Het handjevol vrouwen dat in Nederland een boerka draagt is waarschijnlijk een bekeerde Nederlandse of een journalist. De weigerambtenaren zijn veelal orthodox protestanten. We informeerden bij het COC, maar er bleek nog nooit een moslim ambtenaar geweigerd te hebben een homostel te trouwen. Toen heb ik een artikel geschreven voor Socialisme&Democratie.

Wat zie je als jouw bijdrage aan het publieke debat?
Mensen die zich bezig houden met migratie anno nu willen daar toch een historische poot aan verbinden. Daarvoor komen ze bij ons terecht. Je ziet dat in de belangstelling die er is voor het boek Komen en Gaan dat ik samen met Herman Obdeijn schreef. Daarin beschrijven we bijvoorbeeld hoe er in de negentiende eeuw al Duitse migranten waren die wij liever niet wilden. Toch houd ik mij vooral bezig met het wetenschappelijke debat. Ik ga daarbij uit van het kruispunt-denken. Er zijn verschillende domeinen waarbinnen verschil wordt gemaakt – etniciteit, klasse en gender – en die raken elkaar natuurlijk. Je moet daar gelijktijdig naar kijken. In het hedendaagse debat wordt ontkend dat de problemen van migranten ook klassenproblemen zijn. Er wordt over de onderwijsprestaties gezegd dat er geen doorstroming is. Maar ja, de kinderen van de Nederlandse collega’s uit de Demka fabriek zitten merendeels ook niet op de universiteit.

Het gender-perspectief speelt een belangrijke rol in je onderzoek. Loop je dan het risico als feminist te worden weggezet?
Natuurlijk, als je gender zegt dan denkt men aan vrouwen. Als je op een congres een sessie over gender organiseert, zitten er vooral vrouwen in het publiek. Het onderzoek over gender en migratie gaat meestal over trafficking (red. vrouwenhandel). Vrouwen worden neergezet als slachtoffers. Mannen worden zogenaamd niet verhandeld, die worden gesmokkeld. Er zijn bovendien veel studies op het persoonlijke niveau. Ze heet Natasja, komt uit Oekraïne en heeft een broertje dat ziek is. Zeker als journalist herken je die ‘Natasja-trucs’ wel. In werkelijkheid gaat gender over mannen én vrouwen, het is geen complotdenken. Je kijkt naar de functionaliteit van het maken van verschil. Waarom wordt bijvoorbeeld een Turkse man die zijn vrouw vermoord van eerwraak beschuldigd, terwijl eenzelfde moord door een Nederlander als crime passionnel wordt bestempeld?

Als lid van het CGM verzorg jij een internationale nieuwsbrief over migratie onderzoek (H-Migration) en organiseer je twee lezingenreeksen (LIMS en Werkgezelschap Historische Migratie Studies). Wat betekent het CGM voor jouw eigen onderzoek?
Het CGM levert vooral samenwerking op. Zo heb ik met Rinus Penninx een onderzoek naar migrantenorganisaties gedaan. (red. Rinus Penninx en Marlou Schrover, Bastion of bindmiddel? De organisatie van migranten in historisch perspectief (Amsterdam IMES 2001)) Ook hebben we studiedagen over Gender en Emigratie georganiseerd, met bijbehorende themanummers van het Tijdschrift Sociale en Economische Geschiedenis. Een initiatief dat ik nieuw leven in wil blazen is het Werkgezelschap. Dat zijn lezingen over lopend onderzoek.

Migratie blijft zowel in de wetenschap als in het publieke debat een hot topic. Wat zijn jouw plannen voor toekomstig historisch migratie onderzoek?
Mijn vici-project loopt tot 2011. Daarna lijkt het me leuk mij bezig te houden met de vergelijking tussen immigratie en emigratie. Die twee verhalen kunnen beter aan elkaar gekoppeld worden. Nederlanders in het buitenland gedragen zich bijvoorbeeld heel folkloristisch, stichten hun eigen kerken, en kijken naar Nederlandse soaps op televisie. Waarom wordt dat transnationalisme niet als problematisch ervaren, maar bij Turken in Nederland wel? Ja, daar zit wel iets leuks in!


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM