Prof.dr. W. H. (Wim) Willems

Hoogleraar Sociale Geschiedenis, Center for Modern Urban Studies (MUS), Universiteit Leiden / Campus Den Haag
Website Campus Den Haag

 

 

 

 

Contactgegevens
Universiteit Leiden / Campus Den Haag
Center for Modern Urban Studies
Kantoren Stichthage, Koningin Julianaplein 10
(CS-gebouw) 2595 AA Den Haag
wwillemsatcampusdenhaag [dot] nl
0031(0)652337228

Publicaties
-Wim Willems, Annemarie Cottaar en Kai Yin Or, Een draak met vele gezichten. Chinatown Den Haag (1920-2010) (Den Haag 2010) Tweetalige uitgave: Nederlands en Chinees.
- Leo Lucassen en Wim Willems (red.), Waarom mensen in de stad willen wonen, 1200-2010 (Amsterdam 2009)
-Wim Willems, Tjalie Robinson. Biografie van een Indo-schrijver (Amsterdam 2008)
-Wim Willems en Leo Lucassen (red.), De krachtige stad. Een eeuw omgang en ontwijking (Amsterdam 2007)
-Ulbe Bosma, Remco Raben en Wim Willems, De geschiedenis van Indische Nederlanders (Amsterdam 2006)

Projecten
-Chinatown Den Haag: een historisch fotoboek (als uitvloeisel van het CGM-project Chinese Spoorzoekers)
-Haagse Spoorzoekers, i.s.m. het Haags Gemeentearchief (in navolging van het CGM-project Culturele Spoorzoekers)
-Biografie van een Indo-schrijver: Tjalie Robinson
-AIO-project: De Schilderswijk, 1920-1985 (uitvoering Diederick Klein Kranenburg)
-NICIS-project: Sociale mobiliteit: individuen, groepen, buurten, MUS, i.s.m. UvA, IMES (uitvoering dr. Miriam van de Kamp)

“De koloniale geschiedenis zat in het verdomhoekje”

Wim Willems is hoogleraar Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Leiden, Campus Den Haag. Hij studeerde Nederlands en Literatuurwetenschap aan de Universiteit Leiden en ontwikkelde een expertise op het gebied van de geschiedenis van Den Haag en postkoloniale migranten, in het bijzonder die van Indische Nederlanders.

Wim ziet een belangrijke rol voor zichzelf weggelegd in het betrekken van migrantenjongeren bij het schrijven van stedelijke geschiedenis: ‘Ik verzet me tegen het woord stadsgeschiedenis. Het is te naar binnen gericht, maar zou meer moeten zijn: van hieruit en dan verder.’ In navolging van het CGM-project Culturele Spoorzoekers begon hij in samenwerking met het Haags Gemeentearchief de cursus Haagse Spoorzoekers

Door zijn affiniteit met taal heeft Wim zich veel beziggehouden met onderzoek over de stereotypering van minderheden, zoals zigeuners en Indische Nederlanders. Recentelijk kwamen zijn beide passies samen in de publicatie van de biografie van de Indische schrijver, journalist en voorman Tjalie Robinson (1911-1974). Hij zegt daarover: ‘Ik ben niet puur historicus. Misschien wel vooral schrijver.'

Je studeerde Nederlands en Literatuurwetenschap in Leiden. Hoe ben je bij het historisch migratieonderzoek betrokken geraakt?
Tijdens mijn studie volgde ik bijvakken bij Sociale Geschiedenis. Daar raakte ik geïnspireerd door het werk van Dik van Arkel, destijds hoogleraar Sociale Geschiedenis. Hij was weliswaar een theoriebouwer, maar de manier waarop hij de relatie legde met thema’s van de huidige tijd sprak me zeer aan. Hij verbond wetenschap met mijn eigen werkelijkheid. Wat dat betreft ben ik toch meer geïnteresseerd in het achterhalen van patronen die ook nu spelen dan in geschiedschrijving om zichzelf. Het apartheidsregime in Zuid-Afrika bijvoorbeeld, hoe kon dat ontstaan net nadat de Tweede Wereldoorlog zoveel levens had geëist? Van Arkel wilde weten waar het antisemitisme vandaan kwam, maar ook het racisme in al zijn nieuwe verschijningsvormen. Binnen het werkgezelschap Historische Racisme Studies dat hij oprichtte, ontmoetten mijn partner Annemarie Cottaar en ik in 1984 Leo Lucassen. Dat luidde het begin in van een langdurige academische vriendschap. Daarvoor had ik samen met Annemarie bij Van Arkel een afstudeerscriptie geschreven over Indische Nederlanders, die later is uitgegeven bij de Indische uitgeverij Moesson. Ons eerste echte boek.

Later zijn jullie alle drie gepromoveerd op een studie over woonwagenbewoners en zigeuners. Wat was het uitgangspunt van jouw proefschrift?
De centrale these van mijn proefschrift was dat er een direct verband bestaat tussen de academische kennis over zigeuners en het beleid ten aanzien van hen in West-Europa. Maar ook dat er zelden sprake was van participerende observatie of vergelijking met andere groepen in gelijksoortige omstandigheden. Veel auteurs bleken zich te baseren op verouderde geschreven bronnen. In de wetenschap wordt vaak lukraak van anderen overgeschreven, wat niet bepaald bevorderlijk is voor de groei van onze kennis. Ik noem dat in mijn proefschrift de blokkade als gevolg van citeergemeenschappen. Daardoor blijven stereotype ideeën hardnekkig voortleven, die bovendien klakkeloos worden overgenomen door mensen die beleid maken. De gevolgen daarvan voor groepen zogenaamde zigeuners in Europa zijn desastreus geweest. Het begon met de Verlichting en eindigde met de Vernichtung. Zoals ook het onderzoek van Annemarie en Leo laat zien, was de sociaaleconomische achtergrond, dus de functie van deze groepen, in werkelijkheid veel gedifferentieerder. Het mechanisme werkte net als nu met migrantengroepen. We hoeven maar te denken aan het idee dat alle moslims potentiële terroristen zijn.

Naast je onderzoekswerk heb je in de jaren tachtig voor verschillende media, uitgeverijen en ministeries schrijfwerk gedaan. Wat voor rol speelt het schrijverschap in je carrière?
Na mijn afstuderen heb ik een paar weken in een klooster gezeten om voor mezelf na te gaan wat ik nu precies wilde. Ik was al op mijn zestiende begonnen met werken, volgde later de avondschool en ging toen pas studeren. Ik heb wat dat betreft de route afgelegd die veel jonge migranten nu volgen en ben heel geleidelijk opgeklommen. Eén ding wist ik zeker: ik wilde schrijven. Ik probeerde het in de literatuur, schreef gedichten en verhalen. Ik werkte als journalist en schreef enkele stukken over racisme en Indische Nederlanders voor de Volkskrant. En ik deed samen met Annemarie onderzoek voor het ministerie van VWS. In 1989 vloeide daaruit een boek voort, Het Beeld van Nederland. Hoe zien Molukkers, Chinezen, woonwagenbewoners en Turken de Nederlanders en zichzelf? Van de drie terreinen die ik wilde bestrijken kreeg ik de meeste kansen in de wetenschap, waarna ik besloot met Annemarie en Leo een samenhangend onderzoeksproject op te zetten. Het aardige is dat ik in 2001 op verzoek van hoofdredacteur Peter ter Horst voor de Haagsche Courant ben gaan schrijven, wat ik nog steeds wekelijks doe. Die historische series hebben tot een reeks boeken geleid, waaronder in 2003 Stadskind. De kroniek van een naoorlogse jeugd.

Ben je vanuit die achtergrond als journalist ook bewust bezig met het bereiken van een groter publiek?
Dat vind ik zeker belangrijk. Ik ben minder gemotiveerd geraakt in het schrijven voor alleen de wetenschappelijke parochie. Tussen 1989 en 1995, toen ik ook aan de Leidse Universiteit werkte, heb ik een reeks Studiedagen Indische Nederlanders georganiseerd. Die zijn ook uitgemond in vijf bundels met artikelen. Ik had de formule bedacht om academici uit allerlei disciplines uit te nodigen, maar ook Indische organisaties en geïnteresseerde leken. Tot mijn grote verbazing schreven 300 overwegend Indische mensen zich in. Het is bijzonder om de mensen over wie het gaat samen te brengen met de academici die over hen schrijven, en te kijken wat daar uit voortkomt. De koloniale geschiedenis heeft namelijk lang in het verdomhoekje gezeten. De roep om een serieuze Indische geschiedschrijving hebben we toen achter de schermen met een aantal voorlieden uit zelforganisaties kunnen voorbereiden. Dat heeft later geleid tot boeken als De Uittocht uit Indië, 1945-1995 (in 2001) en De geschiedenis van Indische Nederlanders – een overzichtswerk dat ik schreef met Ulbe Bosma en Remco Raben. De formule is later ook toegepast door Annemarie in haar onderzoek naar woonwagenbewoners, waarin zij tevens optimaal gebruik maakte van foto’s als historische bron. Ook organiseerden wij in samenwerking met het Museon en het Openluchtmuseum twee tentoonstelling n.a.v. het verschijnen van ons boek Mensen van de Reis, over de geschiedenis van zigeuners en woonwagenbewoners in Nederland. Dit verbreden van je publiek door middel van onderwijs en publieksactiviteiten is vanzelfsprekend ook een belangrijke doelstelling van het CGM.

In 2005 ben je benoemd tot hoogleraar Sociale Geschiedenis aan de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden. Maakt dat je de stadshistoricus van Den Haag?
Ik zie mezelf niet als een klassieke stadshistoricus die er is om de fait divers van de stad bij elkaar te zetten. Stadsgeschiedenis geeft mij de kans om vanuit één stad als het ware de wereld in te trekken en verbindingen te leggen. Ik hoop dat mensen over tien jaar denken: die man die daar zit, dat is onze stadsprof. Die is geïnteresseerd in de geschiedenis van ons allemaal. Niet alleen in de elite, de oudjes of de migranten. Wat mij voor ogen staat is een gemeenschappelijk verhaal waarin de lijnen van allerlei soorten bewoners samenkomen. In Marokko zie je in de zomer jongens op scooters rijden met ‘Den Haag’ op hun nummerbord. Ik zou graag zien dat zij hier op dezelfde manier voor hun Haagse roots durven uit te komen. Bovendien, als je betrokken bent bij je leefomgeving, dan vernietig je die niet. Kennis leidt tot koestering. Ja, ik lijk soms wel een mental coach. Startend op het microniveau van de stad kom je overal ter wereld uit. De stad is een fantastisch laboratorium voor het bestuderen van de patronen van omgang en ontwijking van mensen.

Je voerde op het IMES en deels aan de Haagse Campus een onderzoek uit naar de Indo-schrijver Tjalie Robinson. In 2008 publiceerde je zijn bijna 600 pagina’s tellende biografie. Kunnen we dit werk als je magnum opus beschouwen?
Ja, in dat boek komt alles samen wat ik in 1983, dus na mijn afstuderen, bedacht tijdens die retraite in het klooster. Ik wilde me ontwikkelen in de wetenschap, de literatuur en de journalistiek – met schrijven als de verbindende factor. In de persoon van Tjalie Robinson, zelf schrijver en journalist, vertel ik het historische verhaal van de koloniale tijd, de naoorlogse dekolonisatie en het moeizame proces van vestiging in een ander land. Al tijdens de studiedagen in de jaren tachtig leerde ik zijn werk kennen. In mijn boek de Uittocht uit Indië, 1945-1995 maakte ik gebruik van zijn tijdschrift Tong Tong. Op dat moment realiseerde ik me dat er een biografie over Tjalie moest komen. Toen de overheid in 2001 met de Stichting Het Gebaar kwam (red. een collectieve uitkering voor onder andere Indische Nederlanders), kreeg ik de gelegenheid een subsidie aan te vragen. Ik denk dat we in de huidige multiculturele samenleving iets van het werk van Tjalie Robinson kunnen opsteken. Die man en zijn stem spreken na een kwarteeuw nog altijd even krachtig tot mij. Hij is een Nederlandse erflater die we niet over het hoofd mogen zien en die ik daarom onder de aandacht blijf brengen.

Je hebt een voorkeur voor het schrijven van geschiedenis op microniveau. Maak je om die reden ook gebruik van interviews als bron?
Interviews zijn erg belonend – in veel opzichten. Ik zie mezelf nog liggen ergens in een zwembad in Melbourne in 1998, na een interview met een echtpaar over hun migratie uit Indië. We hadden samen gegeten, gepraat en toen lag ik daar om twaalf uur onder de sterrenhemel in een geleend zwembroekje. Zulke ontmoetingen heb je niet zonder je onderzoek als excuus. Later geef je hun je boek en zijn zij hartstikke blij. Het mes snijdt van twee kanten. Hoe mensen zich blootgeven, dat is echt heel bijzonder. Toch heb ik ook in het archief mooie vondsten gedaan. Tijdens mijn promotieonderzoek vroeg ik eens een aantal stukken op over het wetenschappelijke onderzoek dat de nazi’s gebruikten om hun beleid tegen zigeuners te legitimeren. Hoewel het archief gesperrt was, kwamen de stukken toch boven. Zo ontdekte ik een briefwisseling met de weduwe van een toonaangevende wetenschapper die ik bestudeerde. Daardoor kon ik contact leggen met zijn familie. Zijn dochter was aanvankelijk woedend dat ik haar adres via het archief had achterhaald. Maar uiteindelijk bezorgde ze mij zelfs een autobiografisch manuscript en brieven van haar overleden vader. Een gouden vondst.

Migratie blijft zowel in de wetenschap als in het publieke debat een hot topic. Wat zijn jouw plannen voor toekomstig historisch migratieonderzoek?
Ik houd mij op dit moment bezig met de begeleiding van het project dat Diederick Klein Kranenburg uitvoert over de ontwikkeling van de Haagse Schilderswijk, en het Sociale Mobiliteitsprogramma van Miriam van de Kamp. In beide projecten komt aan de orde hoe migratie een wijk verandert. Daarnaast krijgt het onderzoek naar Tjalie Robinson een vervolg, omdat het volgend jaar zijn honderdste geboortejaar is. Ik zal dan een aantal bundels met ongepubliceerde stukken uitbrengen. Verder heb ik een aantal plannen ontwikkeld rond de Polen in de regio rond Den Haag. Bij die groep zie je de negatieve stereotypen als het ware ontstaan waar je bij zit, daar hoef je alleen maar de kranten voor te lezen. Vandaar dat ik hun verhalen nu wil vastleggen, om een gezicht te geven aan deze nieuwe groepen Nederlanders. Ook ga ik Poolse Spoorzoekers opleiden. Verder heb ik een aantal ideeën over het inzetten van een tegenoffensief in het huidige debat over migratie. Natuurlijk zijn eerste generatie migranten ontworteld, maar dat is slechts een deel van het verhaal. Ik kijk niet alleen naar uitsluitingmechanismen, maar ook naar de overlevingsmechanismen. In dat opzicht is de koppeling tussen migratiegeschiedenis en urban studies een vruchtbare. Al eeuwen voorspellen we dat steden uit elkaar zullen vallen, maar het gebeurt niet. De Nederlandse samenleving is dynamischer dan mensen zich realiseren.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM