Uitgebreid zoeken

Brief aan overgrootvader op zee

Brief aan overgrootvader op zee

Een brief van Hendrika Korll, de eerste echtgenote van Jørgen Johannes Sørensen, geschreven op 11 april 1869. Ze waren toen zeven maanden getrouwd. Mijn overgrootvader was op zee. Hij wachtte in Falmouth om uit te kunnen varen naar de Kaap. Mijn overgrootmoeder Hendrika was zwanger en wachtte vol smart op zijn terugkomst.

                                                                                                                                                                     Rotterdam, 11 april 1869

Geliefde man,

In de beste welstand heb ik uw brief ontvangen en daaruit vernomen dat ook uw door Gods goedheid gezond waart, zo hoop ik ook geliefde dat u deze in gezondheid mag ontvangen en dat de Algoede God ons eens in gezondheid aan elkaar wedergeeft, want geliefde wat zijn wij nu al lang van elkaar gescheiden en wat is de reis nog weinig gevorderd, want het is nu vandaag al vijf maanden dat uw weg ben en nog is de reis niet begonnen, dat maakt mij dikwijls zeer bedroeft, als ik denk dat het nog zo vreesselijk lang kan duren voor wij elkander wederzien.

.... Dinsdag, ik heb hedenmiddag uw brief ontvangen (van zondag) en heb daaruit vernomen dat uw nog gezond waart toen uw schreef, ook doet het mij genoegen dat er nu toch eindelijk een begin aan de reis zal komen, want zolang er geen begin aan de reis is gekomen kan er geen einde aankomen, maar ik vrees dat het een heele lange reis zal worden, want die kosten moeten zeker weer goed gemaakt worden, daarom geliefde zou ik toch maar een trui kopen als ik uw was, want in het midden van de winter kom uw aan de Kaap, daar kan het ook erg koud wezen, dan kan hij tepas komen, dus koop dan maar geen koffijkan maar koop eerst liever wat uw noodig heb, uw behoef ’t nergens om te laten; uw schrijf mij dat ’t in Falmouth zulk mooij weer is, zoo is het toch hier ook, want het is of wij in eene in het midden van de zomer zijn en uw vind ‘t het niet plezierig als uw een andere man zoo genoeglijk met zijn Vrouw ziet gaan, maar dat zien ik dagelijks en vind ’t altijd bitter onplezierig, daarom zou ik blijd zijn als ik een kind heb, dan heb ik tenminste iets dat mij het leven veraangenaamt als de Algoede God maar geeft dat ik een gezond kind krijg.

...Maar laat ons bidden, geliefde dat God ons voor eens en altoos tezamen brengt dat wij dan niet meer van elkander behoeven, ’t is nu de 14 dus net acht maanden dat wij getrouwd zijn en wat ben uw nu allang weg en heelang zal het nu nog duren eer wij elkander weerzien.....


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM