Uitgebreid zoeken

Bosnië-Herzegovina

De migratie na de Tweede Wereldoorlog vanuit voormalig Joegoslavië naar Nederland bestond uit twee delen. In de jaren '70 werden er gastarbeiders geworven en in de jaren '90 kwamen vluchtelingen als gevolg van burgeroorlogen. Joegoslavië viel uiteen in Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Servië en Montenegro, Slovenië en Macedonië. De meeste vluchtelingen waren afkomstig uit Bosnië. De gemeenschap van (ex-)Joegoslaven in Nederland telde in 2005 76.346 personen. Dit zijn alle personen die geregistreerd staan als afkomstig uit (ex-)Joegoslavië, wat betekent dat zijzelf of een van de ouders in dat land is geboren.


Zigeuners en woonwagenbewoners: vanaf het einde van de jaren '60 van de 20e eeuw maakte een groep 'zigeuners' uit het toenmalige Joegoslavië hun opwachting in Nederland. Toen het niet lukte hen naar hun geboorteland terug te sturen, zijn ongeveer 1000 van hen toegelaten. lees meer


Gastarbeiders uit voormalig Joegoslavië: Nederland sloot in 1970 een wervingsakkoord met de regering van de Socialistische Federatieve Republiek Zuidslavië. Er werkten al veel Joegoslaven in het buitenland (in 1971 19,1% van de beroepsbevolking: 860.000 mensen). Naar Nederland kwam een vrij klein deel van de Joegoslavische emigranten. lees meer


Vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië: na het begin van de burgeroorlog in Joegoslavië sloegen niet minder dan zes miljoen mensen op de vlucht. Aanvankelijk kwamen vooral veel Bosniërs naar Nederland; zowel Bosnische moslims, Serviërs als Kroaten. In 1999 bestond de grootste groep uit Kosovaren. lees meer 

Achter de term 'zigeuners' gaan veel verschillende groepen schuil. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze met hun gezinnen rondtrokken, in tenten of woonwagens overnachtten en uit het buitenland kwamen. De eerste groepen die door Nederlandse overheden als 'zigeuner' werden betiteld, waren groepen ketellappers uit Hongarije die in het voorjaar van 1868 bij Oldenzaal de grens passeerden. In datzelfde jaar doken er gezinnen met bruine (dans)beren in Nederland op die eveneens als zigeuner werden aangemerkt. De autoriteiten gingen er van uit dat zigeuners bedelaars en armoedzaaiers waren en probeerden hen daarom zo veel mogelijk uit Nederland te weren. Omstreeks 1900 kwam er een derde groep naar Nederland: paardenhandelaren die met woonwagens Noorwegen hadden verlaten en waarschijnlijk oorspronkelijk uit Hongarije kwamen. Pas in de jaren '20 kregen politie en marechaussee een vierde groep in het oog: muzikanten uit Duitsland en België. De meeste gezinnen van deze laatste groep woonden al sinds het midden van de 19e eeuw in Nederland, maar ze vielen pas op toen ze de pensions en huizen verruilden voor een eigen woonwagen. Tegenwoordig gebruiken de nakomelingen van deze groepen, van wie een groot deel in 1944 in het vernietigingskamp Auschwitz werd vermoord, de term 'Sinti'. Vanaf het einde van de jaren '60 van de 20e eeuw maakten nieuwe 'zigeuners' hun opwachting, dit keer uit Joegoslavië. Toen het niet lukte hen naar hun geboorteland terug te sturen, zijn ongeveer 1000 van hen toegelaten en in de jaren '80 over een aantal opvanggemeenten verspreid. Ze wonen daar in huizen en staan bekend als 'Roma'. De term 'zigeuner' wordt door Sinti en Roma als een scheldwoord beschouwd.

Woonwagenbewoners van Beukbergen. Beukbergen, nu een van de grootste woonwagencentra van Europa, was ooit niet meer dan een kluitje wagens langs de kant van de weg. Een pleisterplaats voor scharen-slijpers, stoelenmatters, venters, kermisexploitanten, muzikanten, aardappelrooiers, uienrapers en kersenplukkers. Mensen met beroepen die een reizend bestaan noodzakelijk maakten, en voor wie reizen een manier van leven werd. Lees meer

Gedurende de Koude Oorlog vormden Joegoslavische vluchtelingen één van de grootste groepen migranten, maar hun aantal telde zelden meer dan honderd per jaar. Dit veranderde na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn (in 1989). Na het begin van de burgeroorlog in Joegoslavië sloegen niet minder dan zes miljoen mensen op de vlucht. Aanvankelijk kwamen vooral veel Bosniërs naar Nederland; zowel Bosnische moslims, Serviërs als Kroaten. In 1999 bestond de grootste groep uit Kosovaren. De komst van voormalig Joegoslaven zorgde in 1994 voor het recordaantal van meer dan 50.000 asielzoekers, die aanvankelijk een tijdelijke ‘ontheemdenstatus’ kregen. Het idee was dat zij buiten de asielprocedure konden blijven, omdat zij zouden terugkeren wanneer de oorlog in hun land voorbij was. Dit gebeurde echter niet en vele jaren later kregen zij toch een asielstatus. Het waren alleen de Kosovaren die merendeels terugkeerden. De opvang in Nederland kon de grote aantallen niet aan, wat ertoe leidde dat mensen soms moesten overnachten in maïsvelden. Zulke toestanden leidden steevast tot felle politieke en publieke debatten.

Nederland sloot in 1970 een wervingsakkoord met de regering van de Socialistische Federatieve Republiek Zuidslavië. Er werkten al veel Joegoslaven in het buitenland (in 1971 19,1% van de beroepsbevolking: 860.000 mensen). Naar Nederland kwam een vrij klein deel van de Joegoslavische emigranten (in 1971 0,1% van alle Joegoslavische arbeidsmigranten). Nederland wierf Joegoslavische mannen voor de scheepsbouw, de metaal- en staalindustrie. Joegoslavische vrouwen werden geworven voor de visverwerkende industrie, de leer- en textielindustrie, de sigarettenindustrie en voor de verpleging. De arbeidsmigranten waren vooral Kroaten, Serviërs en Macedoniërs. Tewerkstelling gebeurde via een centraal arbeidsbureau in Belgrado. De bedoeling van de Joegoslavische overheid was om sterke banden met de migranten te behouden en hun terugkeer te bevorderen. De werving van gastarbeiders in Joegoslavië wijkt af van die in andere landen vanwege het grote percentage vrouwen. De regels voor de werving werden anders uitgelegd voor mannen dan voor vrouwen en vrouwen werden meer in de gaten gehouden door werkgevers en overheid. Net als andere migranten zetten de Joegoslaven een groot aantal verenigingen op. Het uiteenvallen van Joegoslavië had ook gevolgen voor de verenigingen; ze vielen uiteen en werden opgeheven of gingen zich meer op delen van het voormalige Joegoslavië richten.

Kuća Morava: Tussen 1969 en 1975 werden honderden vrouwen in Joegoslavië gerekruteerd om in West-Brabant aan de slag te gaan. In Roosendaal werken ze vooral bij Vero, Red Band, Van Gils en Baartmans.  Ze worden ondergebracht in het voormalige klooster in Bosschenhoofd, dat voor de gelegenheid is omgedoopt in Kuća Morava. Lees meer


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM