Uitgebreid zoeken

Duitsland

Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, probeerden veel joden naar het buitenland te vluchten. Hoeveel joodse vluchtelingen tussen 1933 en 1940 naar Nederland zijn gekomen is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van 35.000 tot maximaal 50.000 vluchtelingen. Daarvan keerde een deel terug of emigreerde naar andere landen. De meeste joodse vluchtelingen kwamen uit Duitsland. Het overgrote deel had de Duitse nationaliteit, de rest had de Poolse nationaliteit of was statenloos. Een klein deel van de joodse vluchtelingen kwam uit Oostenrijk.

Duitsland

Duitsers waren lang in aantal de grootste migrantengroep in Nederland. Vooral de bloei van de Republiek eind 16de en 17de eeuw bracht veel Duitse migranten naar Nederland. De lonen waren hier veel hoger en er was voortdurend vraag naar handwerkslieden, arbeiders, maar ook soldaten en zeelieden voor de VOC. Bovendien kwamen er tussen 1600 en begin 19de eeuw jaarlijks tienduizenden Westfaalse seizoensarbeiders naar de kusten van de Noordzee voor de oogst en de turfwinning. Deze grootschalige immigratie hield aan tot in de 19de eeuw. Toch droogde de stroom niet helemaal op. Beroemd zijn de Duitse handelaren en winkeliers die na 1800 naar Nederland kwamen en van wie sommigen grote winkelketens opzetten (C&A, V&D). Pas met de opkomst van Duitsland als industriële grootmacht na 1850 vertrokken veel Nederlanders ook naar Duitsland, vooral naar het Ruhrgebied. Na de Eerste Wereldoorlog meldden zich grote aantallen Duitse dienstmeisjes en vanaf 1933 zochten tienduizenden Duitse (joodse) vluchtelingen hun heil in Nederland. In de tweede helft van de 20ste eeuw groeiden zowel Duitsland als Nederland uit tot zeer welvarende landen. Ook na 1950 bleven Duitsers naar Nederland komen en vertrokken Nederlanders naar Duitsland. Tegenwoordig wonen er ongeveer 370.000 Duitsers in Nederland. Lees het verhaal van Don Duyns.

Vanaf de 16de eeuw was Duitsland zowel een emigratieland als een immigratieland. Maar het verschil tussen de twee was vaak enorm. De migratie naar Duitsland was hoog in de 16de en vroeg 17de eeuw. Duitsland was toen een toevluchtsoord voor protestantse vluchtelingen die in Europa werden vervolgd. De lutherse staten waren voor een aantal religieuze vluchtelingen, maar niet voor katholieken en joden, een veilige haven.  In dezelfde periode vertrokken echter ook veel Duitsers om elders te gaan werken, bijvoorbeeld in Nederland. Ook de 20ste eeuw kenmerkte zich door een groot aantal immigranten. In het begin van de eeuw kwamen arbeiders uit het buitenland naar het Ruhrgebied. Na 1960 arriveerden grote groepen gastarbeiders en politieke vluchtelingen in Duitsland. 

Arbeidsmigranten uit Duitsland: al vanaf de zeventiende eeuw trokken jonge, ongetrouwde Duitsers vaak naar het buitenland om werkervaring op te doen. Lees meer

Trekarbeiders uit Duitsland:Tussen 1600 en 1900 trokken jaarlijks tienduizenden Duitsers uit Westfalen naar Nederland als seizoensarbeider. Lees meer

Soldaten en zeelui bij de VOC: een kwart tot de helft van de zeelieden, soldaten en ander werknemers die in de 17e en 18e eeuw voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) naar Azië vertrokken, was afkomstig van buiten de Republiek. Lees meer

Soldaten voor het Koninklijk Nederlands Indisch Leger: na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in het KNIL. Lees meer

Duitse handelaren en winkeliers: tussen 1850 en 1900 reisden Duitse handelaren naar Nederland om aan de bevolking allerlei goederen te verkopen. Lees meer

Zigeuners en woonwagenbewoners: achter de term 'zigeuners' gaan veel verschillende groepen schuil. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze met hun gezinnen rondtrokken. Lees meer

Dienstbodes uit Duitsland: tussen 1920 en 1940 kwamen er bijna 200.000 buitenlandse vrouwen naar Nederland om hier als dienstbode te werken. Lees meer

Joodse vluchtelingen voor het Nazi-regime: toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, probeerden veel joden naar het buitenland te vluchten. Lees meer

Politieke vluchtelingen Nazi-regime: naast joden kwamen ook nog ongeveer 7.000 andere vluchtelingen naar Nederland in het decennium voor het uitbreken van de Tweede WereldoorlogLees meer

Tussen 1920 en 1940 kwamen er bijna 200.000 buitenlandse vrouwen naar Nederland om hier als dienstbode te werken. De meesten bleven maar kort en er was een groot verloop, maar op het hoogtepunt begin jaren '30 verbleven er wel 30.000. De grote meerderheid kwam uit Duitsland, een klein deel uit Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië. De Randstad trok de meeste dienstbodes aan. In steden als Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Hilversum woonden grote aantallen Duitse dienstbodes. Zij kwamen naar Nederland omdat Duitsland er na 1918 slecht aan toe was en veel mensen werkloos waren. In Nederland was volop werk voor dienstbodes. Dit beroep was bepaald niet populair onder Nederlandse vrouwen. Zij werkten liever in een fabriek of winkel waar ze meer verdienden en meer vrijheid hadden. Buitenlandse dienstbodes werden daarom met open armen ontvangen. Tienduizenden van hen zijn met Nederlandse mannen getouwd waardoor ze automatisch de Nederlandse nationaliteit kregen en een Nederlandse achternaam, en als immigranten grotendeels onzichtbaar zijn gebleven.

Achter de term 'zigeuners' gaan veel verschillende groepen schuil. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze met hun gezinnen rondtrokken, in tenten of woonwagens overnachtten en uit het buitenland kwamen. De eerste groepen die door Nederlandse overheden als 'zigeuner' werden betiteld, waren groepen ketellappers uit Hongarije die in het voorjaar van 1868 bij Oldenzaal de grens passeerden. In datzelfde jaar doken er gezinnen met bruine (dans)beren in Nederland op die eveneens als zigeuner werden aangemerkt. De autoriteiten gingen er van uit dat zigeuners bedelaars en armoedzaaiers waren en probeerden hen daarom zo veel mogelijk uit Nederland te weren. Omstreeks 1900 kwam er een derde groep naar Nederland: paardenhandelaren die met woonwagens Noorwegen hadden verlaten en waarschijnlijk oorspronkelijk uit Hongarije kwamen. Pas in de jaren '20 kregen politie en marechaussee een vierde groep in het oog: muzikanten uit Duitsland en België. De meeste gezinnen van deze laatste groep woonden al sinds het midden van de 19e eeuw in Nederland, maar ze vielen pas op toen ze de pensions en huizen verruilden voor een eigen woonwagen. Tegenwoordig gebruiken de nakomelingen van deze groepen, van wie een groot deel in 1944 in het vernietigingskamp Auschwitz werd vermoord, de term 'Sinti'. Vanaf het einde van de jaren '60 van de 20e eeuw maakten nieuwe 'zigeuners' hun opwachting, dit keer uit Joegoslavië. Toen het niet lukte hen naar hun geboorteland terug te sturen, zijn ongeveer 1000 van hen toegelaten en in de jaren '80 over een aantal opvanggemeenten verspreid. Ze wonen daar in huizen en staan bekend als 'Roma'. De term 'zigeuner' wordt door Sinti en Roma als een scheldwoord beschouwd.

Woonwagenbewoners van Beukbergen. Beukbergen, nu een van de grootste woonwagencentra van Europa, was ooit niet meer dan een kluitje wagens langs de kant van de weg. Een pleisterplaats voor scharen-slijpers, stoelenmatters, venters, kermisexploitanten, muzikanten, aardappelrooiers, uienrapers en kersenplukkers. Mensen met beroepen die een reizend bestaan noodzakelijk maakten, en voor wie reizen een manier van leven werd. Lees meer

Een kwart tot de helft van de zeelieden, soldaten en andere werknemers die in de 17e en 18e eeuw voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) naar Azië vertrokken, was afkomstig van buiten de Republiek. De V.O.C. had voor haar activiteiten in Europa, maar vooral ook in Azië, veel mensen nodig. In de twee eeuwen van haar bestaan stuurde de compagnie bijna een miljoen mensen overzee. Voor het werk op de schepen en de vestigingen in Azië werden naast Nederlanders daarom veel migranten geworven. Zeelieden werden overwegend gemonsterd in de Scandinavische, Duitse en Zuid-Nederlandse kustgebieden. Soldaten kwamen vaker uit de Europese binnenlanden.

Tussen 1850 en 1900 reisden Duitse handelaren naar Nederland om aan de bevolking allerlei goederen te verkopen. Deze marskramers uit met name het Munsterland stopten hun knapzakken, rugzakken en manden zo vol als ze konden en trokken door het land. Een klein deel van hen vestigde zich permanent in Nederland en opende winkels. Enkele bekende warenhuizen als C&A en V&D werden in deze periode door voormalige Duitse marskramers opgericht.

Een van de belangrijkste winkels in de 19e eeuw was de winkel van Sinkel. Toen de Duitse migrant Anton Sinkel in 1839 zijn winkel in Utrecht opende schreven de kranten dat deze winkel het 8e wereldwonder was. Zoiets moois had het winkelende publiek nog nooit gezien. De winkel was groot. Bij de winkel hoorde ook een groot kosthuis, waarin het personeel woonde. Het personeel was in de leer en begon na enkele jaren eigen winkels. Hieruit kwamen bekende winkelketens voort zoals Peek & Cloppenburg. De winkels van de Duitse migranten veranderden het aanzien van de Nederlandse binnensteden. In de binnenstad kwam een lint van moderne, hel verlichte en mooi ingerichte winkels. Daarmee ontstond ook een nieuwe gewoonte in Nederland. Mensen gingen winkelen, niet per se om iets te kopen, maar om te kijken en gezien te worden. 

Niet alle handelaren begonnen een winkel. Veel handelaren verkochten hun waren aan de deur, op straat of op de markt.

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de VOC, kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Tussen 1600 en 1900 trokken jaarlijks tienduizenden Duitsers uit Westfalen naar Nederland als seizoensarbeider. In Duitsland hadden zij vaak een keuterbedrijfje dat te weinig opbracht om het gezin van te onderhouden. In het oogstseizoen trokken deze Duitse keuterboeren daarom naar Holland, Friesland en Groningen om op het platteland te werken. Zij verrichtten arbeid als hannekemaaiers, turfstekers, hooiers of steenbakkers. Bekend zijn de steenbakkers uit Lippe-Detmold, die voornamelijk aan de slag gingen in Groningen. Aan het einde van de 18de eeuw verminderde de welvaart in Nederland en verdween dit migratiesysteem langzaam. Behalve de Lipsker steenbakkers, die verdwenen pas rond 1870-1890 - de laatste hannekemaaiers rond 1900.

Al vanaf de zeventiende eeuw trokken jonge, ongetrouwde Duitsers vaak naar het buitenland om werkervaring op te doen. Na hun leertijd keerden velen weer terug naar Duitsland, doorgaans naar de regio's van herkomst: Nedersaksen en Westfalen. De Duitse jongens gingen in Nederlandse steden in de leer bij bakkers, kleermakers en koopmannen. Vaak waren deze leermeesters trouwens ook Duits. Ook vrouwen kwamen tijdelijk naar Hollandse steden voor een leertijd. Duitse meisjes vonden vaak een betrekking als dienstbode.

Naast joden kwamen ook nog ongeveer 7.000 andere vluchtelingen naar Nederland in het decennium voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Zij vluchtten vanwege het naziregime. Dit waren vervolgde socialisten, communisten en trotskisten. En ook katholieken, kunstenaars en intellectuelen. Zij waren door het naziregime als vijanden bestempeld en daarom in Nederland op zoek naar veiligheid.

Interview met Birgitt van Megchelen

Na de ravage van de Tweede Wereldoorlog moeten grote stukken land in heel Europa heropgebouwd worden, maar dat is niet het enige dat gerestaureerd moet worden. Landen zijn ook het onderlinge vertrouwen kwijtgeraakt, met name tegenover Duitsland. In veel van de landen die waren ingenomen tijdens de oorlog heerst een ‘anti-Duits gevoel’, mensen willen niets meer met Duitsland en Duitsers te maken hebben. En hoewel deze ‘anti-Duitse gevoelens’ in de loop van de eeuw steeds minder worden, blijven ze verrassend lang overeind. Duitsers worden in Nederland niet met open armen ontvangen. Zelfs niet aan het begin van de jaren zestig als de oorlog alweer een tijd geleden is en de grenzen tussen landen steeds meer opengaan. Hoe was het voor Duitsers om aan het begin van de jaren zestig naar Nederland te verhuizen? Hoe reageerden mensen op de Duitse achtergrond en hoe gingen deze migranten hier zelf mee om?

Birgitt van Megchelen is zo’n migrant. Aan het einde van de jaren vijftig kwam ze een aantal keer naar Nederland. Ze ging op bezoek bij een bevriende familie en ze werd verliefd op een van de familieleden. Gerard was zijn naam (zijn roepnaam was Gerd) en hij was zeventien jaar ouder dan zij. Op achttien jarige leeftijd trouwde ze met hem. Birgitt zelf is geboren en getogen in het Duitsland van tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog. Na de bruiloft is ze bij Gerd in Nederland gaan wonen. Ik heb haar geïnterviewd over hoe het was om als Duitse in Nederland te komen wonen. Hoe reageerden mensen op haar achtergrond en hoe ging Birgitt hier zelf mee om?

Door: Eliane Odding

Interview met Ruth Wallage-Binheim
Ruth Wallage-Binheim is geboren op 1925 in Hannover. Als Duits- Joods meisje is ze opgegroeid in een familie met drie kinderen (broer Hans-Werner en  zusje Hanna). Ruth is geëmigreerd in 1939 naar Nederland, vluchtend voor de aankomende oorlog. Met veel geluk heeft ze de oorlog overleefd en is ze na de oorlog getrouwd met Jacques Wallage en heeft ze 2 zoons gekregen: Philip en Hans-Werner Wallage.

Rond 1929 waren er al vele Joden die hun heil ergens anders gingen zoeken. Een deel kwam  illegaal naar Nederland via handelsrelaties en andere omwegen. Oost-Europese Joden werden geweerd want zij werden in verband gebracht met het communisme. Duitse Joden daarentegen werden eerst nog wel toegelaten. Wel moesten Joden laten zien dat ze in hun eigen onderhoud konden voorzien. Ruth Wallage is met het laatste kindertransport in 1939 naar Nederland gekomen.

Door: Hans Wallage

Interview met Hebe Charlotte Kohlbrugge

Hebe Charlotte Kohlbrugge werd op 8 april 1914 in Utrecht geboren. Tijdens haar leven reisde ze veel. Zo vertrok Hebe na haar eindexamen in 1933 op negentienjarige leeftijd naar Duitsland om een huishoudopleiding te volgen. Na anderhalf jaar migreerde ze voor enkele maanden naar Noorwegen. Hierna was ze een tijd lang au pair in Engeland en Ierland. Tien jaar later vertrok Hebe in 1936 wéér naar Duitsland. Hier kwam ze voor het eerst in aanraking met Hitler en de Belijdende Kerk. In 1939 werd ze uitgewezen, waarna ze naar Zwitserland ging om een opleiding bij Karl Barth te volgen.

Op het moment dat de oorlog uitbrak was ze op vakantie in Nederland. Via wat kleine klusjes kwam ze terecht bij het Nederlandse verzet. In 1944 werd Hebe opgepakt met een vals persoonsbewijs. Onder de valse naam Christine Doorman zat ze tien maanden in kamp Ravensbrück. Na haar vrijlating keerde ze terug naar Nederland. Vanwege haar TBC moest ze tot 1947 in Zwitserland aansterken. Daarna kreeg ze een baan als secretaris bij de Duitsland-Commissie. Deze groep binnen de Nederlands Hervormde Kerk zette zich in voor de wederopbouw van het contact met de Duitse Kerk. Voor dit werk werd ze weer uitgezonden naar Duitsland. Omdat ze hiervoor alleen in West-Duitsland kwam, maakte ze vanaf 1949 zelf reizen naar Oost-Europa om zich in te zetten voor de kerken onder het juk van de communistische regimes.

Door: Jip Muris

De industriesteden hadden last van de economische neergang. Het ging gedurende de eeuw steeds slechter met de industrie en de nijverheid. Het aantal migranten dat zich in de steden vestigde, nam daardoor af. Maar in vrijwel alle industrietakken werkten nog steeds kleinere of grotere groepen migranten. Het waren vooral ongehuwde jongemannen die geld wilden verdienen of een ambacht wilden leren. Met het verdiende geld wilden ze in hun eigen land een beter bestaan opbouwen. Hoewel veel migranten tijdelijk in de Republiek waren, kwamen net zoals in vroegere eeuwen, grote aantallen die zich permanent in de steden vestigden. Dit waren vooral Duitsers en Scandinaviërs die weinig welvarend waren en vaak geen opleiding hadden. Zij belandden dan ook vaak in de lagere sociale klassen.

Tussen 1920 en 1940 werkten 30.000 buitenlandse vrouwen in Nederland als dienstbode. De grote meerderheid kwam uit Duitsland, een klein deel uit Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië. De Randstad trok de meeste dienstbodes aan. In steden als Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Hilversum woonden grote aantallen Duitse dienstbodes. Zij kwamen naar Nederland omdat Duitsland er na 1918 slecht aan toe was en veel mensen werkloos waren. In Nederland was volop werk voor dienstbodes. Dit beroep was bepaald niet populair onder Nederlandse vrouwen. Zij werkten liever in een fabriek of winkel waar ze meer verdienden en meer vrijheid hadden. Buitenlandse dienstbodes werden daarom met open armen ontvangen.

Dienstbodes gevraagdDienstbodes gevraagd


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM