Uitgebreid zoeken

Indonesië

Indonesië

Het huidige Indonesië is eeuwenlang een internationaal handelscentrum geweest dat vele migranten aantrok. Dit waren voornamelijk migranten die tijdelijk bleven. Ze kwamen uit Europa maar ook uit andere Aziatische landen. Eind 19de eeuw vestigden zich ook Europese bedrijven in de Indonesische archipel. Daardoor nam de migratie enorm toe. Maar ook deze migranten vestigden zich over het algemeen niet voorgoed. Zo werd er volop heen en weer gereisd tussen de Indische wereld en Europa en andere delen van de wereld. De Indonesische bevolking nam hier over het algemeen zelf niet aan deel.Nu zijn er in Nederland ongeveer 385.000 personen die of zelf in de Indonesische archipel geboren zijn of van wie ten minste één ouder in de Indonesische archipel geboren is.

Nederland beheerste lange tijd de handel in de Indische wereld. Tussen 1602 en 1796 had de VOC een handelsmonopolie in het gebied. Na de opheffing van de VOC in 1798 werd Indië een kolonie van Nederland. Het bleef dat tot 1949. De migratiestroom  tussen Nederland en Indië was eeuwenlang zeer groot. Zo vertrokken vertegenwoordigers en handelaars van de VOC voor een bepaalde tijd naar Indië, evenals VOC-soldaten en zeelieden. In de 19de eeuw vertrokken soldaten van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger en ambtenaren van het koloniaal bestuur naar Nederlands-Indië. Vanaf het eind van de negentiende eeuw nam ook het aantal ondernemers en werknemers van multinationals toe dat zich in de kolonie vestigde. Evenals bijvoorbeeld ambtenaren en onderwijspersoneel. Al deze migranten keerden voor een groot deel weer terug naar Nederland. Bovendien reisden kinderen van ambtenaren voor hun opleiding naar Nederland. Ambtenaren zelf verlieten Nederlands-Indië in de regel als ze met pensioen gingen. Een migratiebeweging van een heel andere aard was de trek van Javaanse contractarbeiders naar Suriname na 1863. Tijdens en na de dekolonisatie van Nederlands-Indië kwam een massale migratie op gang van Indische Nederlanders en ook een groep Molukkers. De bestemming was vooral Nederland. Na de overdracht aan Indonesië via de Verenigde Naties van het laatste koloniale gebied, Nieuw-Guinea in 1962, nam de migratie tussen Indonesië en Nederland sterk af.

Afrikaanse KNIL militairen: In de 19de eeuw ronselde Nederland ruim 3.000 soldaten in de Goudkust, het huidige Ghana, voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in de archipel. Tussen 1831 en 1872 waren al deze mannen in Nederlands-Indië gelegerd. Lees meer

Indische verlofgangers Werknemers van de Indische overheid mochten vanaf het begin van de 19de eeuw eens in de 6 jaar op verlof. Ambtenaren en militairen die genoeg verdienden konden met hun gezin een half jaar voor vakantie en familiebezoek naar Nederland. Tijdens dit verlof werden de banden tussen Nederland en de kolonie versterkt.Lees meer

Indische Nederlanders Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta in Nederlands-Indië de republiek Indonesia uit, terwijl het toen officieel nog een kolonie was. Dat leidde tot koortsachtig politiek overleg en een aantal bloedige militaire acties. Op 27 december 1949 werd Indonesië officieel onafhankelijk. Lees meer

Molukkers: In 1951 kwamen 12.500 Molukkers per boot naar Nederland; 3.500 Molukse soldaten uit het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) en hun gezinnen. Lees meer

Papua’s: Papua’s zijn de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea. Van deze bevolking zijn minstens 500 personen na de oorlog permanent naar Nederland gekomen. Tijdens de soevereiniteitsoverdracht van de Indische kolonie aan Indonesië (27 december 1949) was Nederlands Nieuw-Guinea buiten de dekolonisatie gehouden, dus Nederlands grondgebied gebleven. Lees meer

Adoptiekinderen Sinds de vroege jaren '70 heeft de adoptie van kinderen uit het buitenland een hoge vlucht genomen. Behalve uit Zuid-Korea kwamen er kinderen uit Thailand, Sri Lanka, India, Bangladesh, Indonesië, Columbia en nog wel andere landen naar Nederland.Lees meer

Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta in Nederlands-Indië de republiek Indonesia uit, terwijl het toen officieel nog een kolonie was. Dat leidde tot koortsachtig politiek overleg en een aantal bloedige militaire acties. Op 27 december 1949 werd Indonesië officieel onafhankelijk. Er volgde een lang proces van losmaking, tot eind jaren zestig. In die kwarteeuw verlieten meer dan 300.000 Nederlanders de voormalige kolonie om zich in Nederland te vestigen. Het ging om Nederlanders van uitsluitend Europese afkomst én om Nederlanders van gemengd Europees-Aziatische afkomst - in de koloniale tijd Indo’s geheten. Zij behoorden tot verschillende categorieën, met uiteenlopende achtergronden. De eerste categorie repatrieerde naar het vaderland, dus keerde letterlijk terug na een lang verblijf in de kolonie. De tweede categorie werd als Nederlander in de kolonie geboren, maar had nooit eerder in het vaderland overzee gewoond. De derde categorie was Indonesisch staatsburger geworden, warga negara, maar kreeg daar later spijt van. Deze zogeheten spijtoptanten namen alsnog de boot – of het vliegtuig – naar het Westen. In de loop van de naoorlogse jaren is de term ‘Indische Nederlander’ ingeburgerd geraakt voor alle migranten die na de oorlog van Indië, dan wel Indonesië naar Nederland zijn gekomen.

Molukkers

In 1951 kwamen 12.500 Molukkers per boot naar Nederland; 3.500 Molukse soldaten uit het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) en hun gezinnen. Na de Tweede Wereldoorlog hadden Indonesische nationalisten op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland accepteerde dit niet en probeerde in eerste instantie, onder andere met militaire acties, het koloniale gezag te herstellen. Na vier jaar moest Nederland echter de onafhankelijkheid van Indonesië erkennen en werd op 27 december 1949 de soevereiniteit overgedragen. In de politieke turbulentie rond de dekolonisatie van Indonesië werd in de Zuid- Molukken (in het oosten van de Indonesische archipel) een eigen staat uitgeroepen, de Zuid Molukse Republiek. Molukse militairen die op dat moment nog in Nederlandse dienst waren en zich buiten de Zuid-Molukken bevonden, steunden die nieuwe republiek. Omdat deze groep Molukkers het slachtoffer dreigde te worden van de politieke spanningen, werd zij naar Nederland overgebracht. Tussen 23 maart en 21 juni 1951 kwamen de Molukkers in de havens van Rotterdam en Amsterdam aan voor een tijdelijk verblijf. Hoewel verreweg de meeste Molukkers KNIL-militairen waren, maakten ook kleine groepen Molukkers in dienst van de marine, politiemensen en burgers deel uit van de passagiers.

Sinds de vroege jaren '70 heeft de adoptie van kinderen uit het buitenland een hoge vlucht genomen. Behalve uit Zuid-Korea kwamen er kinderen uit Thailand, Sri Lanka, India, Bangladesh, Indonesië, Columbia en nog wel andere landen naar Nederland. Die steeds grotere vraag kwam door het stijgen van de leeftijd waarop vrouwen in het Westen een kind wilden. Hierdoor nam de kans op ongewenste kinderloosheid toe. In 1967 vertelde de naar Amerika geëmigreerde Nederlandse schrijver Jan de Hartog in het populaire televisieprogramma Mies en scène met veel warmte over zijn twee geadopteerde Koreaanse kinderen. Zijn optreden bracht talrijke Nederlandse ouderparen op het idee een adoptiekind te gaan zoeken in de zwaar door de oorlog getroffen landen in Azië. De kinderen van veel alleenstaande moeders in Korea en Vietnam hadden vaak nauwelijks een kans om een bestaan op te bouwen. Adoptie bood dan een kans op een stabiele toekomst elders.

Werknemers van de Indische overheid mochten vanaf het begin van de 19de eeuw eens in de 6 jaar op verlof. Ambtenaren en militairen die genoeg verdienden konden met hun gezin een half jaar voor vakantie en familiebezoek naar Nederland. Tijdens dit verlof werden de banden tussen Nederland en de kolonie versterkt. Mannen konden in deze periode een Nederlandse echtgenote zoeken. En het belangrijkste: wie op verlof mocht, kreeg een grotere status in Nederlands-Indië. Ook voor werknemers in het bedrijfsleven golden verlofregelingen.

Papua’s

Papua’s zijn de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Guinea. Van deze bevolking zijn minstens 500 personen na de oorlog permanent naar Nederland gekomen. Tijdens de soevereiniteitsoverdracht van de Indische kolonie aan Indonesië (27 december 1949) was Nederlands Nieuw-Guinea buiten de dekolonisatie gehouden, dus Nederlands grondgebied gebleven. Enkele Papua-jongeren kwamen in de jaren '50 studeren in Nederland; ook volgden Papua’s een ambtenarenopleiding in Nederland. In 1962 werd Nieuw-Guinea alsnog, na bemiddeling van de Verenigde Naties, overgedragen aan Indonesië. Wel onder de voorwaarde dat de bevolking zich op een later tijdstip met een referendum zou kunnen utspreken over haar politieke toekomst. De Papua’s die toen in Nederland verbleven, stonden voor de keuze terug te keren naar hun geboorteland of te blijven. Bij de groep van blijvers voegden zich nog minstens 500 Papua’s die Nieuw Guinea verlieten vanwege de overdracht van hun grondgebied aan Indonesië. Tegelijk met hen kwam een groep van enkele honderden Molukkers die op Nieuw-Guinea in Nederlandse overheidsdienst hadden gewerkt naar Nederland.

Achter de naam Tjalie Robinson gaat de schrijver en journalist Jan Boon (1911-1974) schuil. Hij was de oudste zoon van een Indische vrouw en een Hollandse beroepsmilitair in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Bij toeval kwam hij ter wereld in Nijmegen, tijdens een verlofperiode van zijn ouders. Maar hij groeide op en werd gevormd door de koloniale samenleving in het overzeese Indië. Enige jaren nadat de staat Indonesië zelfstandig was geworden, vertrok hij in 1954 met zijn gezin naar Nederland. Daar wierp hij zich op als de geschiedschrijver van de Indische leefwereld van weleer. Dat deed hij met de overtuigingskracht van een geboren verteller. Hij was niet alleen een kroniekschrijver van zijn tijd, maar ook een journalist die op beeldende wijze verslag deed van de wereld om hem heen. Verder was hij een sociaal bewogen organisator en een Indische stem met een roeping. Tot slot was hij een vooruitziend migrant, die zijn land van herkomst nimmer verloochende. Hij gebruikte die juist als spiegel bij zijn oriëntatie op een nieuwe wereld.

In de 19de eeuw ronselde Nederland ruim 3.000 soldaten in de Goudkust, het huidige Ghana, voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in de archipel. Tussen 1831 en 1872 waren al deze mannen in Nederlands-Indië gelegerd. Meer dan 450 bleven na hun diensttijd in de kolonie en kregen Indo-Afrikaanse nazaten. Zij werden officieel ingedeeld bij het Europese deel van de bewoners van de Nederlandse kolonie. Tijdens en na de dekolonisatie vertrok het grootste deel van hen naar Nederland, net zoals de alle andere ' Europeanen'  of daarmee gelijkgestelden die een Nederlands paspoort hadden. Sommigen van hen migreerden later verder naar de Verenigde Staten.

Interview met meneer Keller

George Wilhelm Keller is geboren in 1928 in Sawah-Loento, een mijnbouwstadje in het Barisangebergte op West-Sumatra. In 1946 meldde hij zich op 18-jarige leeftijd aan voor het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Bij de opheffing van het KNIL in 1950 werd meneer Keller overgeplaatst naar de Koninklijke Landmacht (KL). Hij vertrok als soldaat naar Nieuw-Guinea, met in zijn achterhoofd daar een bestaan op te bouwen als kolonist. In 1951 gaf hij zich vrijwillig op om in Korea te vechten, waar hij zwaar gewond raakte. Hij is vervolgens weer teruggekeerd naar Nieuw-Guinea. Daar stuurde in 1955 een commandant hem naar Nederland toe om een graad te behalen. Meneer Keller stapte op het vliegtuig en in de komende jaren behaalde hij hogere rangen op de kaderschool in Nederland. In 1962 keerde hij terug naar Nieuw-Guinea, maar dit keer om te vechten. Nederland verloor de strijd en moest zijn kolonie afstaan aan Indonesië. De thuislandsdroom van meneer Keller was verwoest en hij keerde terug naar Nederland. In 1983 ging hij met pensioen.

In het verhaal van meneer Keller staan zijn militaire dienst, zijn kolonistenleven in Nieuw-Guinea en zijn migratie naar Nederland centraal.

Door: Judith Calkhoven

Interview met Jetske Sjoukje Overwijk-Ringersma
Van groene sawa’s naar weilanden met koeien, van tropische warmte naar guur en koud weer. Een wereld binnen stappen die tot dan toe onbekend is, maar wel een nieuw thuis moet worden. Vanaf 1946 zijn Nederlanders, Indo-Europeanen en Indo’s vanuit Nederlands-Indië/Indonesië gemigreerd naar Nederland. Voor diegenen die niet eerder in Nederland waren geweest moest dit een enorme overgang zijn. De Indische Nederlanders wonen nu al meer dan zestig jaar in Nederland. Aanpassen is een term die veel gebruikt wordt in combinatie met migratie. Het lijkt erop dat de Indische Nederlander zich goed heeft aangepast. Maar hoe is dit geweest voor een migrant uit Nederlands-Indië die zich moest gaan thuis voelen in Nederland? Om deze vraag te kunnen beantwoorden heb ik een interview gehouden met een migrant, namelijk mijn oudtante, Jetske Sjoukje Overwijk-Ringersma. Het is duidelijk dat de familie Ringersma vanuit Nederlands-Indië is gemigreerd naar Nederland omdat zij moesten. Nederlands-Indië was onafhankelijk geworden en er was geen plaats meer voor de familie.

Door: Maayke de Vries

Interview met Rita van Schaik

Max Neijndorff en Lucy Marcks ontmoetten elkaar tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp in Birma en trouwden hier in gevangenschap. Na de Japanse overgave in 1945 vluchtten ze uit Azië en vestigden zich in Den Haag. Hier werd op 5 december 1946 Rita Maria van Schaik geboren. In 1948 verhuisde het gezin terug naar Nederlands-Indië en begon een nieuw leven in Jakarta op het eiland Java. Vanaf haar tweede levensjaar groeide Rita op tussen de rijstvelden en ging naar een particuliere Nederlandse school. In Indonesië kreeg zij er twee zusjes bij. Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 wilde het gezin van Rita naar Nederland, maar om financiële redenen namen zij pas in 1955 de boot terug. Rita was op dat moment pas negen jaar oud. Hierdoor maakte zij de migratie op een andere manier mee dan volwassen migranten.

Door: Zeping Oerlemans

Interview met Nelly en Jacques Kuyt

Nelly Kuyt-Kraft werd op 2 juni 1922 geboren. Tijdens een Sinterklaasfeest in de kolonie leerde ze Jacques Kuyt kennen. Al voor haar twintigste trouwde ze. Samen bouwden zij een bestaan op in Jakarta en kregen vier kinderen. Op 30 april 1944 werd Nels tweede zoon, Antoine Kuyt (Tonnie), geboren. Samen met zijn broers zeilde hij graag met de Sandy en de Sandy boy. Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 koos Jacques voor de voormalige kolonie en gaf zijn Nederlandse identiteitsbewijs op. Nelly bleef deze echter wel behouden. Toen Jacques in 1960 plotseling aan hartfalen overleed, besloot Nelly meteen om met de kinderen naar Holland te migreren. Hier was immers ook al de rest van de familie. Met het schip ‘Zuiderkruis’ voeren ze in dat jaar nog uit Indonesië. Ze kwamen aan in Amsterdam en werden met de bus naar Den Haag vervoerd.

Door: Lotte Koppenrade


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM