Uitgebreid zoeken

Italië

Tussen 1949 en 1975 kwamen tienduizenden gastarbeiders  uit Italië naar Nederland. De meesten waren afkomstig uit de arme delen van Italië. Vooral het zuiden en het eiland Sardinië kampten na de Tweede Wereldoorlog met hoge werkloosheid. Jonge mannen zagen dan ook meer toekomst in West-Europa, waar de banen voor het oprapen lagen. Ook trok het avontuur. De meeste Italianen trokken naar Zwitserland en Duitsland. Omdat Nederland actief gastarbeiders wierf in Italië, kwamen er ook veel naar Nederland. In de jaren '40 en '50 werkten er al Italianen in de mijnen in Limburg. Na 1955 wilden ook andere Nederlandse bedrijven Italiaanse werknemers aanstellen.

Italië

De eerste Italianen in Nederland waren vooral bankiers uit Lombardije. In 1287 werd voor het eerst melding gemaakt van een Lombardische bankier in Delft. Zij dreven daar tot in de 15de eeuw zaken in een pand achter de Markt. In verschillende steden zijn straatnamen die verwijzen naar deze Lombarden. Andere vroege voorbeelden zijn de ongeveer 1500 huursoldaten die in 1593 in Winschoten aankwamen en enkele protestanten die in de 17de eeuw Italië ontvluchtten. Zo kwam Giovanni Battista in 1612 naar Groningen. Hij was protestant en kreeg asiel omdat protestanten in Italië werden vervolgd en verbannen. Ook Tommasso Antonio Astorini, afkomstig uit het Zuiden, kreeg asiel vanwege zijn geloof en mocht in 1686 gratis medicijnen studeren in Groningen.

Vanaf de 17de eeuw kwamen ook muzikanten, artiesten, handelaren, kooplieden, zeelui en schoorsteenvegers. Veel Italiaanse migranten kwamen uit de Alpendalen van Noord- Italië waar de opbrengst van de landbouw niet voldoende was om alle gezinsleden te onderhouden. Al vroeg specialiseerde ieder dal zich daarom in een bepaald ambacht. Vooral in het winterseizoen zochten mensen werk in het naburige Zwitserland, Frankrijk of nog verder weg. Zo kwamen de schoorsteenvegers bijna allemaal uit Piemonte, de ijsbereiders uit Belluno, de terrazzowerkers uit Friuli en de beeldenmakers uit Toscane. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden vooral ongeschoolde Italianen uit andere gebieden in Italië aangetrokken voor het werk in mijnen en fabrieken als gastarbeider.

Eeuwenlang verlieten Italianen voor korte of langere tijd hun woonplaats om elders de kost te gaan verdienen. Frankrijk was populair, maar ook Zwitserland en Duitsland. In de tweede helft van de 19de eeuw nam de omvang van de emigratie toe en werden de bestemmingen diverser. De verbindingen naar overzeese bestemmingen werden sneller en goedkoper. Naast Europese landen vertrokken mensen nu ook naar Argentinië, Brazilië en de Verenigde Staten. Tot de Tweede Wereldoorlog bleven grote aantallen Italianen vertrekken in de hoop op een betere toekomst. Na de oorlog nam dat aantal gestaag af. In 1973 was de migratiebalans voor het eerst positief, en aan het eind van de 20ste eeuw was Italië een immigratieland geworden.

Italiaanse ambachtslieden: Tijdens de Gouden Eeuw en daarna kwamen uit Duitsland veel arbeiders om te helpen met hooien in de drukke zomermaanden. Deze Duitse trekarbeiders vertrokken weer naar huis om het volgend jaar terug te komen. Voor Italianen was deze seizoensarbeid geen optie. Over instrumentmakers, stucadoors en beeldenmakers/figuristi.Lees meer

Schoorsteenvegers: Hoewel Italianen veel soorten werk deden was er een sterke concentratie in een aantal beroepen. In de negentiende eeuw vormden schoorsteenvegers de grootste groep Italiaanse migranten in Nederland Lees meer

IJsverkopers: De migratie van Italiaanse ijsverkopers kwam op gang in de tweede helft van de 19de eeuw. Deze Italianen verkochten hun ijs vanuit ijscokarretjes of zij waren eigenaar van een ijssalon. Lees meer

Terrazzowerkers: Rond 1900 kwamen de eerste Italiaanse terrazzowerkers naar Nederland. Zij vestigden zich onder meer in Den Haag. Toen bleek dat er voldoende werk was, volgden hun streek-en dorpsgenoten.Lees meer

Mijnwerkers uit Italië: In de Nederlandse mijnen werkten vanaf het begin van de 20ste eeuw veel buitenlanders, onder wie een klein aantal Italianen. Zij waren afkomstig uit het noorden van Italië en hadden voor hun komst vaak in het Duitse Ruhrgebied gewerkt of in de Belgische en Franse mijnen. Het kleine aantal Italiaanse mijnwerkers steeg in de jaren '20, maar nam weer af tijdens de economische crisis in de jaren '30. Lees meer

Gastarbeiders uit Italië: Tussen 1949 en 1975 kwamen tienduizenden gastarbeiders  uit Italië naar Nederland. De meesten waren afkomstig uit de arme delen van Italië. Vooral het zuiden en het eiland Sardinië kampten na de Tweede Wereldoorlog met hoge werkloosheid.Lees meer

In de Nederlandse mijnen werkten vanaf het begin van de 20ste eeuw veel buitenlanders, onder wie een klein aantal Italianen. Zij waren afkomstig uit het noorden van Italië en hadden voor hun komst vaak in het Duitse Ruhrgebied gewerkt of in de Belgische en Franse mijnen. Het kleine aantal Italiaanse mijnwerkers steeg in de jaren '20, maar nam weer af tijdens de economische crisis in de jaren '30. Na de Tweede Wereldoorlog trok de economie weer aan. De Nederlandse regering sloot in 1949 een wervingscontract met Italië, bedoeld om arbeiders voor de mijnen in Limburg te werven. Eind 1957 stopte de werving van Italianen voor de mijnen omdat het aanbod van Nederlandse arbeidskrachten groter werd.

Hoewel Italianen veel soorten werk deden was er een sterke concentratie in een aantal beroepen. In de negentiende eeuw vormden schoorsteenvegers de grootste groep Italiaanse migranten in Nederland. Zij kwamen uit het Noord-Italiaanse Piemonte en Ticino, op de grens van Zwitserland en Frankrijk. Bijna 40% van de 500 Italianen die tussen 1860 en 1880 naar Amsterdam en Rotterdam kwamen was schoorsteenveger. De schoorsteenvegers slaagden er in een monopoliepositie op te bouwen en wisten die lange tijd te behouden. Zij dankten hun succes in dit beroep niet alleen aan hun vakkennis, maar ook aan de goedkope arbeidskrachten die ze gebruikten. In de schoorsteenvegersbranche was het ‘padronesysteem’ gebruikelijk. Iedere baas rekruteerde knechtjes uit zijn eigen herkomstgebied, veelal tijdens zijn verblijf in Italië in de winter.

IJsverkopers

De migratie van Italiaanse ijsverkopers kwam op gang in de tweede helft van de 19de eeuw. Deze Italianen verkochten hun ijs vanuit ijscokarretjes of zij waren eigenaar van een ijssalon. Meer dan tweederde van de ijsverkopers was afkomstig uit Veneto. Maar ook uit Toscane vertrokken Italianen naar Nederland om geld te verdienen met ijs. Wat begon met alleen mannen, ging over in de seizoensmigratie van hele families. In oktober keerden de Italianen weer terug naar Italië en verhuurden zij hun winkels voor de winter. Quirino De Mas kwam via zijn streekgenoot Guido De Lorenzo naar Nederland. Zoals gebruikelijk trok De Lorenzo in de winter langs de dorpen in zijn streek van herkomst om venters te werven. Al snel kwam De Mas in Eindhoven terecht, waar hij jarenlang met een ijskarretje langs de straten ging. In 1938 had De Mas voldoende gespaard om in Nijmegen zijn eigen ijssalon Venezia te openen. IJsverkoop was een lucratieve bezigheid, waardoor in de jaren '40 ook Italiaanse beeldenmakers overgingen op de verkoop van ijs.

Rond 1900 kwamen de eerste Italiaanse terrazzowerkers naar Nederland. Zij vestigden zich onder meer in Den Haag. Toen bleek dat er voldoende werk was, volgden hun streek-en dorpsgenoten. Elk bedrijf had zijn eigen wervingsgebied in Italië, meestal rond de geboorteplaats van de eigenaar. Terrazzowerkers hadden zich gespecialiseerd in het maken van granieten vloeren, aanrechten, gootstenen, dorpels en badcellen. Terrazzovloeren werden in het begin van de 20ste eeuw erg populair en zijn in veel openbare gebouwen, kerken, ziekenhuizen en scholen aangebracht. 

Terrazzowerkers maken vloeren (en aanrechten) met stukjes marmer in cement. Als de vloer hard is wordt hij glanzend geschuurd. De techniek komt van oorsprong uit Italië en is ook wel bekend onder de naam granito. De meeste terrazzowerkers kwamen uit Friuli, in het noordoosten van Italië. Een belangrijke herkomstplaats was Maniago en de gehuchten daaromheen. De grootste concentratie terrazzowerkers in Nederland bevond zich in Den Haag. In Den Haag was ook de enige Friulaanse club, deze had in 1983 nog ca. 130 leden.

Tijdens de Gouden Eeuw en daarna kwamen uit Duitsland veel arbeiders om te helpen met hooien in de drukke zomermaanden. Deze Duitse trekarbeiders vertrokken weer naar huis om het volgend jaar terug te komen. Voor Italianen was deze seizoensarbeid geen optie. In die tijd reisden migranten te voet en vanuit Italië waren ze meer dan een maand onderweg, dus zochten Italianen naar andere vormen van inkomsten. Ze trokken bijvoorbeeld het hele jaar rond als handelaar, marskramer of muzikant. Anderen wilden langer in de stad blijven en probeerden aan de slag te komen in beroepen waarin ze als vreemdeling mochten werken. Vóór 1700 verbleef slechts een handvol Italianen in Nederland.


Voor vrijwel alle beroepen moest men lid zijn van een gilde. Vreemdelingen konden geen lid worden omdat zij meestal geen burger van de stad waren. Zij konden daarom alleen aan de slag in beroepen die vrij toegankelijk waren. Dat was ook toen al vooral werk dat weinig ingezetenen wilden verrichten, zoals schoorsteenveger, of beroepen die onbekend waren en waarvoor dus geen gilde bestond. Italianen, net als andere vreemdelingen, maakten daarvan gebruik en introduceerden enkele onbekende beroepen in Nederland, zoals stucadoor, en rond 1900 terrazzowerkers.

Interview met Bruno Gardini

De respondent die ik voor dit onderzoek heb geïnterviewd is Bruno Gardini. Hij is in 1947 geboren in Passatore in de Italiaanse provincie Piemonte. Tijdens zijn jeugd is hij nog naar het nabijgelegen Cuneo verhuisd. Later heeft hij aan de Techniche Universiteit van Turijn gestudeerd, hij rondde zijn studie af in 1971. Vervolgens heeft hij twee jaar dienstplicht gehad. Hij heeft daarna nog een aantal jaar in Turijn gewoond en gewerkt bij de universiteit. In 1975 is meneer Gardini geëmigreerd om in Noordwijk als ingenieur te werken bij de ESTEC (onderdeel van de European Space Agency). Hierdoor valt hij binnen de categorie van expats. In 1977 is hij weggegaan en in Duitsland gaan werken om in 1981 weer terug te komen naar Nederland en zich daar definitief te vestigen.

Door: Irene Garofalo


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM