Uitgebreid zoeken

Expositie in het NIMAR: Marokko door Nederlandse ogen

De Leidse historicus Herman Obdeijn maakte voor het Nederlands Instituut in Marokko (NIMAR) een tentoonstelling over de eeuwenoude band tussen beide landen. De expositie is vanaf 1 maart te zien in het nieuwe pand van dit instituut in Rabat. ‘De Marokkanen veranderden van ooit verre bondgenoten in letterlijk naaste buren.’

Wat voor beeld hebben Nederlanders van Marokko?
‘Veel Nederlanders associëren Marokko vooral met dadels en gesluierde vrouwen. Maar Marokko is zoveel meer dan dat en zowel Nederlanders als Marokkanen kennen die geschiedenis van de eeuwenoude relatie tussen beide landen niet of nauwelijks. Die relatie kun je grofweg in drie periodes verdelen: 1600-1800, 1800-1960 en 1960 tot heden.’

Hoe begint de relatie?
‘In 1605 stuurde de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een gezant naar Marokko om te onderhandelen over een bondgenootschap. Als eerste land in Europa sloot de Republiek in 1610 een verdrag met Marokko. Het was een strategisch bondgenootschap want beide landen hadden elkaar nodig met Spanje als gezamenlijke vijand. Daarnaast ondervonden Nederlandse schepen op weg naar het Verre Oosten veel last van plunderende Marokkaanse kaapvaarders en daar wilde de Republiek een einde aan maken. Marokko op zijn beurt had de Republiek nodig om aan wapens te komen. Er was destijds een pauselijk decreet dat christelijke landen geen wapens mochten leveren aan moslims en de sultan wilde graag mobiele kanonnen kopen van prins Maurits.

‘In die tijd werden ook de eerste wetenschappelijke contacten gelegd. Jacob Golius, hoogleraar Wiskunde en Arabisch in Leiden, ging in 1622 mee met een Nederlandse missie naar Marokko. Hij adviseerde de sultan over de bouw van een haven en vestingwerken bij de kustplaats Oualidiya. De Nederlanders maakten een kaart voor de sultan. Golius kwam in contact met diverse Marokkaanse geleerden. Op de expositie hangt het portret van Golius, een reproductie van het portret uit de Senaatskamer van het Academiegebouw. De hoogleraar verzamelde en kopieerde in Marokko handschriften en bracht die naar Leiden. Helaas kwamen die na verloop van tijd merendeels in Oxford terecht.’

Wat veranderde er in de tweede periode: 1800-1960?
Nederland was veel meer gericht op de eigen kolonie Nederlands-Indië dan op een land als Marokko. Voor Nederland stelde tien handelsschepen per jaar naar Marokko weinig voor, maar voor het grotendeels autarkische Marokko was dat wel veel. Langzamerhand groeide de toeristische belangstelling voor het land, vooral toen de Britse touroperator Thomas Cook in de loop van de 19e eeuw de interesse voor Arabische landen aanwakkerde. Schilders als Kees van Dongen (1877-1968) en Anton Pieck (1895-1987) raakten gefascineerd door Marokko en schilderen het landschap en de bewoners. Ook journalisten en schrijvers, zoals A. den Doolaard, verkenden het land en maakten reisverslagen. In de jaren ’50 van de vorige eeuw kregen sociologen en antropologen meer belangstelling voor Marokko, maar landen als Egypte en Syrië trokken toen nog veel meer aandacht.’

Kwam daar verandering in met de komst van de eerste Marokkaanse gastarbeiders naar Nederland vanaf 1960?
Inderdaad, er komt een stortvloed aan Nederlandse boeken over Marokkanen. In eerste instantie vooral van antropologen en sociologen, later komen daar historici en islamonderzoekers bij. De Marokkanen veranderden van ooit verre bondgenoten in letterlijk naaste buren. Aanvankelijk zou hun verblijf tijdelijk zijn, maar inmiddels is de Marokkaanse gemeenschap uitgegroeid tot bijna 390.000. Er is veel discussie over en onder de Marokkanen in Nederland. Velen zijn goed geïntegreerd en voelden zich thuis in de Nederlandse samenleving. Maar door de groeiende weerstand tegen immigranten, met name uit islamitische landen, vragen sommigen zich af of zij nog wel welkom zijn. Maar daar gaat deze kleine tentoonstelling niet over. Een volgende expositie waar ik adviseur van ben, zal helemaal gewijd zijn aan ruim een halve eeuw Marokkanen in Nederland. Die reist eerst door Nederland en is waarschijnlijk in 2018 in het NIMAR te zien.’

Samen met uw voormalige geschiedenisstudent Abdelkader Benali publiceerde u in 2005 het boek ‘Marokko door Nederlandse ogen’. Op 1 maart verschijnt de Franse vertaling. Hoe kijken Marokkanen tegen de gedeelde geschiedenis aan? 
‘Marokkanen in Nederland weten vaak niet veel van hun eigen geschiedenis. Het Nederlandstalige boek vond hier dan ook de meeste aftrek onder de tweede generatie. We willen met een Franstalige versie nu ook een groter publiek bereiken. Marokko had voor 1800 geen staatsarchief en historische documenten zoals correspondentie, verdragen, kaarten en oude prenten zijn niet of nauwelijks bewaard gebleven. Of in privébezit. De Nederlanders daarentegen verzamelden al vanaf het begin van de relatie bijna alles. De oudste bekende afbeelding van Marrakech staat in de 17e-eeuwse Atlas van Blaeu, de Amsterdamse kaartenmaker. Ik hoor van Marokkanen dat zij het waarderen dat zo een stuk van hun geschiedenis bewaard is gebleven.’

Wat is het belang van een Nederlands instituut in Marokko voor studenten en onderzoekers zoals u?
Marokko is voor Nederland het meest nabije stukje Arabische wereld; vanaf Gibraltar is het maar 14 kilometer. Het is een van de weinig Arabische landen waar je redelijk vrij kunt opereren en vormt een belangrijke observatiepost om te zien wat er omgaat in de Arabische wereld. Er gebeurt veel goeds in Marokko. Een gematigde vorm van de islam is dominant en het land moderniseert snel: de economie wordt duurzamer door zonne-energie en ook in cultureel opzicht speelt het land steeds meer mee, zoals in de mode. Daarnaast heeft Nederland natuurlijk een grote Marokkaanse gemeenschap en ook daarom is het belangrijk dat we het land goed kennen.’

Zie ook: website Nederlands Instituut Marokko


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM