Uitgebreid zoeken

Fixatie op cultuur of religie bij statushouders is onwenselijk

In mei van dit jaar verscheen een bundel van de Wiardi Beckman Stichting (WBS) over de ‘vluchtelingencrisis’ onder redactie van Monika Sie Dhian Ho (directeur van Clingendael), René Cuperus (WBS) en Annelies Pilon (WBS). In Over de grens. De vluchtelingencrisis als reality test staan lezenswaardige bijdragen, maar de bundel toont ook de worsteling binnen de PvdA met het thema migratie en integratie. Dat wordt vooral duidelijk in het hoofdstuk over de vooruitzichten op integratie van de huidige vluchtelingen uit het Midden Oosten.

De auteur, Mark Elchardus, is emeritus hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit van Brussel en lid van de politieke evenknie in Vlaanderen. Zijn bijdrage Integratie moslims als graadmeter voor vluchtelingen begint met de logische redenering dat als we iets willen zeggen over hoe het integratieproces zal verlopen van de Syriërs, Afghanen, Irakezen en Eritreeërs, die in de afgelopen paar jaar een vluchtelingenstatus hebben gekregen, we er goed aan doen om te kijken hoe het hun land- en regiogenoten is vergaan die hier in de jaren negentig werden opgevangen.

Die vergelijking boort hij echter onmiddellijk de grond in omdat er nauwelijks studie naar gedaan zou zijn, met uitzondering van Dourleijn en Dagevos (2011) en het proefschrift van Bakker (2016). Belangrijker nog, die zouden zich vooral op hun sociaaleconomische positie richten (werk, onderwijs, sociale contacten) en leren ons niets over de volgens Elchardus veel belangrijker, zo niet cruciale, culturele dimensie.

Turken en Marokkanen als ijkpunt

Om toch in de toekomst te kunnen kijken, neemt Elchardus daarom de trends onder Turken en Marokkanen als ijkpunt. Weliswaar geen vluchtelingen, maar wel moslims. En ja, dan worden we niet blij, want – zo laat de studie Moslims in Nederland (2012) zien – die groepen hangen nog sterk aan religie, hebben vooral contacten binnen de eigen groep, en wat volgens Elchardus het belangrijkste is: ze zijn niet seculier en individualistisch. En dat levert spanningen op met wetgeving die moslims niet in overeenstemming achten met hun geloof.

Het grote belang dat aan geloof wordt gehecht, ook onder de tweede generatie, zou bovendien tot een groei van het fundamentalisme leiden. Hij volgt hier socioloog Ruud Koopmans, uit wiens onderzoek uit 2008 zou blijken dat bijna de helft van de Nederlandse moslims als fundamentalistisch beschouwd dient te worden. Die grote invloed van de islam leidt volgens Elchardus bovendien tot een wederzijdse vervreemding én wederzijds radicalisering.

Wat betekenen deze tendensen onder Turken en Marokkanen nu voor de huidige vluchtelingen uit moslimlanden vraagt de auteur zich af. Niet veel goeds, zo luidt zijn antwoord en hij somt vervolgens vier factoren op die hun integratie nóg moeizamer zal maken dan die van de voormalige gastarbeiders:

1. de economie zit veel meer tegen dan in de jaren zestig en zeventig;

2. vluchtelingen uit de jaren negentig hebben grote moeite op de arbeidsmarkt;

3. de houding van Nederlanders in de jaren tachtig en negentig was minder negatief;

4. de huidige vluchtelingen verschillen heel sterk van de meerderheid door hun religieuze overtuiging. In die landen wil immers een grote meerderheid de Sharia invoeren, vinden bijna alle mannen dat de vrouw hen te allen tijde moet gehoorzamen en zo meer.

Daar komt nog bij dat de steun in de landen van herkomst voor jihadisme veel groter is dan in Turkije en Marokko. Kortom, de kansen op een succesvolle integratie zijn gering en het is volgens Elchardus dan ook niet vreemd dat een aantal (Oost-) Europese landen geen moslimvluchtelingen wil opnemen. Zo ver moeten wij natuurlijk niet gaan, maar de auteur pleit wel voor een verplichtend inburgeringstraject waarbij de principes van de seculiere samenleving centraal dienen te staan en de participatieverklaring een logisch sluitstuk is.

Culturalistische benadering

Het probleem met deze culturalistische benadering is om te beginnen dat er nauwelijks naar de praktijk wordt gekeken. Doen we dat wel, dan verschijnt er een heel ander beeld. Bijvoorbeeld in het grootschalig onderzoek van de universiteit van Utrecht, onder leiding van de hoogleraar sociologie Frank van Tubergen.

Lees het hele artikel op nieuwewij.nl


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM