Uitgebreid zoeken

De onderbelichte pijn van de achterblijvers

Nieuwe blik op migratiegeschiedenis door filosoof Marli Huijer tijdens de Maand van de Geschiedenis

Onderzoekers kijken bij migratiegeschiedenis vaak naar de mensen die vertrekken en hun nieuwe omgeving. De achterblijvers zijn minder interessant, want bij hen verandert er weinig. Maar is dat wel zo? En waarom kiest de ene mens voor emigratie en blijft de ander? Een filosofische blik op migratie voor de Maand van de Geschiedenis met het thema Grenzen.

door Marjolein Overmeer

De wereld ontdekken zit in de westerse cultuur. Sinds de oudheid bejubelen heldendichten het reizen naar nieuwe plekken en de daarbij behorende avonturen. Het accent ligt vooral op de reizigers, de vertrekkende partij dus. Eventueel verdrietige achterblijvers horen zich te vermannen, ook al zien ze de ander misschien nooit meer terug. Maar als er zoveel verdriet bij komt kijken, waarom emigreren we dan eigenlijk? En waarom lijkt dat vooral de achterblijvers te raken?

Ontdekkingsreizen

Wanneer we naar de geschiedenis kijken, waren het vooral Europeanen die op ontdekkingsreis gingen. Na de grote ontdekkingen, zoals Amerika door Columbus in 1492, nam dit een vlucht. Zoeken naar onbekende werelden, volkeren, flora en fauna en natuurlijk rijkdommen kregen een nog positievere associatie. Thuisblijven was de minder boeiende optie.

De komst van de stoomboot in de negentiende eeuw bracht verre reizen binnen het bereik van nog meer mensen. Tussen 1800 en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 reisden ruim 60 miljoen Europeanen naar andere werelddelen. Europa was een echt emigrantencontinent, er kwamen weinig niet-Europeanen voor langere tijd deze kant op.

Reizen kostte veel tijd, was onveilig en duur zodat dit voornamelijk enkele reizen betrof. Contact onderhouden met het thuisfront was omslachtig. Brieven schrijven was lange tijd de enige enigszins betaalbare mogelijkheid maar deze levenstekens waren wel weken onderweg.

Niet zijn

In een tijd dat migratie over het algemeen permanent was en de mogelijkheden tot contact minimaal, was het vertrek van een dierbare bijna gelijk aan het verlies door een sterfgeval. De kans dat familieleden elkaar nog eens zagen was zo goed als nul en het verdriet, met name bij de achterblijvers, was groot. Maarom nu juist bij deze groep? Marli Huijer haalt in haar nieuwe boek Achterblijven onder andere het boek Het zijn en het niet van filosoof Jean-Paul Sartre (1905-1980) erbij om het te verklaren.

Het komt er op neer dat de achtergebleven persoon de aanwezigheid van de vertokken persoon blijft voelen op de plekken waar ze vroeger samen waren. Alleen de achterblijver heeft hier last van aangezien hij nog wel op deze gedeelde plekken komt en de vertrokkene niet. Daarnaast moet de geëmigreerde op de nieuwe locatie hard werken om een nieuw bestaan op te bouwen waardoor hij minder tijd heeft om te treuren dan het thuisfront.

Tegenwoordig lijkt de wereld een stuk kleiner geworden. Met het vliegtuig zijn afstanden makkelijk te overbruggen en door middel van Skype kun je elkaar ook zien en spreken als je aan de andere kant van de wereld zit. Een afscheid is niet meer definitief en dit heeft het dramatische aspect bij emigratie drastisch verminderd. Maar emigratie blijft pijn doen. Dit ‘beetje sterven’ zoals Huijer het noemt, maakt het voor de achterblijvers niet minder lastig om met het gemis om te gaan. Wanneer je weet dat je iemand nooit meer zult zien, is het makkelijker om afstand te nemen van die persoon. Zolang de hoop blijft bestaan dat de ander terugkomt, blijft het gemis en het verlangen aan je vreten.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM