Uitgebreid zoeken

1700-1800

1700-1800

Net zoals in vroegere tijden trok Nederland in de 18de eeuw nog steeds veel migranten aan. Pas in de 19de eeuw nam hun aantal sterk af. Wel veranderden de aard en omvang van de migratie. In de loop van de eeuw zag Nederland het centrum van de internationale handel zich verplaatsen naar Engeland. Daar vond aan het eind van de 18de eeuw de industriƫle revolutie plaats. Overigens was de Republiek nog steeds welvarend. Bovendien nam de bevolking van de Republiek na 1700 af, waardoor in verschillende economische sectoren arbeidstekorten ontstonden. Verhoudingsgewijs kwamen in de loop van de 18de eeuw migranten meer dan voorheen uit het buurland Duitsland.

Een kwart tot de helft van de zeelieden, soldaten en andere werknemers die in de 17e en 18e eeuw voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) naar Aziƫ vertrokken, was afkomstig van buiten de Republiek. De V.O.C. had voor haar activiteiten in Europa, maar vooral ook in Aziƫ, veel mensen nodig. In de twee eeuwen van haar bestaan stuurde de compagnie bijna een miljoen mensen overzee. Voor het werk op de schepen en de vestigingen in Aziƫ werden naast Nederlanders daarom veel migranten geworven. Zeelieden werden overwegend gemonsterd in de Scandinavische, Duitse en Zuid-Nederlandse kustgebieden. Soldaten kwamen vaker uit de Europese binnenlanden.

In de 18e eeuw kwamen nog steeds veel  vluchtelingen naar de Republiek. Onder hen bevonden zich Hugenoten die in Frankrijk nog tot ver in de achttiende eeuw werden vervolgd. Halverwege de achttiende eeuw waren al tienduizend asjkenazische joden uit Duitsland, Polen en Rusland in Nederland. Tussen 1750 en 1800 liep dat aantal op tot twintigduizend. Zij vertrokken naar Nederland omdat zij vervolgd werden, maar ook economische motieven waren belangrijk.

Hugenoten

Tussen 1680 en 1720 ontvluchtten waarschijnlijk zoā€™n 150.000 Franse protestanten - Hugenoten  genaamd - hun vaderland. Ongeveer 35.000 Ć  50.000 van hen kwamen naar Nederland. Veel Nederlandse steden waren blij met deze vluchtelingen, vanwege hun geld, kennis en contacten. Door hun komst kreeg de economie een stevige impuls. De Hugenoten kregen dan ook allerlei gunstige rechten. Zo hoefden ze bijvoorbeeld niet te betalen voor het lidmaatschap van de gilden. Toen na enige tijd bleek dat de migranten niet allemaal rijk waren, kwam er kritiek los. Bovendien werden de vluchtelingen belachelijk gemaakt om de manier waarop ze gekleed gingen en vanwege hun spraak. De Nederlanders vonden de Franse nieuwkomers wuft en arrogant.  Daar kwam bij dat ze lang vasthielden aan de Franse taal en hun eigen (Waalse) kerken.

In de koloniale periode vond veel pendelmigratie plaats tussen Suriname en het moederland Nederland. Tot de 19de eeuw vertrokken Nederlandse plantagehouders en bestuursfunctionarissen tijdelijk naar Suriname. Tijdens hun verblijf in de kolonie hadden bestuurders recht op enkele maanden verlof in Nederland. Zij reisden dan in familieverband naar Nederland, vaak in gezelschap van slaven en soms zelfs ex-slaven of Indianen. Zij gingen niet altijd terug naar Suriname. Toen in de 19de eeuw de plantagelandbouw in een crisis raakte, keerden steeds meer Nederlandse plantagehouders terug naar Nederland. Surinaamse joden  en kleurlingen namen hun banen over. Ook zij kwamen regelmatig op verlof in Nederland. Nederlandse bestuurders bleven pendelen. Daarnaast maakte een aantal missionarissen de oversteek naar Suriname. Dit waren katholieken en Hernhutters. In de 20ste eeuw keerden niet meer alle migranten terug naar Suriname na hun verlofperiode. Sommigen besloten permanent in Nederland te blijven. Ondertussen klommen Surinamers van Indiase en Indonesische afkomst op in de Surinaamse samenleving. Ook sommigen van hen vertrokken naar Nederland. Gedurende de eerste helft van 20ste eeuw groeide het aantal Surinamers in Nederland gestaag. Na de Tweede Wereldoorlog nam hun aantal snel toe.

Tijdens de Gouden Eeuw en daarna kwamen uit Duitsland veel arbeiders om te helpen met hooien in de drukke zomermaanden. Deze Duitse trekarbeiders vertrokken weer naar huis om het volgend jaar terug te komen. Voor Italianen was deze seizoensarbeid geen optie. In die tijd reisden migranten te voet en vanuit ItaliĆ« waren ze meer dan een maand onderweg, dus zochten Italianen naar andere vormen van inkomsten. Ze trokken bijvoorbeeld het hele jaar rond als handelaar, marskramer of muzikant. Anderen wilden langer in de stad blijven en probeerden aan de slag te komen in beroepen waarin ze als vreemdeling mochten werken. VĆ³Ć³r 1700 verbleef slechts een handvol Italianen in Nederland.


Voor vrijwel alle beroepen moest men lid zijn van een gilde. Vreemdelingen konden geen lid worden omdat zij meestal geen burger van de stad waren. Zij konden daarom alleen aan de slag in beroepen die vrij toegankelijk waren. Dat was ook toen al vooral werk dat weinig ingezetenen wilden verrichten, zoals schoorsteenveger, of beroepen die onbekend waren en waarvoor dus geen gilde bestond. Italianen, net als andere vreemdelingen, maakten daarvan gebruik en introduceerden enkele onbekende beroepen in Nederland, zoals stucadoor, en rond 1900 terrazzowerkers.

Tussen 1600 en 1900 trokken jaarlijks tienduizenden Duitsers uit Westfalen naar Nederland als seizoensarbeider. In Duitsland hadden zij vaak een keuterbedrijfje dat te weinig opbracht om het gezin van te onderhouden. In het oogstseizoen trokken deze Duitse keuterboeren daarom naar Holland, Friesland en Groningen om op het platteland te werken. Zij verrichtten arbeid als hannekemaaiers, turfstekers, hooiers of steenbakkers. Bekend zijn de steenbakkers uit Lippe-Detmold, die voornamelijk aan de slag gingen in Groningen. Aan het einde van de 18de eeuw verminderde de welvaart in Nederland en verdween dit migratiesysteem langzaam. Behalve de Lipsker steenbakkers, die verdwenen pas rond 1870-1890 - de laatste hannekemaaiers rond 1900.

Dienstbodes

Dienstpersoneel in Nederland komt al eeuwen voor een deel uit het buitenland. In de welvarende Republiek in de 16de eeuw was de vraag van welgestelden naar bedienend personeel veel groter dan waaraan de Nederlandse meisjes en jonge vrouwen konden voldoen. Migranten zagen de mogelijkheden en bijvoorbeeld Noorse dienstmeisjes vertrokken voor een bepaalde periode, soms enkele jaren, naar Amsterdam. Zoals de ophanging van Elsje Christiaens laat zien, kwamen dienstmeisjes ook uit Duitsland. Het aantal Duitse dienstbodes zou aan het eind van de 19de eeuw toenemen om zich vooral aan het begin van de 20ste eeuw zeer sterk uit te breiden. Tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog hebben honderdduizenden jonge Duitse vrouwen enige tijd in Nederland gewerkt. Een deel van hen huwde een Nederlandse man en keerde niet naar het vaderland terug. Onder de in Nederland werkzame dienstbodes bevonden zich ook andere nationaliteiten, zoals Oostenrijkse vrouwen. In de tweede helft van de twintigste eeuw verschoof het herkomstgebied van dienstpersoneel van Europa naar Azie, Afrika en Zuid-Amerika. Bij voorbeeld al dan niet illegaal in Nederland verblijvende Braziliaanse of Fillippijnse hulpen in de huishouding is een normaal verschijnsel geworden.

De eerste Grieken die naar Nederland kwamen waren geestelijken die in de 17e eeuw aan de universiteit van Leiden gingen studeren. Ook kwamen er Grieken naar Amsterdam die op Nederlandse schepen hadden aangemonsterd, zoals Yannis BizĀ·s. Hij werkte in 1729 op een schip van de VOC, maar dan wel onder zijn vernederlandste naam Jan van Biessen. In de loop van de 18e eeuw vestigden zich ook Griekse handelaren in Amsterdam. Inwoners van Smyrna (Klein-AziĆ«) richtten hier en in andere West-Europese steden handelshuizen op om Europese producten te kopen en oosterse producten te verkopen. De Griekse kolonie in Amsterdam bestond in die periode overigens niet alleen uit handelaren uit Smyrna, maar ook uit Grieken uit Chios, Thessaloniki en Zagori. Toen de gemeenschap groeide, vroeg men in 1752 toestemming een Orthodoxe kerkdienst te houden in een woning in de Koningsstraat. Later kwam men bijeen op een zolder gewijd aan de Heilige Katharina. In 1763 verhuisde de kerk naar een pand op de Oudezijds Voorburgwal, dat men kon kopen dankzij de erfenis van een in Nederlands-IndiĆ« overleden Griekse handelaar. Een eeuw later woonden er nauwelijks Grieken meer in de hoofdstad; in 1866 werd de kerk gesloten. Dankzij de ooggetuigenverslagen van koopman Ioannis Pringos, die in 1755 naar Amsterdam kwam, kunnen we ons een beeld vormen van de Griekse gemeenschap in deze periode. Zijn impressies van Nederland zijn nog altijd de moeite waard. 

 

De industriesteden hadden last van de economische neergang. Het ging gedurende de eeuw steeds slechter met de industrie en de nijverheid. Het aantal migranten dat zich in de steden vestigde, nam daardoor af. Maar in vrijwel alle industrietakken werkten nog steeds kleinere of grotere groepen migranten. Het waren vooral ongehuwde jongemannen die geld wilden verdienen of een ambacht wilden leren. Met het verdiende geld wilden ze in hun eigen land een beter bestaan opbouwen. Hoewel veel migranten tijdelijk in de Republiek waren, kwamen net zoals in vroegere eeuwen, grote aantallen die zich permanent in de steden vestigden. Dit waren vooral Duitsers en Scandinaviƫrs die weinig welvarend waren en vaak geen opleiding hadden. Zij belandden dan ook vaak in de lagere sociale klassen.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM