Uitgebreid zoeken

1800-1900

1800-1900

In de periode 1800-1900 nam de migratie naar Nederland af, ook door het kwijtraken van de centrale positie in de internationale handel. Landen als Engeland, België en Duitsland kregen een voorsprong op het gebied van de industrialisatie. Zo maakte de snelle groei van het Ruhrgebied in Duitsland populair bij migranten die voorheen naar Nederland kwamen. Door de ontwikkeling van het snellere stoomschip werd in de tweede helft van de 19de eeuw ook Amerika een aantrekkelijk land om naartoe te migreren. Ook veel Nederlanders vertrokken naar elders, vooral boeren en landarbeiders. Zij bouwden in Amerika, Duitsland en België een nieuw bestaan op. Het aantal mensen dat Nederland verliet, overtrof in deze periode het aantal nieuwkomers.

Achter de term 'zigeuners' gaan veel verschillende groepen schuil. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze met hun gezinnen rondtrokken, in tenten of woonwagens overnachtten en uit het buitenland kwamen. De eerste groepen die door Nederlandse overheden als 'zigeuner' werden betiteld, waren groepen ketellappers uit Hongarije die in het voorjaar van 1868 bij Oldenzaal de grens passeerden. In datzelfde jaar doken er gezinnen met bruine (dans)beren in Nederland op die eveneens als zigeuner werden aangemerkt. De autoriteiten gingen er van uit dat zigeuners bedelaars en armoedzaaiers waren en probeerden hen daarom zo veel mogelijk uit Nederland te weren. Omstreeks 1900 kwam er een derde groep naar Nederland: paardenhandelaren die met woonwagens Noorwegen hadden verlaten en waarschijnlijk oorspronkelijk uit Hongarije kwamen. Pas in de jaren '20 kregen politie en marechaussee een vierde groep in het oog: muzikanten uit Duitsland en België. De meeste gezinnen van deze laatste groep woonden al sinds het midden van de 19e eeuw in Nederland, maar ze vielen pas op toen ze de pensions en huizen verruilden voor een eigen woonwagen. Tegenwoordig gebruiken de nakomelingen van deze groepen, van wie een groot deel in 1944 in het vernietigingskamp Auschwitz werd vermoord, de term 'Sinti'. Vanaf het einde van de jaren '60 van de 20e eeuw maakten nieuwe 'zigeuners' hun opwachting, dit keer uit Joegoslavië. Toen het niet lukte hen naar hun geboorteland terug te sturen, zijn ongeveer 1000 van hen toegelaten en in de jaren '80 over een aantal opvanggemeenten verspreid. Ze wonen daar in huizen en staan bekend als 'Roma'. De term 'zigeuner' wordt door Sinti en Roma als een scheldwoord beschouwd.

Woonwagenbewoners van Beukbergen. Beukbergen, nu een van de grootste woonwagencentra van Europa, was ooit niet meer dan een kluitje wagens langs de kant van de weg. Een pleisterplaats voor scharen-slijpers, stoelenmatters, venters, kermisexploitanten, muzikanten, aardappelrooiers, uienrapers en kersenplukkers. Mensen met beroepen die een reizend bestaan noodzakelijk maakten, en voor wie reizen een manier van leven werd. Lees meer

Hoewel Italianen veel soorten werk deden was er een sterke concentratie in een aantal beroepen. In de negentiende eeuw vormden schoorsteenvegers de grootste groep Italiaanse migranten in Nederland. Zij kwamen uit het Noord-Italiaanse Piemonte en Ticino, op de grens van Zwitserland en Frankrijk. Bijna 40% van de 500 Italianen die tussen 1860 en 1880 naar Amsterdam en Rotterdam kwamen was schoorsteenveger. De schoorsteenvegers slaagden er in een monopoliepositie op te bouwen en wisten die lange tijd te behouden. Zij dankten hun succes in dit beroep niet alleen aan hun vakkennis, maar ook aan de goedkope arbeidskrachten die ze gebruikten. In de schoorsteenvegersbranche was het ‘padronesysteem’ gebruikelijk. Iedere baas rekruteerde knechtjes uit zijn eigen herkomstgebied, veelal tijdens zijn verblijf in Italië in de winter.

In de koloniale periode vond veel pendelmigratie plaats tussen Suriname en het moederland Nederland. Tot de 19de eeuw vertrokken Nederlandse plantagehouders en bestuursfunctionarissen tijdelijk naar Suriname. Tijdens hun verblijf in de kolonie hadden bestuurders recht op enkele maanden verlof in Nederland. Zij reisden dan in familieverband naar Nederland, vaak in gezelschap van slaven en soms zelfs ex-slaven of Indianen. Zij gingen niet altijd terug naar Suriname. Toen in de 19de eeuw de plantagelandbouw in een crisis raakte, keerden steeds meer Nederlandse plantagehouders terug naar Nederland. Surinaamse joden  en kleurlingen namen hun banen over. Ook zij kwamen regelmatig op verlof in Nederland. Nederlandse bestuurders bleven pendelen. Daarnaast maakte een aantal missionarissen de oversteek naar Suriname. Dit waren katholieken en Hernhutters. In de 20ste eeuw keerden niet meer alle migranten terug naar Suriname na hun verlofperiode. Sommigen besloten permanent in Nederland te blijven. Ondertussen klommen Surinamers van Indiase en Indonesische afkomst op in de Surinaamse samenleving. Ook sommigen van hen vertrokken naar Nederland. Gedurende de eerste helft van 20ste eeuw groeide het aantal Surinamers in Nederland gestaag. Na de Tweede Wereldoorlog nam hun aantal snel toe.

Tijdens de Gouden Eeuw en daarna kwamen uit Duitsland veel arbeiders om te helpen met hooien in de drukke zomermaanden. Deze Duitse trekarbeiders vertrokken weer naar huis om het volgend jaar terug te komen. Voor Italianen was deze seizoensarbeid geen optie. In die tijd reisden migranten te voet en vanuit Italië waren ze meer dan een maand onderweg, dus zochten Italianen naar andere vormen van inkomsten. Ze trokken bijvoorbeeld het hele jaar rond als handelaar, marskramer of muzikant. Anderen wilden langer in de stad blijven en probeerden aan de slag te komen in beroepen waarin ze als vreemdeling mochten werken. Vóór 1700 verbleef slechts een handvol Italianen in Nederland.


Voor vrijwel alle beroepen moest men lid zijn van een gilde. Vreemdelingen konden geen lid worden omdat zij meestal geen burger van de stad waren. Zij konden daarom alleen aan de slag in beroepen die vrij toegankelijk waren. Dat was ook toen al vooral werk dat weinig ingezetenen wilden verrichten, zoals schoorsteenveger, of beroepen die onbekend waren en waarvoor dus geen gilde bestond. Italianen, net als andere vreemdelingen, maakten daarvan gebruik en introduceerden enkele onbekende beroepen in Nederland, zoals stucadoor, en rond 1900 terrazzowerkers.

Tussen 1850 en 1900 reisden Duitse handelaren naar Nederland om aan de bevolking allerlei goederen te verkopen. Deze marskramers uit met name het Munsterland stopten hun knapzakken, rugzakken en manden zo vol als ze konden en trokken door het land. Een klein deel van hen vestigde zich permanent in Nederland en opende winkels. Enkele bekende warenhuizen als C&A en V&D werden in deze periode door voormalige Duitse marskramers opgericht.

Een van de belangrijkste winkels in de 19e eeuw was de winkel van Sinkel. Toen de Duitse migrant Anton Sinkel in 1839 zijn winkel in Utrecht opende schreven de kranten dat deze winkel het 8e wereldwonder was. Zoiets moois had het winkelende publiek nog nooit gezien. De winkel was groot. Bij de winkel hoorde ook een groot kosthuis, waarin het personeel woonde. Het personeel was in de leer en begon na enkele jaren eigen winkels. Hieruit kwamen bekende winkelketens voort zoals Peek & Cloppenburg. De winkels van de Duitse migranten veranderden het aanzien van de Nederlandse binnensteden. In de binnenstad kwam een lint van moderne, hel verlichte en mooi ingerichte winkels. Daarmee ontstond ook een nieuwe gewoonte in Nederland. Mensen gingen winkelen, niet per se om iets te kopen, maar om te kijken en gezien te worden. 

Niet alle handelaren begonnen een winkel. Veel handelaren verkochten hun waren aan de deur, op straat of op de markt.

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de VOC, kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Tussen 1600 en 1900 trokken jaarlijks tienduizenden Duitsers uit Westfalen naar Nederland als seizoensarbeider. In Duitsland hadden zij vaak een keuterbedrijfje dat te weinig opbracht om het gezin van te onderhouden. In het oogstseizoen trokken deze Duitse keuterboeren daarom naar Holland, Friesland en Groningen om op het platteland te werken. Zij verrichtten arbeid als hannekemaaiers, turfstekers, hooiers of steenbakkers. Bekend zijn de steenbakkers uit Lippe-Detmold, die voornamelijk aan de slag gingen in Groningen. Aan het einde van de 18de eeuw verminderde de welvaart in Nederland en verdween dit migratiesysteem langzaam. Behalve de Lipsker steenbakkers, die verdwenen pas rond 1870-1890 - de laatste hannekemaaiers rond 1900.

Dienstbodes

Dienstpersoneel in Nederland komt al eeuwen voor een deel uit het buitenland. In de welvarende Republiek in de 16de eeuw was de vraag van welgestelden naar bedienend personeel veel groter dan waaraan de Nederlandse meisjes en jonge vrouwen konden voldoen. Migranten zagen de mogelijkheden en bijvoorbeeld Noorse dienstmeisjes vertrokken voor een bepaalde periode, soms enkele jaren, naar Amsterdam. Zoals de ophanging van Elsje Christiaens laat zien, kwamen dienstmeisjes ook uit Duitsland. Het aantal Duitse dienstbodes zou aan het eind van de 19de eeuw toenemen om zich vooral aan het begin van de 20ste eeuw zeer sterk uit te breiden. Tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog hebben honderdduizenden jonge Duitse vrouwen enige tijd in Nederland gewerkt. Een deel van hen huwde een Nederlandse man en keerde niet naar het vaderland terug. Onder de in Nederland werkzame dienstbodes bevonden zich ook andere nationaliteiten, zoals Oostenrijkse vrouwen. In de tweede helft van de twintigste eeuw verschoof het herkomstgebied van dienstpersoneel van Europa naar Azie, Afrika en Zuid-Amerika. Bij voorbeeld al dan niet illegaal in Nederland verblijvende Braziliaanse of Fillippijnse hulpen in de huishouding is een normaal verschijnsel geworden.

Vanaf halverwege de negentiende eeuw kwamen kleine groepjes Hongaren naar Nederland. Volgens het Haagse weekblad waren de zigeuners die in 1909 in Den Haag aankwamen ‘Mooie typen de mannen met gitzwarte hare en oogen, maken in hun nationaal costuum een goeden indruk- terwijl de vrouwen met hare vlechten, waaraan tal van munten, (één zag ik er met 30 goudstukken van Maria-Theresia), even behoorlijk als goedig eruitzien’. Zij trokken met hun families rond met paard en wagen. Ondertussen verdienden ze de kost met het repareren van potten en pannen. Ze woonden in tenten. De meeste van de rondtrekkende Hongaarse families emigreerden later naar Zuid-Amerika en Noord-Amerika. Een klein aantal bleef uiteindelijk in Nederland.

In de 19de eeuw ronselde Nederland ruim 3.000 soldaten in de Goudkust, het huidige Ghana, voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in de archipel. Tussen 1831 en 1872 waren al deze mannen in Nederlands-Indië gelegerd. Meer dan 450 bleven na hun diensttijd in de kolonie en kregen Indo-Afrikaanse nazaten. Zij werden officieel ingedeeld bij het Europese deel van de bewoners van de Nederlandse kolonie. Tijdens en na de dekolonisatie vertrok het grootste deel van hen naar Nederland, net zoals de alle andere ' Europeanen'  of daarmee gelijkgestelden die een Nederlands paspoort hadden. Sommigen van hen migreerden later verder naar de Verenigde Staten.

De eerste Grieken die naar Nederland kwamen waren geestelijken die in de 17e eeuw aan de universiteit van Leiden gingen studeren. Ook kwamen er Grieken naar Amsterdam die op Nederlandse schepen hadden aangemonsterd, zoals Yannis Biz·s. Hij werkte in 1729 op een schip van de VOC, maar dan wel onder zijn vernederlandste naam Jan van Biessen. In de loop van de 18e eeuw vestigden zich ook Griekse handelaren in Amsterdam. Inwoners van Smyrna (Klein-Azië) richtten hier en in andere West-Europese steden handelshuizen op om Europese producten te kopen en oosterse producten te verkopen. De Griekse kolonie in Amsterdam bestond in die periode overigens niet alleen uit handelaren uit Smyrna, maar ook uit Grieken uit Chios, Thessaloniki en Zagori. Toen de gemeenschap groeide, vroeg men in 1752 toestemming een Orthodoxe kerkdienst te houden in een woning in de Koningsstraat. Later kwam men bijeen op een zolder gewijd aan de Heilige Katharina. In 1763 verhuisde de kerk naar een pand op de Oudezijds Voorburgwal, dat men kon kopen dankzij de erfenis van een in Nederlands-Indië overleden Griekse handelaar. Een eeuw later woonden er nauwelijks Grieken meer in de hoofdstad; in 1866 werd de kerk gesloten. Dankzij de ooggetuigenverslagen van koopman Ioannis Pringos, die in 1755 naar Amsterdam kwam, kunnen we ons een beeld vormen van de Griekse gemeenschap in deze periode. Zijn impressies van Nederland zijn nog altijd de moeite waard. 

 

Als er in de gedeelde geschiedenis van Suriname en Nederland iemand is die tot de verbeelding spreekt, dan is dat Anton de Kom (1898-1945). Deze schrijver, vrijheidsstrijder en verzetsheld was in vele opzichten een pionier  en zijn tijd ver vooruit. Zijn boek Wij Slaven van Suriname (1934) is een gepassioneerde aanklacht tegen de zwartste bladzijden in de koloniale geschiedenis in de verhouding Nederland- Suriname. Al decennialang is dit levenswerk van De Kom , kleinzoon van een slaaf, een must read voor een ieder die wil begrijpen en voelen wat het verhaal is van Suriname en  Nederland.  Strijd tegen blanke superioriteit, tegen armoede en uitbuiting, strijd voor humaniteit en tegen dictatuur - Anton de Kom’s leven en dood werden erdoor bepaald.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM