Uitgebreid zoeken

1900-1945

Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) kwamen ongeveer 150.000 Hongaarse kinderen voor een vakantie bij Nederlandse pleegouders terecht. Nationale hulporganisaties regelden de vakanties. De Hongaarse kinderen waren ondervoed en sterk verzwakt, vanwege de ellendige situatie in het land van herkomst. Hongarije was één van de verliezers van de oorlog en had veel grondgebied verloren aan buurlanden. Daardoor woonden Hongaren dicht op elkaar en was er onvoldoende eten. De ouders moedigden hun kinderen aan naar Nederland te gaan. Zoals Maria vertelde: "Mijn moeder zei: ’Ga jij maar mee. Het zal je goed doen, je krijgt nieuwe kleren en lekker eten en na drie maanden kom je weer thuis.’" Er kwamen vooral meisjes naar Nederland, omdat de voorkeur van Nederlandse pleegouders daarnaar uitging. Het kan overigens ook zijn dat Hongaarse ouders hun zoons liever thuishielden om te werken. Er kwamen kinderen van 4 jaar, maar ook van 19 jaar. De meesten waren tussen de 8 en 13 jaar oud. Een deel van hen, mogelijk zo’n 15.000, is nooit (definitief) teruggegaan en met een Nederlandse man getrouwd en daarmee Nederlander geworden.

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) wilde het Duitse leger over Belgisch grondgebied naar Frankrijk. De Belgische regering hield echter vast aan haar neutraliteit en weigerde het verzoek om Duitse troepen vrije doortocht te geven. Het Duitse leger viel vervolgens België binnen en daarop vertrokken een miljoen Belgen, burgers maar ook soldaten, halsoverkop naar Nederland. Nog eens 500.000 mensen vluchtten naar Engeland of Frankrijk. Toen het oorlogsgeweld zich na oktober 1914 naar Frankrijk verplaatste keerden de meeste vluchtelingen terug naar huis. Zo'n 135.000 Belgen bleven echter tot het einde van de oorlog in Nederland wonen. Zij keerden pas na 1918 naar huis terug.

Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, probeerden veel joden naar het buitenland te vluchten. Hoeveel joodse vluchtelingen tussen 1933 en 1940 naar Nederland zijn gekomen is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van 35.000 tot maximaal 50.000 vluchtelingen. Daarvan keerde een deel terug of emigreerde naar andere landen. De meeste joodse vluchtelingen kwamen uit Duitsland. Het overgrote deel had de Duitse nationaliteit, de rest had de Poolse nationaliteit of was statenloos. Een klein deel van de joodse vluchtelingen kwam uit Oostenrijk.

Tussen 1920 en 1940 kwamen er bijna 200.000 buitenlandse vrouwen naar Nederland om hier als dienstbode te werken. De meesten bleven maar kort en er was een groot verloop, maar op het hoogtepunt begin jaren '30 verbleven er wel 30.000. De grote meerderheid kwam uit Duitsland, een klein deel uit Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië. De Randstad trok de meeste dienstbodes aan. In steden als Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Hilversum woonden grote aantallen Duitse dienstbodes. Zij kwamen naar Nederland omdat Duitsland er na 1918 slecht aan toe was en veel mensen werkloos waren. In Nederland was volop werk voor dienstbodes. Dit beroep was bepaald niet populair onder Nederlandse vrouwen. Zij werkten liever in een fabriek of winkel waar ze meer verdienden en meer vrijheid hadden. Buitenlandse dienstbodes werden daarom met open armen ontvangen. Tienduizenden van hen zijn met Nederlandse mannen getouwd waardoor ze automatisch de Nederlandse nationaliteit kregen en een Nederlandse achternaam, en als immigranten grotendeels onzichtbaar zijn gebleven.

In het begin van de 20ste eeuw kwam een kleine groep Chinezen naar Nederland. Het waren vooral zeemannen die in Rotterdam en Amsterdam aan wal gingen. Daar wachtten ze tot zij weer konden aanmonsteren op een schip. Zo ontstonden Chinese wijken, kleine Chinatowns, waar het verloop van de Chinese bewoners wel groot was. Een klein deel vestigde zich permanent, zoals pensionhouders, winkeliers en kappers. Een deel van de Chinese migranten kwam van Engelse scheepvaartmaatschappijen. Anderen werkten op de handelsschepen die tussen Nederland en Nederlands-Indië voeren. De meerderheid kwam uit de provincies Guangdong en Fuijan, in het zuidoosten van China.

1900-1945

In de eerste helft van de 20ste eeuw nam het aantal migranten in Nederland sterk toe ten opzichte van de eeuw ervoor. Het aantal vluchtelingen steeg explosief door de Eerste Wereldoorlog en door naoorlogse politieke veranderingen in Europa. Nederland bleef tijdens de oorlog neutraal, maar ving wel honderdduizenden burgers en tienduizenden militairen op. De meesten van hen vertrokken uiteindelijk weer, maar vluchtelingen voor de Russische Revolutie en daarna het Naziregime in Duitsland namen hun plaats in. Naast vluchtelingen kwamen ook veel arbeidsmigranten naar Nederland. Duitsland was totaal berooid na de Eerste Wereldoorlog en de bevolking had het zwaar in die periode. De situatie in Nederland stak hier gunstig bij af, vandaar dat veel Duitsers hier naartoe trokken. De landbouwsector was gemoderniseerd en had geen trekarbeiders meer nodig. Wel was er veel vraag naar arbeidskrachten in fabrieken, mijnen en in particuliere huishoudens.

Vanaf 1905 kwamen Slovenen naar Nederland om in de Limburgse mijnen te werken. Tot halverwege de jaren '20 vertrokken deze migranten op eigen houtje naar Nederland. Vaak via het Duitse mijngebied, en ook wel via Frankrijk en België. Tussen 1926 en 1931 wierf de Nederlandse overheid actief Sloveense mijnarbeiders in Slovenië zelf. De eerste Slovenen in Nederland hadden de Oostenrijkse nationaliteit omdat Slovenië tot aan de verzelfstandiging in 1914 tot dit land behoorde. Het ging om 50 Slovenen, de meeste brachten een gezin mee. Waarschijnlijk vonden zij werk in de Laura mijn of de Domaniale mijn. De belangrijkste reden voor Slovenen om in de eerste helft van de 20ste eeuw naar West-Europa te vertrekken was een economische: in Slovenië was weinig werk. Bovendien gingen de oprichting van de staat Slovenië in 1914 en het trekken van nieuwe landsgrenzen na de Eerste Wereldoorlog gepaard met veel maatschappelijke onrust.

Achter de term 'zigeuners' gaan veel verschillende groepen schuil. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze met hun gezinnen rondtrokken, in tenten of woonwagens overnachtten en uit het buitenland kwamen. De eerste groepen die door Nederlandse overheden als 'zigeuner' werden betiteld, waren groepen ketellappers uit Hongarije die in het voorjaar van 1868 bij Oldenzaal de grens passeerden. In datzelfde jaar doken er gezinnen met bruine (dans)beren in Nederland op die eveneens als zigeuner werden aangemerkt. De autoriteiten gingen er van uit dat zigeuners bedelaars en armoedzaaiers waren en probeerden hen daarom zo veel mogelijk uit Nederland te weren. Omstreeks 1900 kwam er een derde groep naar Nederland: paardenhandelaren die met woonwagens Noorwegen hadden verlaten en waarschijnlijk oorspronkelijk uit Hongarije kwamen. Pas in de jaren '20 kregen politie en marechaussee een vierde groep in het oog: muzikanten uit Duitsland en België. De meeste gezinnen van deze laatste groep woonden al sinds het midden van de 19e eeuw in Nederland, maar ze vielen pas op toen ze de pensions en huizen verruilden voor een eigen woonwagen. Tegenwoordig gebruiken de nakomelingen van deze groepen, van wie een groot deel in 1944 in het vernietigingskamp Auschwitz werd vermoord, de term 'Sinti'. Vanaf het einde van de jaren '60 van de 20e eeuw maakten nieuwe 'zigeuners' hun opwachting, dit keer uit Joegoslavië. Toen het niet lukte hen naar hun geboorteland terug te sturen, zijn ongeveer 1000 van hen toegelaten en in de jaren '80 over een aantal opvanggemeenten verspreid. Ze wonen daar in huizen en staan bekend als 'Roma'. De term 'zigeuner' wordt door Sinti en Roma als een scheldwoord beschouwd.

Woonwagenbewoners van Beukbergen. Beukbergen, nu een van de grootste woonwagencentra van Europa, was ooit niet meer dan een kluitje wagens langs de kant van de weg. Een pleisterplaats voor scharen-slijpers, stoelenmatters, venters, kermisexploitanten, muzikanten, aardappelrooiers, uienrapers en kersenplukkers. Mensen met beroepen die een reizend bestaan noodzakelijk maakten, en voor wie reizen een manier van leven werd. Lees meer

Werknemers van de Indische overheid mochten vanaf het begin van de 19de eeuw eens in de 6 jaar op verlof. Ambtenaren en militairen die genoeg verdienden konden met hun gezin een half jaar voor vakantie en familiebezoek naar Nederland. Tijdens dit verlof werden de banden tussen Nederland en de kolonie versterkt. Mannen konden in deze periode een Nederlandse echtgenote zoeken. En het belangrijkste: wie op verlof mocht, kreeg een grotere status in Nederlands-Indië. Ook voor werknemers in het bedrijfsleven golden verlofregelingen.

In de Nederlandse mijnen werkten vanaf het begin van de 20ste eeuw veel buitenlanders, onder wie een klein aantal Italianen. Zij waren afkomstig uit het noorden van Italië en hadden voor hun komst vaak in het Duitse Ruhrgebied gewerkt of in de Belgische en Franse mijnen. Het kleine aantal Italiaanse mijnwerkers steeg in de jaren '20, maar nam weer af tijdens de economische crisis in de jaren '30. Na de Tweede Wereldoorlog trok de economie weer aan. De Nederlandse regering sloot in 1949 een wervingscontract met Italië, bedoeld om arbeiders voor de mijnen in Limburg te werven. Eind 1957 stopte de werving van Italianen voor de mijnen omdat het aanbod van Nederlandse arbeidskrachten groter werd.

IJsverkopers

De migratie van Italiaanse ijsverkopers kwam op gang in de tweede helft van de 19de eeuw. Deze Italianen verkochten hun ijs vanuit ijscokarretjes of zij waren eigenaar van een ijssalon. Meer dan tweederde van de ijsverkopers was afkomstig uit Veneto. Maar ook uit Toscane vertrokken Italianen naar Nederland om geld te verdienen met ijs. Wat begon met alleen mannen, ging over in de seizoensmigratie van hele families. In oktober keerden de Italianen weer terug naar Italië en verhuurden zij hun winkels voor de winter. Quirino De Mas kwam via zijn streekgenoot Guido De Lorenzo naar Nederland. Zoals gebruikelijk trok De Lorenzo in de winter langs de dorpen in zijn streek van herkomst om venters te werven. Al snel kwam De Mas in Eindhoven terecht, waar hij jarenlang met een ijskarretje langs de straten ging. In 1938 had De Mas voldoende gespaard om in Nijmegen zijn eigen ijssalon Venezia te openen. IJsverkoop was een lucratieve bezigheid, waardoor in de jaren '40 ook Italiaanse beeldenmakers overgingen op de verkoop van ijs.

Rond 1900 kwamen de eerste Italiaanse terrazzowerkers naar Nederland. Zij vestigden zich onder meer in Den Haag. Toen bleek dat er voldoende werk was, volgden hun streek-en dorpsgenoten. Elk bedrijf had zijn eigen wervingsgebied in Italië, meestal rond de geboorteplaats van de eigenaar. Terrazzowerkers hadden zich gespecialiseerd in het maken van granieten vloeren, aanrechten, gootstenen, dorpels en badcellen. Terrazzovloeren werden in het begin van de 20ste eeuw erg populair en zijn in veel openbare gebouwen, kerken, ziekenhuizen en scholen aangebracht. 

Terrazzowerkers maken vloeren (en aanrechten) met stukjes marmer in cement. Als de vloer hard is wordt hij glanzend geschuurd. De techniek komt van oorsprong uit Italië en is ook wel bekend onder de naam granito. De meeste terrazzowerkers kwamen uit Friuli, in het noordoosten van Italië. Een belangrijke herkomstplaats was Maniago en de gehuchten daaromheen. De grootste concentratie terrazzowerkers in Nederland bevond zich in Den Haag. In Den Haag was ook de enige Friulaanse club, deze had in 1983 nog ca. 130 leden.

Het onderwijsstelsel in Suriname was beperkt. Ook in de 20ste eeuw konden autochtone Surinamers er bijna geen beroepsopleiding volgen, laat staan een universitaire studie. Voor kinderen van blanke Nederlanders was het wel gebruikelijk om voor een studie naar Nederland te gaan. Toen Surinaamse joden en kleurlingen betere posities in de samenleving begonnen in te nemen, kregen ook hun nakomelingen de kans om zich in het vaderland overzee verder te bekwamen. Vanaf ongeveer 1950 kwamen groepjes Afro-Surinamers (Creolen) naar Nederland om een opleiding te volgen. Nog iets later, in de jaren zestig, kwamen Javaanse en Hindostaanse inwoners over. Omdat er in Suriname weinig werk was voor hoogopgeleiden, vestigden veel Surinamers zich na hun studie in Nederland.

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de VOC, kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Naast joden kwamen ook nog ongeveer 7.000 andere vluchtelingen naar Nederland in het decennium voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Zij vluchtten vanwege het naziregime. Dit waren vervolgde socialisten, communisten en trotskisten. En ook katholieken, kunstenaars en intellectuelen. Zij waren door het naziregime als vijanden bestempeld en daarom in Nederland op zoek naar veiligheid.

Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) kwamen meer dan 150.000 kinderen voor een vakantie bij Nederlandse pleegouders. Het overgrote deel kwam uit Hongarije, maar ook Oostenrijkse kinderen werden voor een tijdje naar Nederland gehaald. Nederlandse hulporganisaties regelden de vakanties. De Oostenrijkse kinderen waren ondervoed en sterk verzwakt. De situatie in Oostenrijk was ellendig. Het land was één van de verliezers van de oorlog en had veel grondgebied verloren aan buurlanden.

Dienstbodes

Dienstpersoneel in Nederland komt al eeuwen voor een deel uit het buitenland. In de welvarende Republiek in de 16de eeuw was de vraag van welgestelden naar bedienend personeel veel groter dan waaraan de Nederlandse meisjes en jonge vrouwen konden voldoen. Migranten zagen de mogelijkheden en bijvoorbeeld Noorse dienstmeisjes vertrokken voor een bepaalde periode, soms enkele jaren, naar Amsterdam. Zoals de ophanging van Elsje Christiaens laat zien, kwamen dienstmeisjes ook uit Duitsland. Het aantal Duitse dienstbodes zou aan het eind van de 19de eeuw toenemen om zich vooral aan het begin van de 20ste eeuw zeer sterk uit te breiden. Tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog hebben honderdduizenden jonge Duitse vrouwen enige tijd in Nederland gewerkt. Een deel van hen huwde een Nederlandse man en keerde niet naar het vaderland terug. Onder de in Nederland werkzame dienstbodes bevonden zich ook andere nationaliteiten, zoals Oostenrijkse vrouwen. In de tweede helft van de twintigste eeuw verschoof het herkomstgebied van dienstpersoneel van Europa naar Azie, Afrika en Zuid-Amerika. Bij voorbeeld al dan niet illegaal in Nederland verblijvende Braziliaanse of Fillippijnse hulpen in de huishouding is een normaal verschijnsel geworden.

Vanaf halverwege de negentiende eeuw kwamen kleine groepjes Hongaren naar Nederland. Volgens het Haagse weekblad waren de zigeuners die in 1909 in Den Haag aankwamen ‘Mooie typen de mannen met gitzwarte hare en oogen, maken in hun nationaal costuum een goeden indruk- terwijl de vrouwen met hare vlechten, waaraan tal van munten, (één zag ik er met 30 goudstukken van Maria-Theresia), even behoorlijk als goedig eruitzien’. Zij trokken met hun families rond met paard en wagen. Ondertussen verdienden ze de kost met het repareren van potten en pannen. Ze woonden in tenten. De meeste van de rondtrekkende Hongaarse families emigreerden later naar Zuid-Amerika en Noord-Amerika. Een klein aantal bleef uiteindelijk in Nederland.

In de 19de eeuw ronselde Nederland ruim 3.000 soldaten in de Goudkust, het huidige Ghana, voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in de archipel. Tussen 1831 en 1872 waren al deze mannen in Nederlands-Indië gelegerd. Meer dan 450 bleven na hun diensttijd in de kolonie en kregen Indo-Afrikaanse nazaten. Zij werden officieel ingedeeld bij het Europese deel van de bewoners van de Nederlandse kolonie. Tijdens en na de dekolonisatie vertrok het grootste deel van hen naar Nederland, net zoals de alle andere ' Europeanen'  of daarmee gelijkgestelden die een Nederlands paspoort hadden. Sommigen van hen migreerden later verder naar de Verenigde Staten.

In het begin van de 20e eeuw is voor de Griekse migratie de periode van de Megali Katastrofi (grote catastrofe) van belang. Vanwege de Turkse overwinning op de Grieken in de stad Smyrna (Klein-Azië, het huidige Turkije), moesten meer dan een miljoen Grieken in 1922 hun geboortegrond ontvluchten. Zij vestigden zich voor een belangrijk deel op de Griekse eilanden in de Egeïsche Zee. Later vond een officiële uitwisseling plaats van Turkse minderheden in Griekenland en Griekse minderheden in Klein-Azië, zoals was vastgelegd in het Verdrag van Lausanne (1923). De officiële naam van de stad Smyrna was toen door de Turkse overheid al veranderd in de huidige naam: İzmir.
De gevluchte Grieken vestigden zich niet alleen in Griekenland, maar trokken ook door naar andere delen van Europa en naar de Verenigde Staten. In Nederland richtte een aantal van hen ondernemingen op, waarmee zij in het spoor van eerder gemigreerde landgenoten traden, zoals de sigarettenfabrikanten Yokarinis (Amsterdam) en Vafiadis (Bilthoven). Vanaf de jaren twintig handelden Cleomene Aridjis en Charilaos Chiotakis in Utrecht respectievelijk in wijn en bont. Onder de Grieken uit Klein-Azië die zich in België vestigden, bevonden zich Leonidas Kestekides en Jean Daskalidès. Zij zouden met het maken van pralines internationale faam verwerven.
In Rotterdam bevond zich vóór de Tweede Wereldoorlog een kleine gemeenschap van voormalige Griekse zeelieden die zich bezighielden met aan de scheepvaart gerelateerde activiteiten. Naast scheepsbevoorraders en -agenten kon men in het havengebied ook Griekse cafés en restaurants aantreffen. Afgemonsterde zeelieden deden er boodschappen voor scheepsbemanningen. Ze probeerden kleine artikelen zoals sigaretten en chocolade op hun handkarren te verkopen of vanaf de motorbootjes waarmee ze langs de schepen voeren.

Meer:
Cleomene Aridjis een Griekse ondernemer
Charilaos Chiotakis, bonthandelaar


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM