Uitgebreid zoeken

Adoptiekinderen

Sinds de vroege jaren '70 heeft de adoptie van kinderen uit het buitenland een hoge vlucht genomen. Behalve uit Zuid-Korea kwamen er kinderen uit Thailand, Sri Lanka, India, Bangladesh, Indonesië, Columbia en nog wel andere landen naar Nederland. Die steeds grotere vraag kwam door het stijgen van de leeftijd waarop vrouwen in het Westen een kind wilden. Hierdoor nam de kans op ongewenste kinderloosheid toe. In 1967 vertelde de naar Amerika geëmigreerde Nederlandse schrijver Jan de Hartog in het populaire televisieprogramma Mies en scène met veel warmte over zijn twee geadopteerde Koreaanse kinderen. Zijn optreden bracht talrijke Nederlandse ouderparen op het idee een adoptiekind te gaan zoeken in de zwaar door de oorlog getroffen landen in Azië. De kinderen van veel alleenstaande moeders in Korea en Vietnam hadden vaak nauwelijks een kans om een bestaan op te bouwen. Adoptie bood dan een kans op een stabiele toekomst elders.

In de Nederlandse geschiedenis van de adoptie zijn drie fasen te onderscheiden. In de eerste fase, de periode tot 1970, adopteerden mensen kinderen vooral omdat ze die zelf niet konden krijgen. In de tweede fase, de jaren tot 1985, ging het veel meer om een vorm van maatschappelijk engagement. Adoptie als een manier om de problemen in de ‘Derde Wereld’ een beetje te helpen verlichten. Anders dan betrokkenen in de eerste periode hadden deze ouders vaker al eigen kinderen. In de jaren ná 1985 nam het realiteitsbesef weer de overhand. Dat gold zowel voor ouders als voor de instanties die bemiddelden en hulp verleenden. Als vanouds ging het steeds vaker om kinderloze echtparen met een sterke kinderwens. Maar ook de landen waaruit tot dan toe veel kinderen waren gerekruteerd voor adoptie, reageerden niet meer hetzelfde. Niet alleen Indonesië, maar bijvoorbeeld ook Zuid-Korea en India kondigden strenge maatregelen af tegen kindermigratie naar het Westen. Zij begonnen juist de adoptie in eigen land te stimuleren. Zuid-Amerikaanse landen als Brazilië en Columbia kwamen met net zo’n beleid.

In de beginjaren in Nederland was het nog niet zo eenvoudig om een kind uit het buitenland te adopteren. In 1969 is er zelfs een aparte Stichting Interlandelijke Adoptie opgericht. Vooral praktisch viel er van alles te regelen. Zoals het selecteren van ouderparen, maar ook het beoordelen van hun geschiktheid. Een duidelijk beeld van hun wensen mocht evenmin ontbreken. Verder vroeg de Nederlandse wetgeving om een aantal aanpassingen. Een ander punt van zorg was de betrouwbaarheid van organisaties die de kinderen aanboden. Toen het op al die vlakken goed geolied verliep, kwamen er steeds meer adoptiekinderen uit Azië over. Dat leidde tussen 1970 en 1992 tot de adoptie van officieel 20.236 buitenlandse kinderen door Nederlandse gezinnen. Van degenen die vóór 1986 werden geplaatst, was 63 procent bij aankomst jonger dan anderhalf jaar. Eén op de twintig had een leeftijd boven de vijfenhalf jaar.

Het doorsnee ouderpaar dat zich aanmeldde voor adoptie had het liefst een baby. En verder net iets liever een meisje dan een jongen. Door hun jonge leeftijd bij aankomst wisten de meeste adoptiekinderen maar weinig van de taal en cultuur van hun moederland. In het Nederlandse gezin dat hen opnam, waren ze intussen zeer welkom. Het ging meestal om gezinnen met een redelijk inkomen en ouders die een goede opleiding hadden genoten. De adoptiekinderen werden op dezelfde manier opgevoed als Nederlandse kinderen. Dat gold ook voor hun carrière in het onderwijs. Voor zover we weten, verliep hun aanpassing aan het nieuwe gezinsleven bij de meeste kinderen heel voorspoedig. Wat niet wil zeggen dat zich helemaal geen problemen voordeden. Daarvoor verschilden de kinderen uit meestal arme Aziatische landen te veel van hun Nederlandse leeftijdgenoten. Sommigen kampten bijvoorbeeld met ziektes en groeistoornissen. Dat was het gevolg van de armoede en ondervoeding in hun eerste levensjaren. Ook was niet ieder kind in staat om op afroep een emotionele band te ontwikkelen met de adoptiefouders.

Aziatische adoptiekinderen groeiden op in de intimiteit van een nieuw gezin. Zij woonden verspreid over het land en maakten zich de kennis en vaardigheden eigen die bij de Nederlandse identiteit horen. Op één punt verschilden zij echter van de rest van de samenleving: zij zagen er anders uit. Hun huidskleur, mongolenogen en lichaamsbouw week af van dat van de zogenaamd blanke Nederlanders. Dat heeft bij menigeen tot verwarrende gevoelens geleid. Er wel bijhoren, maar toch buitenstaander zijn – daar kwam het op neer. Ze waren gevormd door een Nederlandse opvoeding, in het bezit van een Nederlandse nationaliteit en een Nederlands paspoort. Dus in dat opzicht heel anders dan andere migranten. Ze zweefden ook niet tussen twee vaderlanden, maar hadden wel biologische familie in het buitenland. Uit dat besef kwamen de nodige problemen voort. Vandaar dat bijvoorbeeld Koreaanse adoptiekinderen een eigen vereniging hebben opgericht, Arierang, en sinds begin jaren negentig een eigen blad uitgeven: Uri Shinmun – er is uiteraard ook een website. In de turbotaal van deze tijd noemen zij zich ‘adopko’s’. Hun activiteiten hebben een sterk commerciële kant, door het opnemen van advertenties van bedrijven en reisbureaus. Maar in het blad staan ook regelmatig artikelen over de ingewikkelde kanten van een identiteit. Het leven van deze groepen adoptiekinderen valt namelijk niet echt te dekken met de termen migrant, Nederlander en Aziaat. Zij vormen een categorie op zich, en menigeen voelt dat ook zo.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM