Uitgebreid zoeken

vluchtelingen

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) wilde het Duitse leger over Belgisch grondgebied naar Frankrijk. De Belgische regering hield echter vast aan haar neutraliteit en weigerde het verzoek om Duitse troepen vrije doortocht te geven. Het Duitse leger viel vervolgens België binnen en daarop vertrokken een miljoen Belgen, burgers maar ook soldaten, halsoverkop naar Nederland. Nog eens 500.000 mensen vluchtten naar Engeland of Frankrijk. Toen het oorlogsgeweld zich na oktober 1914 naar Frankrijk verplaatste keerden de meeste vluchtelingen terug naar huis. Zo'n 135.000 Belgen bleven echter tot het einde van de oorlog in Nederland wonen. Zij keerden pas na 1918 naar huis terug.

Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, probeerden veel joden naar het buitenland te vluchten. Hoeveel joodse vluchtelingen tussen 1933 en 1940 naar Nederland zijn gekomen is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van 35.000 tot maximaal 50.000 vluchtelingen. Daarvan keerde een deel terug of emigreerde naar andere landen. De meeste joodse vluchtelingen kwamen uit Duitsland. Het overgrote deel had de Duitse nationaliteit, de rest had de Poolse nationaliteit of was statenloos. Een klein deel van de joodse vluchtelingen kwam uit Oostenrijk.

In 1947 en 1948 liet de Nederlandse overheid 4.000 displaced persons toe. Met de term displaced persons werden vluchtelingen aangeduid die zich, door deportatie of andere gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de bevrijding buiten de grenzen van het thuisland bevonden. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren miljoenen mensen in Europa verspreid geraakt. Velen keerden meteen na de bevrijding terug. Het bleek al snel dat ongeveer 1,6 miljoen Oost-Europeanen niet naar huis wilden, want daar waren de communisten nu aan de macht. Bovendien was de economie er slecht aan toe. Deze displaced persons bleven liever in de kampen waar zij waren opgevangen in Duitsland, Oostenrijk en Italië. Westerse landen namen hen vervolgens op, waarna de opvangkampen opgeheven werden.

Op 4 november 1956 viel de Sovjet-Unie Hongarije binnen. Het leger moest een eind maken aan massale demonstraties van opstandige Hongaren tegen het communistisch regime. Door het optreden van het Russische leger sloegen 225.000 Hongaren op de vlucht. De meeste vluchtelingen kwamen uit Boedapest. Het overgrote deel ging naar Oostenrijk. Een klein deel stak de grens met Joegoslavië over. Het Internationale Rode Kruis ving hen op in vluchtelingenkampen. De motieven om de grens over te steken waren niet uitsluitend van politieke aard. Hongarije was een arm land, en in het buitenland was veel meer werk te vinden en geld te verdienen. Het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties vroeg Nederland en andere landen om Hongaarse vluchtelingen op te nemen. Nederland liet daarop uiteindelijk 3300 Hongaarse vluchtelingen toe.

Hugenoten

Tussen 1680 en 1720 ontvluchtten waarschijnlijk zo’n 150.000 Franse protestanten - Hugenoten  genaamd - hun vaderland. Ongeveer 35.000 à 50.000 van hen kwamen naar Nederland. Veel Nederlandse steden waren blij met deze vluchtelingen, vanwege hun geld, kennis en contacten. Door hun komst kreeg de economie een stevige impuls. De Hugenoten kregen dan ook allerlei gunstige rechten. Zo hoefden ze bijvoorbeeld niet te betalen voor het lidmaatschap van de gilden. Toen na enige tijd bleek dat de migranten niet allemaal rijk waren, kwam er kritiek los. Bovendien werden de vluchtelingen belachelijk gemaakt om de manier waarop ze gekleed gingen en vanwege hun spraak. De Nederlanders vonden de Franse nieuwkomers wuft en arrogant.  Daar kwam bij dat ze lang vasthielden aan de Franse taal en hun eigen (Waalse) kerken.

Naast joden kwamen ook nog ongeveer 7.000 andere vluchtelingen naar Nederland in het decennium voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Zij vluchtten vanwege het naziregime. Dit waren vervolgde socialisten, communisten en trotskisten. En ook katholieken, kunstenaars en intellectuelen. Zij waren door het naziregime als vijanden bestempeld en daarom in Nederland op zoek naar veiligheid.

Gedurende de Koude Oorlog vormden Joegoslavische vluchtelingen Ã©Ã©n van de grootste groepen migranten, maar hun aantal telde zelden meer dan honderd per jaar. Dit veranderde na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn (in 1989). Na het begin van de burgeroorlog in Joegoslavië sloegen niet minder dan zes miljoen mensen op de vlucht. Aanvankelijk kwamen vooral veel Bosniërs naar Nederland; zowel Bosnische moslims, Serviërs als Kroaten. In 1999 bestond de grootste groep uit Kosovaren. De komst van voormalig Joegoslaven zorgde in 1994 voor het recordaantal van meer dan 50.000 asielzoekers, die aanvankelijk een tijdelijke ‘ontheemdenstatus’ kregen. Het idee was dat zij buiten de asielprocedure konden blijven, omdat zij zouden terugkeren wanneer de oorlog in hun land voorbij was. Dit gebeurde echter niet en vele jaren later kregen zij toch een asielstatus. Het waren alleen de Kosovaren die merendeels terugkeerden. De opvang in Nederland kon de grote aantallen niet aan, wat ertoe leidde dat mensen soms moesten overnachten in maïsvelden. Zulke toestanden leidden steevast tot felle politieke en publieke debatten.

Vluchtelingen

Nederland kent een lange geschiedenis van opvang van vluchtelingen. Vluchtelingen zijn migranten die huis en haard hebben verlaten en tijdelijk of permanent een heenkomen in het buitenland zoeken. Oorlog, vervolging of natuurrampen in het land van herkomst vormen vaak de belangrijkste motieven van een vluchteling. Daarbij kunnen ook economische overwegingen een rol spelen. Sinds de totstandkoming van het vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties in 1951 (zie asielbeleid), hebben alle aangesloten landen zoals Nederland zichzelf verplicht vluchtelingen die aan de VN-criteria voldoen toe te laten. In de periode voor de 19de eeuw was de houding van de autoriteiten ten opzichte van vluchtelingen heel anders. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bestond geen enkele verplichting iets aan de situatie van de gevluchte medemens te doen. Dit wil niet zeggen dat men onwelwillend tegenover vluchtelingen stond. Autoriteiten wisten dat vluchtelingen van economisch nut konden zijn. Was dit niet het geval, dan gingen ze naadloos op in de laagste klasse. Met de opkomst van de natiestaat veranderde de houding. Het werd belangrijk wie tot een bepaald land hoorde, en daarmee bepaalde rechten en plichten had, en wie de buitenstaanders. Er werd beleid ontwikkeld om de toegang van vreemdelingen, vluchtelingen inbegrepen, te regelen. In de 20ste eeuw nam het aantal vluchtelingen zo enorm toe, onder andere door de twee wereldoorlogen, dat het noodzakelijk werd een onderscheid te maken tussen vluchtelingen en andere migranten. Staten troffen onderling regelingen om de vluchtelingenbewegingen te controleren.

In het begin van de 20e eeuw is voor de Griekse migratie de periode van de Megali Katastrofi (grote catastrofe) van belang. Vanwege de Turkse overwinning op de Grieken in de stad Smyrna (Klein-Azië, het huidige Turkije), moesten meer dan een miljoen Grieken in 1922 hun geboortegrond ontvluchten. Zij vestigden zich voor een belangrijk deel op de Griekse eilanden in de Egeïsche Zee. Later vond een officiële uitwisseling plaats van Turkse minderheden in Griekenland en Griekse minderheden in Klein-Azië, zoals was vastgelegd in het Verdrag van Lausanne (1923). De officiële naam van de stad Smyrna was toen door de Turkse overheid al veranderd in de huidige naam: İzmir.
De gevluchte Grieken vestigden zich niet alleen in Griekenland, maar trokken ook door naar andere delen van Europa en naar de Verenigde Staten. In Nederland richtte een aantal van hen ondernemingen op, waarmee zij in het spoor van eerder gemigreerde landgenoten traden, zoals de sigarettenfabrikanten Yokarinis (Amsterdam) en Vafiadis (Bilthoven). Vanaf de jaren twintig handelden Cleomene Aridjis en Charilaos Chiotakis in Utrecht respectievelijk in wijn en bont. Onder de Grieken uit Klein-Azië die zich in België vestigden, bevonden zich Leonidas Kestekides en Jean Daskalidès. Zij zouden met het maken van pralines internationale faam verwerven.
In Rotterdam bevond zich vóór de Tweede Wereldoorlog een kleine gemeenschap van voormalige Griekse zeelieden die zich bezighielden met aan de scheepvaart gerelateerde activiteiten. Naast scheepsbevoorraders en -agenten kon men in het havengebied ook Griekse cafés en restaurants aantreffen. Afgemonsterde zeelieden deden er boodschappen voor scheepsbemanningen. Ze probeerden kleine artikelen zoals sigaretten en chocolade op hun handkarren te verkopen of vanaf de motorbootjes waarmee ze langs de schepen voeren.

Meer:
Cleomene Aridjis een Griekse ondernemer
Charilaos Chiotakis, bonthandelaar

Chileense vluchtelingen kwamen naar Nederland na de militaire staatsgreep in Chili op 11 september 1973. Het dramatische verloop van de staatsgreep, waarbij de democratisch gekozen sociaaldemocratische president Allende door de militaire junta aan de kant werd gezet, werd door de Nederlanders via de televisie gevolgd. Linkse studenten vluchtten de bergen in en werden later door Nederlandse paters naar de Nederlandse ambassade geloodst. Premier Den Uyl nodigde 150 vluchtelingen uit om naar Nederland te komen. Eenmaal in Nederland hielden veel van hen lezingen in het hele land. Ze volgden geen lessen Nederlands, maar gaven Spaans aan Nederlandse vrouwen. Ze hoopten spoedig naar Chili te kunnen terugkeren, en toen dat niet lukte hadden ze het gevoel hun strijdmakkers in de steek te hebben gelaten. Andere vluchtelingen kwamen niet op uitnodiging, maar via allerlei omwegen op eigen gelegenheid. De Chileense vluchtelingen zagen hun verblijf in Nederland, zoals dat gold voor veel andere vluchtelingen, als tijdelijk. De Chileense vluchtelingen werden centraal opgevangen. In de opvangcentra heerste grote verdeeldheid tussen groepen Chilenen met verschillende achtergrond. Van de ruim tweeduizend vluchtelingen keerde na verloop van tijd ruim de helft terug naar hun land.

Wanneer, hoe en waarom spelen non-gouvernementele organisaties (NGOs) die zich hardmaken voor de bescherming van vluchtelingen, zoals bijvoorbeeld Amnesty International en het Rode Kruis, een rol in het bepalen van het beleid in Europa? Hebben zij een belangrijke rol en hoeveel invloed oefenen zij uit op het vluchtelingenbeleid? Een sleutelmoment in de Europese geschiedenis van het vluchtelingenbeleid was de introductie van het eerste vluchtelingenpaspoort: het Nansenpaspoort uit 1922.

Er is veel informatie te vinden betreffende de rol van NGOs bij de totstandkoming van het Nansenpaspoort in de archieven van overheden, NGOs en intergouvernementele organisaties (IGOs). Denk hierbij aan uiteenlopende documenten zoals notulen van vergaderingen en conferenties, correspondentie, verslagen, jaarboeken, bulletins en krantenartikelen. Met dit bronnenmateriaal kunnen vragen beantwoord worden als: wat was het Nansenpaspoort precies? Hoe kwam het tot stand? Hoe waren NGOs betrokken en wat zegt het over de positie en impact van NGOs?

Deze pagina is tot stand gekomen op basis van onderzoek van Teuntje Vosters. In haar promotieonderzoek aan de Universiteit Leiden onderzoekt zij de rol van NGOs tijdens vijf ‘sleutelmomenten’ in de 20ste eeuw . De vijf sleutelmomenten waren cruciale momenten van debat, crisis en/of verandering in de Europese geschiedenis van het vluchtelingebeleid. Een van die sleutelmoment is de introductie van het Nansenpaspoort in 1922.

Wanneer, hoe en waarom spelen non-gouvernementele organisaties (NGOs) die zich hardmaken voor de bescherming van vluchtelingen, zoals bijvoorbeeld Amnesty International en het Rode Kruis, een rol in het bepalen van het beleid in Europa? Hebben zij een belangrijke rol en hoeveel invloed oefenen zij uit op het vluchtelingenbeleid? Een sleutelmoment in de Europese geschiedenis van het vluchtelingenbeleid was de introductie van het eerste vluchtelingenpaspoort: het Nansenpaspoort uit 1922.

Er is veel informatie te vinden betreffende de rol van NGOs bij de totstandkoming van het Nansenpaspoort in de archieven van overheden, NGOs en intergouvernementele organisaties (IGOs). Denk hierbij aan uiteenlopende documenten zoals notulen van vergaderingen en conferenties, correspondentie, verslagen, jaarboeken, bulletins en krantenartikelen. Met dit bronnenmateriaal kunnen vragen beantwoord worden als: wat was het Nansenpaspoort precies? Hoe kwam het tot stand? Hoe waren NGOs betrokken en wat zegt het over de positie en impact van NGOs?

Deze pagina is tot stand gekomen op basis van onderzoek van Teuntje Vosters. In haar promotieonderzoek aan de Universiteit Leiden onderzoekt zij de rol van NGOs tijdens vijf ‘sleutelmomenten’ in de 20ste eeuw . De vijf sleutelmomenten waren cruciale momenten van debat, crisis en/of verandering in de Europese geschiedenis van het vluchtelingebeleid. Een van die sleutelmoment is de introductie van het Nansenpaspoort in 1922.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM