Uitgebreid zoeken

italiaanse ambachtslieden

Tijdens de Gouden Eeuw en daarna kwamen uit Duitsland veel arbeiders om te helpen met hooien in de drukke zomermaanden. Deze Duitse trekarbeiders vertrokken weer naar huis om het volgend jaar terug te komen. Voor Italianen was deze seizoensarbeid geen optie. In die tijd reisden migranten te voet en vanuit ItaliĆ« waren ze meer dan een maand onderweg, dus zochten Italianen naar andere vormen van inkomsten. Ze trokken bijvoorbeeld het hele jaar rond als handelaar, marskramer of muzikant. Anderen wilden langer in de stad blijven en probeerden aan de slag te komen in beroepen waarin ze als vreemdeling mochten werken. VĆ³Ć³r 1700 verbleef slechts een handvol Italianen in Nederland.


Voor vrijwel alle beroepen moest men lid zijn van een gilde. Vreemdelingen konden geen lid worden omdat zij meestal geen burger van de stad waren. Zij konden daarom alleen aan de slag in beroepen die vrij toegankelijk waren. Dat was ook toen al vooral werk dat weinig ingezetenen wilden verrichten, zoals schoorsteenveger, of beroepen die onbekend waren en waarvoor dus geen gilde bestond. Italianen, net als andere vreemdelingen, maakten daarvan gebruik en introduceerden enkele onbekende beroepen in Nederland, zoals stucadoor, en rond 1900 terrazzowerkers.

Stucadoors

De eerste Italiaanse ambachtslieden die vanaf ongeveer 1700 in Groningen werkten waren stucadoors. Zij kwamen uit het Noorden van Italiƫ, uit de streek rond de meren van Como en Lugano. Hun vak (stucco) was in Nederland onbekend. In de 18de eeuw verschenen echter ook de eerste stucadoors uit Duitsland (Oldeburg). Daarna verdwenen de Italianen langzaam uit beeld en groeiden de Oldenburger stucadoors tot een begrip uit.

EĆ©n van de oudste migrantengroepen die vanuit ItaliĆ« naar Nederland kwam, bestond uit instrumentenmakers. Zij vestigden zich vanaf 1650 in Nederlandse steden en waren vooral goed in het maken van barometers, dus instrumenten die aangaven wat voor weer het zou worden. Het grootste deel van de barometers die vĆ³Ć³r 1900 in Nederland werd gemaakt - maar hetzelfde gold in Frankrijk en Engeland - was van Italiaanse makelij. De Italiaanse instrumentenmakers kwamen uit streken ten noorden van Milaan en waren gespecialiseerd in het bewerken van hout en in glasblazen, twee vaardigheden die nodig waren voor het maken van barometers.

De Italiaanse figuristi die in de 19de eeuw naar Nederland kwamen, werkten vaak in een groep van vier tot tien mensen. Die groep werd soms al in ItaliĆ« gevormd en de mannen reisden samen. De beeldenmakers die zo ver als Nederland gingen, deden dat vooral in februari en maart, en reisden vaak via BelgiĆ« naar Rotterdam en Amsterdam. De meerderheid was geboren in Toscane, vooral in of rond Bagni di Lucca. De beeldenmakers bleven meestal kort in dezelfde stad en trokken dan weer verder naar andere steden: in Nederland, Engeland, Duitsland of BelgiĆ«. Een compagnia di figuristi stond onder leiding van een padrone, die mallen kon maken van klei. Andere leden hadden tot taak om beelden van gips te gieten in de mallen of om de beelden te beschilderen. Weer anderen gingen langs de deuren en markten om de gipsenbeeldjes van dieren, bloemen of heiligen, te verkopen. Omdat de meeste beeldenmakers rondtrokken, waren er weinig echte bedrijven van Italiaanse beeldenmakers in Nederland. Toch hadden Italianen in de tweede helft van de 19de eeuw in een aantal steden min of meer een monopoliepositie verworven. Zo telde Utrecht eind 19de eeuw uitsluitend Italiaanse bedrijven. Sommige beeldenmakers stapten later over op een ander beroep, zoals dat van ijsverkoper.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM