Uitgebreid zoeken

Oost-Europese joden in Nederland - blijvers en buurten

"Mijn vader is geboren in Tarnof in Galicië. Ook mijn moeder kwam daar vandaan. Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, vluchtten zij  naar Wenen. Mijn broer en ik waren daar al bij. Ik was toen twee jaar. Mijn vader was bang, dat hij toch het leger in moest en vluchtte naar Holland. Een jaar later kwamen mijn moeder, mijn broer en ik naar Holland. In Polen had mijn vader een zaak in haarnetten en pruiken moeten achterlaten. Nu woonden we in Scheveningen in een huurhuis, omdat we altijd dachten: we gaan toch weer terug. Het is er nooit van gekomen. Mijn vader zette hier zijn zaak voort".    

Zo schetste Golda Laufer-Rosenthal in een interview uit 1982 de immigratiegeschiedenis van haar Oost-Europese joodse familie. De meerderheid van de Oost-Europese joden die na 1881 in Nederland arriveerden, reisden door naar andere landen. Er waren er echter ook, zoals de familie Rosenthal, die zich hier permanent vestigden en voor zichzelf en hun kinderen een nieuwe toekomst opbouwden. Dat ging uiteraard niet altijd gemakkelijk. Zoals elke immigrantengroep werden de Oost-Europese joden geconfronteerd met de gebruikelijke problemen: taalbarrières, het vinden van werk, cultuurverschillen en vooroordelen. In de betrekkelijk schaarse literatuur over deze immigrantengroep wordt vaak de relatief geïsoleerde positie van vooral de eerste generaties genoemd. Een betrekkelijk geïsoleerde positie in de Nederlandse samenleving als geheel, maar ook binnen de joodse gemeenschap in Nederland. Er waren van lieverlede op veel gebieden grote verschillen ontstaan tussen de Nederlandse joden en de joden in Oost-Europa. Zij waren vreemdelingen voor elkaar geworden. Daarnaast waren er ook verschillen binnen de Oost-Europese joodse immigrantengroep zelf. Joodse immigranten uit bijvoorbeeld Litouwen en Galicië kunnen gemakshalve worden samengevoegd onder de noemer Oostjoodse immigranten, maar dat neemt niet weg dat er tussen deze groepen grote verschillen bestonden. Golda Laufer-Rosenthal herinnerde zich in 1982:

"Samen met andere Pools-joodse vluchtelingen vormden we een eigen gemeenschap. In 1920 kwamen er weer joodse vluchtelingen, maar dat waren andere joden. We vonden dat we niets met ze te maken hadden...  We kregen ook de eerste Poolse sjoel. Aan de Haringkade (in Scheveningen) was een Hollandse sjoel. Daar zijn we nooit geweest. Wij vormden met elkaar een aparte gemeenschap. Wij hadden eigenlijk niets met andere mensen te maken. De enige Nederlanders, die in huis kwamen waren de naaister en de wasman. Die laatste was dan nog joods ook. Pas veel later, op de middelbare school, ontstonden contacten met niet-joden, gewone Nederlanders".    

Elke immigrant immigreert op zijn eigen manier. Er zijn ongetwijfeld ook Oost-Europese joodse immigranten geweest die een veel minder geïsoleerde positie hebben ingenomen dan die Golda Laufer-Rosenthal schetst. Het is echter onmiskenbaar dat er bij de Oost-Europese joodse immigranten een sterke neiging bestond om eigen synagoges en verenigingen te stichten, bij elkaar in de buurt te gaan wonen en aparte netwerken op te bouwen.

Helaas zijn de aantallen Oost-Europese joodse immigranten in de jaren 1881-1933 nooit volledig en definitief vastgesteld. Het enige systematische onderzoek dat naar mijn weten hiernaar is gedaan betreft Amsterdam en Rotterdam in de jaren 1881-1914. Karin Hofmeester en Peter Tammes komen in hun onderzoek  betreffende die jaren uit op rond 1.000 immigranten in Amsterdam en ruim 300 in Rotterdam. Over de jaren na 1914 en de vestiging in andere gemeenten zijn we veel minder goed geïnformeerd. We moeten het doen met vage aanwijzingen. Zeker is wel dat zich vooral in en kort na de Eerste Wereldoorlog en in de jaren rond 1930 een piek in de Oostjoodse immigratie voordeed. En ook is zeker dat de overgrote meerderheid van de immigranten ging wonen in Amsterdam en Rotterdam. Daarnaast woonde er na 1914 een opvallend groot aantal Oost-Europese joden in Scheveningen. Omdat veel Oostjoodse immigranten de neiging hadden om bij elkaar in de buurt te gaan wonen, ontstonden in Amsterdam, Rotterdam en Scheveningen Oostjoodse buurtjes.

Amsterdam 

In Amsterdam waren twee van dergelijke buurtjes: de straten rond de Nieuwe Kerkstraat-Manegestraat en die rond de Blasiusstraat-Swammerdamstraat. In de Manegestraat woonden dermate veel Oost-Europese joden dat die straat bekend stond als het Russenstraatje. In 1889 werd in een huiskamer in de Nieuwe Kerkstraat door de immigranten een eigen provisorische sjoeltje ingericht. Dit Russensjoeltje ontwikkelde zich in de jaren daarna tot een echte synagoge. De behoefte om eigen synagoges in te richten was groot. Veel Oost-Europese joodse immigranten voelden zich niet thuis in de vaak als koel omschreven Nederlands-joodse synagoges.

De Blasiusstraat was het hart van het andere Oostjoodse buurtje in Amsterdam. Op de hoek Blasiusstraat-Swammerdamstraat opende de Oostjoodse vereniging Kehillas Ja'akow in 1890 een eigen synagoge. Het is tekenend voor de al aangestipte verschillen binnen de Oostjoodse immigrantengroep dat Poolse en Galicische joden vooral naar de synagoge in de Nieuwe Kerkstraat gingen en de synagoge in de Swammerdamstraat vooral door Russisch-Litouwse joden bezocht werd. En het is ook tekenend dat de synagoges niet alleen door Oost-Europese joden bezocht werden. De plek in de synagoge in de Swammerdamstraat waar Nederlandse joden vaak gingen zitten, werd de Hoek van Holland genoemd. Het isolement van de Oostjoodse immigranten is nooit volledig geweest.

Rotterdam

In Rotterdam vestigden de Oostjoodse immigranten zich vooral in de wijken Stadsdriehoek, Cool, Agniesebuurt, Middelland en op Katendrecht. In de Stadsdriehoek en de omliggende straten waren veel emigrantenlogementen gevestigd. In de Nadorststraat aan de rand van deze wijk dreef de Oostjoodse immigrant en latere bioscoopexploitant Abram Tuschinski het immigrantenpension Polski.

Ook in Rotterdam werden door de Oostjoodse immigranten eigen synagoges gesticht. De vereniging Agoedas Achiem (Vereniging van Broeders) had eerst een kleine sjoel aan de Rederijstraat en opende in 1928 een grotere synagoge in de Kipstraat. De Aron haKodesh (de kast waar de Torahrollen worden bewaard) was geschonken door Tuschinski. Het verhaal gaat dat de Nederlands-joodse opperrabbijn Davids met zijn gemeenteleden kwam kijken als op de feestdag Simchat Torah (Vreugde der Wet) de Oostjoodse synagogebezoekers dansend met de Torahrollen de straat opgingen. Blijkbaar was dit ook voor Nederlandse joden een bezienswaardigheid geworden.

Naast de grote synagoge in de Kipstraat was er nog een Oostjoodse sjoel aan de Hofdijk. Deze sjoel werd vooral door Galicisch joden bezocht.

De beide Oostjoodse synagoges in Rotterdam werden bij het bombardement in 1940 volledig verwoest. In de jaren daarna werden elders in de stad provisorische Oostjoodse synagoges ingericht.

Scheveningen

De Oost-Europese joodse gemeenschap in Scheveningen is in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog ontstaan. Zij bestond uit vluchtelingen uit Polen, Rusland en de Baltische landen en uit Oostjoden uit Antwerpen. Voor het uitbreken van de oorlog was Scheveningen een populaire badplaats voor Oost-Europese joden, die zich in Antwerpen hadden gevestigd. Sommigen van hen bevonden zich in Scheveningen toen de oorlog uitbrak, anderen vluchtten er in de eerste maanden van de oorlog naartoe. De hotels en pensions in de badplaats zaten vol met ontheemde mensen.

Het aantal Oost-Europese joden in Scheveningen in de Eerste Wereldoorlog is weleens op tussen de acht- en tienduizend geschat. Een groot aantal, dat zeker na het einde van de oorlog weer afnam, omdat veel Antwerpse joden terugkeerden naar België. Er bleven echter genoeg Oost-Europese joden in Scheveningen wonen om, aangevuld met latere Oostjoodse immigranten, aan de badplaats een opvallend Oostjoods karakter te geven. In de Katwijksestraat, de Rotterdamsestraat, de Gentsestraat en op de Gevers Deynootweg en de Hartsenhoekweg woonden relatief veel Oost-Europese joden.  Op de Gevers Deynootweg, in het Circustheater en op de Harstenhoekweg waren Oostjoodse synagoges gevestigd. Daarnaast waren er op verschillende adressen zogenaamde stiebeltjes (huissynagoges). Door verschillende immigranten werden in Scheveningen en Den Haag winkels en bedrijven geopend. Zo had de vader van Golda Laufer-Rosenthal in de Haagse Fannius Scholtenstraat een confectieatelier en was in de Scheveningse Haagsestraat de bakkerij van de immigrant Schächter gevestigd.

De Harstenhoekweg en haar bewoners zijn het onderwerp van een fascinerend onderzoeksproject van Wim Willems en Hanneke Verbeek, historici aan de Universiteit van Leiden.

Ik heb in dit artikel met opzet gesproken over Oostjoodse buurtjes. In vergelijking met de grote concentraties van Oostjoden in bepaalde wijken van New York, Londen, Berlijn en Antwerpen stelden de Oostjoodse buurten in Amsterdam, Rotterdam en Scheveningen niet zoveel voor. Ze waren echter opvallend genoeg om opgemerkt te worden en in de herinnering en in de literatuur hun sporen na te laten. Zo geeft Abel Hertzberg in zijn Brieven aan mijn kleinzoon een sfeervolle beschrijving van het leven in de buurt rond de Amsterdamse Blasiusstraat-Swammerdamstraat en wijst hij op de nauwe onderlinge netwerken die de immigranten onderhielden:

"Als je je schoenen  moest laten lappen, bracht je ze naar de Russische schoenmaker... Als je een pak nodig had, was het de Russische kleermaker, die 's avonds met zijn stalen kwam en de maat kwam nemen en dan thee bleef drinken... De bakker was een Russische jood, die 's zaterdags te gast was en dan eindeloos uitpakte over de problemen van zijn bakkerij... Er bestond altijd een zekere vertrouwelijkheid. Net of je familie van elkander was..."

Ook de groenteboer, de linnenverkoper en het dienstmeisje van het gezin Hertzberg waren Oostjoodse immigranten.

De Oostjoodse buurtjes zijn verdwenen. Hun bewoners zijn vrijwel allemaal in de Duitse vernietigingskampen vermoord. Wat rest zijn vage sporen in het straatbeeld en de getuigenissen in mondelinge en schriftelijke bronnen, zoals die van Abel Hertzberg.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM