Uitgebreid zoeken

Oost-Europese joden in Nederland – opvang en hulpverlening (1881-1914)

“Vrijdagsavonds na het avondgebed stonden aan de deur in sjoel altijd een aantal arme emigranten… Ging de sjoel dan uit, dan koos ieder die hier woonde zich een of twee, een enkele keer drie van die emigranten uit en nam hen mee naar huis… Soms werd (een emigrant) ook voor de volgende dag uitgenodigd. Als hij geen nachtverblijf had, werd daarvoor gezorgd. In de Manegestraat… waar wat arme Russische joden woonden, was voor twee kwartjes per nacht altijd wel een kamertje te vinden. Als ze de weg niet wisten, werden ze gebracht. Het is vooral mijn jongste oom geweest…die daar groot in geweest is.”

Zo herinnerde de advocaat-schrijver Abel J. Herzberg (1893-1989), zelf een kind van Oostjoodse emigranten, zich de provisorische opvang van Oost-Europese joden in Amsterdam rond 1900.  De genoemde oom was Mendel Person, de jongste broer van zijn moeder. Person speelde inderdaad een belangrijke rol in de hulpverlening aan Oostjoodse migranten. In 1904-1905 was hij betrokken bij de oprichting van Hachnosas Ourechiem, de eerste permanente passsantenvereniging in Amsterdam. Eerder waren er in Amsterdam alleen maar noodcomités geweest, die werden opgericht als de stroom migranten aanzwol en weer werden opgeheven als die afnam.  Deze comités zamelden kleding en geld in, verstrekten maaltijden in gaarkeukens en brachten migranten onder bij particulieren, in gehuurde kamers of in logementen. Zo was men met kunst en vliegwerk in Amsterdam de laatste decennia van de 19de eeuw doorgekomen. Het was echter steeds duidelijker geworden dat men op deze voet niet verder kon gaan. Er was geen zicht op dat de migrantenstroom binnen afzienbare tijd zou stoppen en het gebeurde maar al te vaak dat groepen migranten bedelend over de Amsterdamse straten zwierven. Er was een vereniging nodig, die zich permanent met de hulpverlening zou moeten gaan bezighouden, gefinancierd zou moeten worden uit contributies en de beschikking zou moeten hebben over een eigen passanten-asyl. Dit werd de vereniging Hachnosas Ourechiem (in het Nederlands: Steun aan Doortrekkenden). In 1906 opende zij haar eigen passantenverblijf in de Weesperstraat (zie foto).

In Rotterdam had men al sinds 1883 een permanente passantenvereniging, die genoemd was naar de beroemde joodse filantroop Sir Moses Montefiore. Deze Montefiore-vereeniging tot ondersteuning van behoeftige passanten te Rotterdam had in de eerste jaren geen eigen passantenverblijf. De migranten werden op haar kosten ondergebracht in logementen. In 1891 kreeg Montefiore via de gemeente Rotterdam de beschikking over een paar zalen in een voormalig ziekenhuis in de Hoogstraat. In de jaren daarna zou het passanten-asyl van Montefiore nog een aantal keren verhuizen.

Naast Hachnosas Ourechiem en Montefiore waren er in tal van andere plaatsen tijdelijke comités of (semi-) permanente verenigingen actief betrokken bij de opvang van Oostjoodse migranten. Ze concentreerden zich vooral in de gemeenten die op de reisroute van de migranten lagen. De meeste migranten kwamen vanuit Duitsland, via Zevenaar en Oldenzaal, Nederland binnen. In Oldenzaal stonden bij de spoorwegovergang aan de Leemsteeg houten barakken, waarin de arriverende migranten werden ontluisd en medisch onderzocht, voordat zij verder mochten reizen. Omdat nogal wat migranten niet over de juiste papieren en  voldoende geld beschikten, werd in 1903 een Grenscomité tot hulp aan emigranten opgericht. Dit comité voerde soms urenlange onderhandelingen met de grenspolitie om terugzending naar Duitsland te voorkomen. In Zevenaar werd door het Grenscomité een passantenverblijf ingericht om aan de grens gestrande migranten onderdak te bieden.

Hachnosas Ourechiem, Montefiore en de andere passantenverenigingen stonden de migranten op tal van manieren bij. Naast het verlenen van primaire noodhulp, zoals het verstrekken van maaltijden, kleding en onderdak, betaalden de verenigingen ook reistickets, gaven zij praktische voorlichting en geld om de doorreis te bekostigen. Voor de medische verzorging van de migranten werd nauw samengewerkt met de gemeentelijke geneeskundige diensten. Om de migrantenstroom in goede banen te leiden, werd samengewerkt met passantenverenigingen in andere landen, zoals Engeland en Duitsland. Zo kwam men van tevoren te weten wanneer er grote migrantengroepen te verwachten waren en kon men vermiste familieleden of zoekgeraakte bagage traceren. Ook met de scheepvaartmaatschappijen waren contacten over de reservering en betaling van reistickets om de doorreis van migranten zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Over de aantallen geholpen migranten zijn we voor wat betreft Hachnosas Ourechiem en Montefiore goed geïnformeerd. Zo weten we dat Montefiore van haar oprichting tot 1914 ongeveer 26.000 passanten heeft geholpen en Hachnosas Ourechiem tot 1914 ruim 7.000. Dit waren overigens niet altijd joodse migranten. In principe kon iedereen een beroep doen op de hulp van de passantenverenigingen. In haar jaarverslag 1913-1914 benadrukte Hachnosas Ourechiem dat nog eens en plaatste met enige trots een foto van Laish ben Tahami, een “Mohamedaan”, die met hulp van de vereniging zijn terugreis naar Marokko kon maken. Compleet met wandelstok en reistas staat hij in het jaarverslag afgedrukt.

Met vallen en opstaan was de joodse gemeenschap in Nederland er in de jaren voor 1914 in geslaagd een redelijk efficiënt werkend netwerk van hulporganisaties op het gebied van de opvang van Oostjoodse migranten op te bouwen. Al doende had men steeds meer op tal van terreinen praktische ervaring opgedaan. Een grote bron van zorg bleef echter de financiering van de hulpverlening. Men dacht aanvankelijk voldoende geld via vaste contributies binnen te kunnen krijgen, maar dit bleek een illusie. In de jaren voor 1914 en ook in de jaren daarna bleef men afhankelijk van incidentele giften, spontane donaties, periodieke collectes en financiële ondersteuning door internationale joodse hulporganisaties.          

 


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM