Uitgebreid zoeken

Oost-Europese joden in Nederland – opvang en hulpverlening (1914-1918)

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in de zomer van 1914 leidde tot een grote vluchtelingenstroom vanuit België naar Nederland. Onder die vluchtelingen bevonden zich ook veel Oost-Europese joden, die zich in de jaren voor de oorlog in België, vooral in Antwerpen, hadden gevestigd. Daarnaast kwamen er vanuit Duitsland Oost-Europese joden illegaal naar Nederland. Het ging hierbij vaak om Russische joden, die bang waren in Duitsland te worden geïnterneerd.

De joodse passantenverenigingen in Amsterdam, Rotterdam en andere gemeenten werden in de eerste maanden na het uitbreken van de oorlog geconfronteerd met grote aantallen ontheemde vluchtelingen, die vrijwel alles wat ze bezaten hadden moeten achterlaten. Door het inrichten van kosjere gaarkeukens, het plaatsen van extra bedden in de passantenverblijven en het huren van (hotel)kamers en woningen werd de eerste noodhulp geregeld. Omdat door de oorlog veel vluchtelingen en gestrande migranten niet meer konden terug- of doorreizen ontwikkelde deze noodhulp zich van lieverlede tot (semi-)permanente hulp.  De druk op de medewerkers van de passantenverenigingen en hun financiële middelen nam aanzienlijk toe.

De oorlogsomstandigheden leidden er ook toe dat de passantenverenigingen zich meer dan ooit moesten gaan bezighouden met het opsporen van vermiste personen. Vooral in de eerste maanden van de oorlog waren nogal wat vluchtelingen familie uit het oog verloren of hadden op stel en sprong gezinsleden moeten achterlaten. Soms tot diep in de nacht waren medewerkers van de passantenverenigingen bezig vermiste familieleden te traceren en gezinsleden met elkaar te herenigen. Volgens de secretaris van Hachnosas Ourechiem, de Amsterdamse passantenvereniging, lukte dit gelukkig “bijna altijd”. In het jaarverslag van de vereniging over het jaar 1915 geeft hij een voorbeeld:

“Een Russische familie vertrok in aller haast uit Antwerpen naar Engeland., terwijl ze een kindje van nog geen jaar in een dorp bij Antwerpen, aldaar in verpleging, hadden achtergelaten. “H.O.” (Hachnosas Ourechiem) kreeg een schrijven om te informeeren of het kind nog leefde en zulks den ouders te willen berichten, en “H.O.” deed dit, maar in plaats van een brief zonden wij het kindje”.

 Een beetje laconieke, maar misschien juist daarom des te pregnantere, beschrijving van één van de vele drama’s die zich aan het begin van de oorlog hebben voorgedaan.

De passantenverenigingen hadden het in de oorlogsjaren ook druk met het doorsturen van brieven en het overmaken van geld naar familieleden van vluchtelingen en migranten in de oorlogvoerende landen. Hierbij werd nauw samengewerkt met zusterorganisaties in het buitenland. Belangrijk hierbij was vooral de samenwerking met de Hilfsverein der deutschen Juden in Berlijn, die een onmisbare tussenschakel was bij de contacten met familieleden in de door Duitsland bezette gebieden in Polen en Rusland.

Net als voorheen bleef de financiële situatie van de passantenverenigingen in de oorlogsjaren verre van rooskleurig. Zij werd zo mogelijk nog zorgelijker. De contributies en incidentele donaties waren volstrekt onvoldoende om de langdurigere zorg en hulpverlening te bekostigen. Zonder de financiële ondersteuning door nationale en internationale organisaties, zoals het Centrale Comité voor de Belgische Vluchtelingen en het Amerikaanse Joint Distribution Committee, had men het nooit gered. Zo waren Hachnosas Ourechiem in Amsterdam en Montefiore in Rotterdam toch in staat om in de oorlogsjaren duizenden vluchtelingen en migranten te ondersteunen. In het geval van Hachnosas Ourechiem waren dit er ruim 3.000. Van Montefiore zijn niet alle aantallen ondersteunden bekend, maar het waren er zeker alleen al in de jaren 1915-1916 bijna 4.000. 


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM