Uitgebreid zoeken

Oost-Europese joden in Nederland – opvang en hulpverlening (1918-1933)

Het einde van de Eerste Wereldoorlog in november 1918 betekende geen verlichting van de taak van de passantenverenigingen. De vluchtelingen en de migranten, die door de oorlog in Nederland gestrand waren, konden nu weliswaar terug- of doorreizen, maar voor hen in de plaats kwamen nieuwe Oost-Europese joodse vluchtelingen en migranten. De eerste jaren na het einde van de Eerste Wereldoorlog waren voor de joden in Oost-Europa een onzekere en niet zelden gruwelijke tijd. De wedergeboorte van de Poolse soevereine staat ging gepaard met  pogroms en anti-joodse wetten. In de andere nieuwe staten in Oost-Europa was de situatie voor joden niet veel beter. Emigratie leek voor veel Oost-Europese joden de enige kans op een betere toekomst te bieden.

De stroom vluchtelingen bleef dus ook in de eerste jaren na 1918 aanhouden. Als voorheen was Nederland voor de meeste migranten vooral een doorgangsland op hun reis naar de Verenigde Staten, Canada of Zuid-Amerika. Een klein deel van de migranten kwam naar Nederland met de intentie om zich hier blijvend te vestigen. Deze na-oorlogse migrantengroepen kregen te maken met een Nederlandse overheid die de toelating van migranten steeds meer wilde beperken. De herinvoering van het pasvisum in augustus 1918 was een vroeg teken aan de wand.

Ondanks die beperkingen lukte het een toenemend aantal Oost-Europese joden tegen het einde van de oorlog en in de eerste jaren na de oorlog toch om Nederland binnen te komen. Migranten die illegaal de grens waren overgestoken, werden ondergebracht in interneringskampen in Bergen, Oldebroek en Harderwijk. Deze kampen waren oorspronkelijk in 1914 opgericht voor de opvang van Belgische vluchtelingen en militairen. In december 1921 werd het kamp in Harderwijk gesloten. Vermoedelijk zijn kort daarna ook de andere kampen opgeheven. In de jaren 1918-1921 zijn naar schatting enkele honderden illegale Oost-Europese joodse migranten in deze kampen geïnterneerd geweest. Vooral de joodse gemeente in Zwolle heeft zich in die jaren ingespannen om de geïnterneerden uit het kamp te krijgen door werk voor ze te zoeken of door hen reistickets naar Zuid-Amerika te verschaffen.

Het groeiend aantal Oostjoodse emigranten in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog deed vermoeden dat de passantenverenigingen zich opnieuw moesten gaan voorbereiden op een aanzwellende migrantenstroom uit Oost-Europa. Dit bleek echter niet het geval. Na 1921, dat een topjaar was qua aantallen emigranten naar de Verenigde Staten en Argentinië, deed zich een kentering voor. Beperkende immigratiewetten in de Verenigde Staten, Canada en Argentinië hadden een blijvend remmende werking op de migrantenstroom. Bovendien verliet een steeds groter aantal Poolse joden via de haven van Dantzig (Gdansk) hun geboorteland. Ook hierdoor nam de stroom Oost-Europese joden in de richting van West-Europese havens als Amsterdam en Rotterdam af. Voor de passantenverenigingen in Nederland betekende dit dat de aantallen migranten op een nog te behappen niveau bleven. Zo wisten zij ook in de rest van de jaren ’20 het hoofd boven water te houden en de arriverende migranten te blijven ondersteunen. Hachnosas Ourechiem ving in de jaren 1922-1928 in totaal ruim 3.000 migranten op. De cijfers met betrekking tot Montefiore zijn niet compleet, maar lagen zeker hoger (wellicht rond de 2.000 migranten per jaar).

Omstreeks 1930 kwam aan deze situatie een abrupt einde. De economisch crisis, die met de beurskrach in de Verenigde Staten was begonnen, leidde weer tot een snel toenemend aantal Oost-Europese joodse migranten. Een aantal daarvan had eerst in Duitsland gewoond en zag zich door de economische malaise, de opkomst van het nationaal-socialisme en het daarmee gepaard gaande antisemitisme gedwongen om de grens naar Nederland over te steken om hier opnieuw een nieuw bestaan op te bouwen. Ook vanuit Frankrijk en België kwamen Oost-Europese joden in het begin van de jaren ’30 naar Nederland. Hierbij speelden vooral de slechte economische omstandigheden in die landen een belangrijke rol. Zo bracht de malaise in de Belgische diamantindustrie een migratiebeweging van Oost-Europese joden uit Antwerpen naar Nederland op gang.

De meerderheid van deze Oost-Europese joodse migranten kwamen in de grote steden in het westen van het land terecht. Omdat zij vaak – zeker in de beginfase van hun verblijf - over voldoende middelen van bestaan beschikten, was de rol van de passantenverenigingen in hun geval niet zo zeer die van een noodhulporganisatie, maar meer die van een adviescentrum voor immigranten op het gebied van werk en huisvesting. Maar ook in deze jaren werden de bedden in de passantenverblijven van Hachnosas Ourechiem en Montefiore elke nacht door nieuwkomers bezet en draaiden de gaarkeukens in hun passanten-asyls op volle toeren. Voor veel medewerkers van deze passantenverenigingen was het dus ook in het begin van jaren ’30 business as usual.

 

 


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM