Uitgebreid zoeken

Oost-Europese joden in Nederland – overzicht tot 1881

Op een sabbat in het najaar van 1709 brak een vechtpartij uit in de Hoogduitse synagoge in Amsterdam. De aanhangers van de voorzanger Jichiel Michel uit Lublin gingen op de vuist met die van Rabbi Leib. De rabbijn Arje Leib ben David uit Kalisz was zo geschokt dat hij een hartaanval kreeg. Korte tijd later overleed hij.

Het is tekenend dat zowel de voorzanger Michel als de rabbijn Arje Leib uit Poolse steden kwamen. Vanaf het ontstaan van een joodse gemeenschap in Amsterdam was er lange tijd een nauw contact met de joodse gemeenschappen in Oost-Europa. In de 17de en 18de eeuw handelde menig Amsterdams-joods handelshuis met joodse collega’s in Oost-Europa. Rabbijnen en voorzangers waren vaak uit Polen afkomstig. En in de beroemde joodse drukkerijen in Amsterdam werkten veel Polakken (Poolse joden) als zetter of proeflezer.

Vooral tussen 1648 en 1656 waren veel Oost-Europese joden in Amsterdam komen wonen. Zij waren gevlucht voor de pogroms die Polen en Zuidwest-Rusland in die jaren teisterden. Tot 1673 hadden de Poolse joden in Amsterdam een zelfstandige gemeente met een eigen synagoge. In Muiderberg lag hun begraafplaats naast die van de Hoogduitse gemeente.

Na de grote toestroom rond het midden van de 17de eeuw bleven er tot het einde van de 19de eeuw incidenteel Oost-Europese joden naar Nederland komen. Onder hen waren rabbijnen en voorzangers, maar ook ondernemers, ambachtslieden, zwervende werkzoekenden en landverhuizers op weg naar een overzeese bestemming. Hun aantallen zijn niet precies bekend, maar zullen niet groot geweest zijn. Zij die in Nederland bleven wonen, gingen betrekkelijk geruisloos in de Nederlands-joodse gemeenschap op. Betrekkelijk geruisloos, maar na 1796 niet altijd zonder moeite.

In 1796 werden de joden in Nederland wettelijk gelijk gesteld aan alle andere Nederlandse staatsburgers. Hiermee begon een vernederlandsing  van de Nederlandse joden. Zo verdween het jiddisch vrijwel geheel als voertaal onder de joden en werden in de synagogen steeds vaker in Nederland opgeleide rabbijnen en voorzangers aangesteld. Dit proces van vernederlandsing maakte de banden met de joodse gemeenschappen in Oost-Europa incidenteler en losser. Het had onvermijdelijk tot gevolg dat op den duur de Oost-Europese joden in Nederlands-joodse kring niet meer alleen werden gezien als (geloofs)broeders, maar steeds meer ook als vreemdelingen.

 Omdat het aantal arriverende joodse broeders/vreemdelingen in de 19de eeuw tamelijk gering bleef, kon de Nederlands-joodse gemeenschap hun betrekkelijk eenvoudig ondersteunen en absorberen. Menige Oost-Europese jood heeft in die jaren op vrijdagavond aan de tafel bij een Nederlands-joods gezin meegegeten en zijn tocht voortgezet in het oude pak van de huisvader of is door bemiddeling van leden van een synagoge aan een baantje of een startkapitaal voor een eigen bedrijfje geholpen. Dit soort kleine, filantropische gebaren waren tot het begin van de jaren tachtig van de 19de eeuw voldoende. Vanaf 1881 nam het aantal Oost-Europese joden, dat in Nederland arriveerde, echter dermate toe dat er andere maatregelen nodig waren.

 


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM