Uitgebreid zoeken

De vaartocht ( fragment uit de roman rustige in Suriname)

Een vroege ochtendbries blaast onveranderlijk over de Suriname rivier en prikt gelijk ijzige naaldjes gevoelloos op de huid van de onbedekte lichaams­delen van de wachtende passagiers. De temperatuur bedraagt ca. 25 graden Celsius maar voor Suriname is dat een ijzig moment. Toen het er een keer vanwege een klimaatsverbijstering van de natuur begon te hagelen waande de doorsnee Surinamer zich op de Zwitserse Alpen. Terwijl Donos Juanos over het wateroppervlak van de Suriname rivier staat uit te kijken, lijkt het hem vanwege de koele wind vroeger dan tien uur  in de ochtend te zijn .Hij snuift de geur op van de havensteiger en zijn neusvleugels kunnen de onmiskenbare lucht van teer, roest en dieselolie amper onderscheiden. Hij loopt over de steiger, overigens een architectuur van verweerde planken tot hij over een uitneembare metalen plaat zijn eerste stap in de toerboot Perica plaatst die nog rustig in het olieachtige water ligt te wiegen. De toerboot  is uitgerust met een ruim vlak dak, dubbel dek en helemaal boven een open dek. Het schip is volledig op zijn taak berekend, ideaal voor vistochten, duikexpedities of eco-expeditie terwijl het in de antieke tijd gebruikt werd voor formele aqua lijndiensten.  Thans houdt een rondvaart met dit schip in dat je nergens aan land komt alwaar je even met de  benen kunt strekken. Het is één en al water , nederzettingen en oerwoud die men vanuit het schip kan trotseren . Enkel de restauratie aan boord en het gesprek met een medereiziger kan enig soelaas bieden. Een ieder praat hartstochtelijk over het enige Surinaamse strand The White Beach dat ontzien werd door de straffe riviergolven en daardoor niet geërodeerd is geraakt. Men gaat er graag heen en om het vervolgens naar goed Surinaams gebruik rommelig, vies en smerig achter zich te laten waarvan de aanblik doet vermoeden dat een horde varkens er flink heeft huisgehouden. Lange tijd hebben schepen en boten aan de Suriname rivier die passagiers vervoeren van ergens naar nergens de gewoonte gehad om enige uren voor anker te gaan ook al kent het land niet bepaald een haven van allure met een behoorlijk comfort.  De reizigers die aan boord gaan bestaan overwegend uit Surinaamse-Nederlanders die een langere periode in Nederland hadden doorgebracht of er zelfs geboren zijn. Ze zijn gepakt en gezakt met een hoop bagage alsof ze voorbereid zijn op een scheepsramp. Een paar van hun beginnen wazig om zich heen te kijken met de achterdochtige gezichtsuitdrukking van iemand bij wie het doordringt dat die in het ootje is genomen.  De dames onder hen schieten heen en weer over de loopplank, op zoek naar elkaar en hun vriendjes. Ze gaan uiteen en komen dan weer bij elkaar, ze roepen en gillen en werpen ontstelde blikken op medepassagiers waarin ze iets van zichzelf verdrongen zien. Hun stemmen klinken scherp en  oorvermorselend. Uit het stuurhuis komt een man tevoorschijn met een pet op kennelijk om een ruige zwarte haardos die op z’n schedel gedijt, in bedwang te hou­den. Zijn gezicht ziet eruit alsof talloze tropische stormen het hadden verweerd, maar de donkere ogen kijken waakzaam. Als Donos Juanos een amicale blik in diens richting werpt omdat geen van de passagiers hem een blik waardig keuren, geeft hij hem spontaan een handdruk: 'Ik ben Donos Juanos en ik vind het spannend te varen in dit wonderbaarlijke Surinaamse klassieke wonder waar ik  in mijn kinderjaren enkel mijn oma over hoorde praten maar er zelf nooit in had gevaren. Het verwondert mij dat dit schip niet onder de internationale monumentenzorg valt”. De man zwijgt onder de stevige handdruk even en terwijl hij een rij tanden ontbloot waarop fossiele visresten uit de Suriname rivier nog vers aanblikken zegt hij met dezelfde klank als waarmee de motoren van het schip synchroon stationair draaien:  'Welkom, mie  brada , welkom aan boord . Mijn naam roepnaam is Maku maar officieel heet ik Robles Van Ecksel.  Ik zie gelijk aan je dat je uit Holland komt. Je zult wel wat bekijks hebben onder de  grietjes die voor hun eigen vangst meevaren. Kom maar lekker aan boord. Ja, Perica is een mooi schip.'Geen schoonheid misschien, maar robuust en loyaal, zoals een goeie vrouw.' Zijn handdruk deed Donos Juanos aan een bankschroef denken. Jij hebt voor dit bezoek een prachtige dag uitgekozen. Je lijkt mij echt goedgemutst. De gemiddelde passagier die dit schip binnenkomt kijkt uit z’n doppen als een valse bouvier die zich opgeschrikt waant door een knalvuurwerk aan z’n staart. Vandaag is er geen mist en wat korte golfslag, ook waar het diep is. Ik ga even de landvasten losgooien en dan kunnen we er meteen vandoor.' Zijn wenkbrauwen zijn dik en zijn neusgaten wijd. Maku gaat via een lawaaierige metalen trap waarvan de treden geperforeerd zijn met grote gaten, naar beneden om bepaalde technische voorbereidingen te treffen. Eindelijk komt het schip onder veel gekraak langzaam in beweging en was het oponthoud aan de plek waar een ieder zich liet inschepen, voorbij. De loopplank wordt verwijderd en het vaartuig begint , zoals bijna alles in Suriname dat nog op dreef moet komen, omslachtig te manoeuvreren om van de wal te komen. De  vegetatierijke Surinaamse kust trekt aan de ogen van Donos Juanos voorbij. Donos Juanos heeft vanaf zijn zitplaats een royaal zicht op het bruine water van de Suriname rivier dat  rimpelloos langs de romp glijdt en nergens  in een andere kleur verandert, zelfs als ze het midden van de rivier hebben bereikt. De  elementen lucht en water kunnen er  met hun vereende krachten maar weinig tegenover stellen. Kilometers verder is de vegetatie die achter de andere oever verrijst nog donkergroen. Ze passeren een vissersboot die met de vangst van een week naar de Surinaamse haven koerst en waarvan de schipper wuift. 'Was  Perica  vroeger altijd een goed schip?'vraagt één van de passagiers een andere.'Een van de beste.', hoewel het gelaat duidelijk uitdrukt dat betrokkene de vraag  eigenlijk naïef vindt. 'Volgens de hoogste kwaliteitsbegrippen van die tijd gebouwd in opdracht van de eigenaars, in die tijd de overheid. Het schip was een mooi zeewaardig  schip waarmee de oversteek werd onderhouden tussen Paramaribo en Nickerie. De passagiersaccommodatie was misschien niet zo elegant als die op Caraibische schepen in omringende landen maar toch had Perica een goede reputatie verworven door haar passagiers tijdens de oversteek van de Atlantische Oceaan een naar Surinaams begrip comfortabele luxe te bieden.' Tijdens de vaartocht geeft een trendy uitgedoste dame door een microfoon uitleg ten aanzien van de beelden die een ieders blikveld binnenhuppen en waarbij de gids min of meer er terecht vanuit gaat dat niet een ieder van de essentie ervan op de hoogte is.  Zij lijkt Donos Juanos een knappe, vrijmoedige insinuerende vrouw die dwalingen met een hoongelach kan verjagen : “In het binnenland van Suriname, beste reizigers, ziet u wat schamele hutten waar de tijd even heeft stilgestaan. De bewoners hebben tegenwoordig weliswaar iets meer dan rietenrokken en andere genitaliën afdekattributen maar ze blijven toch  trouw aan hun traditie. Op deze hoogte van de rivier is het nog tamelijk bewoond. Tijdens de binnenlandoorlog verrees er een militante stam uit deze archaïsche gemeenschap die het dorp de rug toekeerde om vervolgens met automatische geweren, daarbij glansrijk  behangen met gouden sieraden, roofovervallen te kunnen plegen in Paramaribo.”  Een Nederlands echtpaar dat al jaren in Suriname woont legt Donos Juanos uit dat met een schip als Perica er enkel oppervlakkige stukken bevaren kan worden. De vrouw laat haar blik onderzoekend op Donos Juanos rusten, maar matigt zich niet aan hem te kunnen begrijpen of hem ergens te kunnen plaatsen. Die blik is echter niet van het sinistere soort; het is misschien een soort fascinatie. Het is een vertrouwelijk paar, een eenvoudige tevreden stel voor wie hun verblijf in Suriname een gelukzalige stilstand schijnt te zijn. Ze vervolgen: “Suriname heeft van de prachtige rivieren die jammer genoeg niet allen bevaarbaar zijn. Dit komt door de woedende, beweeglijke, luid-sputterende muren aan watervallen van ongeveer anderhalve meter en zelfs hoger waar je enkel met kleine buitenboordmotoren in de buurt kunt komen. Als het gesprek afdwaalt naar het leefgemeenschap in het binnenland, beter gezegd naar het tribale milieu zegt het echtbaar tegen Donos Juanos: “ Dat wat de schreeuwerige politici, sensationele damescomités en godsdienstige ijveraars er ook van mogen zeggen, het is vast beter de boslandbewoners , of het nu Indianen óf Djoeka’s zijn, stilletjes in hun natuurlijke leefomgeving met rust te laten. Als je hen westerse uiterlijkheden gaat opdringen zal het toch faliekant uitpakken. Het feit dat ze geholpen moeten worden staat buiten kijf maar dan op een andere manier dan door steedse na-aperij welke dan ook minimale resultaten afwerpt. Djoeka kinderen zijn vaak vrij en ongedwongen bij hun ouders, ze trekken over de soela’s , bewerken de kostgronden , gaan uit jagen en vissen. De meisjes helpen om de dorpen brandschoon te vegen, alles netjes op te ruimen terwijl de jongens lopen te spelen met kleine kruisbogen die zelf kunstig geconstrueerd hebben. Bevangenheid is op deze plaatsen iets onbekends, behalve misschien bij de kokette schonen die ook op dit plaatsen niet ontbreken. In het algemeen is hun houtsnijwerk een teken van de liefde en genegenheid van de man voor de vrouw, en stellig hebben tal van de gebezigde ornamenten een symbolische, vooral ook erotische betekenis die echter niet te achterhalen valt en uiteraard voor een groot gedeelte op traditie berust. Op de gladde rotsen waar Perica langs vaart doemen een paar gladde rotsen op. Volgens het echtpaar gaan de vrouwen er heen om hun kleren te drogen te leggen. Ze doen er meteen de hele was en laten hun kinderen er wat rondspelen. Verder brengen ze ook veel tijd door met vaatwas, baden en kletsen aan de oeverkant terwijl de mannen het bos open kappen en de velden gereed maken die de vrouwen daarna gaan beplanten.   

         Donos Juanos verrijst zich van zijn plek, groet het echtpaar vriendelijk en bedankt hen ook voor de schatrijke informaties over een land waar hij zelf als Surinamer niet veel vanaf weet. 'ik heb nog genoeg tijd om in Suriname alles te bezichtigen, zegt Donos Juanos tegen die twee. 'Morgen ga ik met een groep naar The White Beach om er maar flink op los te leven”.   Opeens ontwaart hij de gedaante van Suzette die zojuist naar het dek was geklommen en bij het gat van de kajuitstrap was blijven staan. Ze is fleurig gekleed, ziet er leuk uit. Ze beseft snel dat Donos Juanos haar kennelijk had opgemerkt. Donos Juanos denkt dat ze over het dek was blijven kuieren met een loopje dat blijk moest geven van het feit dat hij op z’n minst het voornemen heeft om naar hem toe te stappen.  Met hooggeheven hoofd stapt Suzette weer weg en Donos Juanos kan zien dat de voet die ze op het schone gladde dek zette smal en fraai gewelfd is hetgeen in scherp contrast staat met de rommel die hij bij het betreden van het schip ontwaarde. Opeens ziet hij haar verdwijnen door het luik waar ze uit was gekomen en hij voelt zich daarbij meer dan ooit als de jongeman in zijn eigen roman. Hij blijft toch een nabeeld behouden van haar glimlachende ogen en pratende lippen dat op zijn netvlies gegrift is geraakt.  Het zou voor hem te ver gaan om nu te beweren dat hij bang was meegesleept te worden door een hartstocht voor een jonge vrouw die niet opvallend mooi was maar met wie hij, al met al, slechts tien minuten op het schip had gesproken. Suzette scheen  ondanks al haar temperament  onaangetast te zijn gebleven door subversieve denkbeelden van anderen waarover zij Donos Juanos het één en ander vertelde , enkel omdat haar mond zo bekoorlijk gewelfd is en zij daardoor er voornaam uitziet. Terwijl het schip met lange regelmatige slagen ploegt, schimmig en spookachtig door de schaduw van de vegetatie aan de oevers van de rivier , lijkt het zich opeens sneller over het bruine water te verplaatsen.     

    In een formele afzondering binnen het dek waar een paar prominente gasten uit de Surinaamse assemblee lijken plaats te nemen ontspint zich een discussie hoewel niet alle woorden goed te begrijpen zijn omdat de aangeroerde thema’s niet voor een ieder herkenbaar zijn. Met een geheven beringde wijsvinger houdt één van hen een vurig betoog over het onderwerp dat het land voor vreemdelingen toegankelijker gemaakt zou moeten worden ter bevordering van handel en politieke allianties. Een andere voert oppositie middels een reeks isolationistische tegen- argumenten waarmee hij aangeeft dat het eigen volk alle voorrang zou moeten krijgen. Een andere aan de tijdelijke discussietafel die zogenaamd een voorzittersrol op zich heeft genomen voert aan dat het Surinaamse volk weliswaar creatief en misschien ook inventief is maar dat zij daarentegen niet over de ondernemingskracht beschikken om een idee dat op de periferie van hun danktank talmt, te laten uitgroeien tot een plan. En op het moment dat de grond onder hun voeten heet begint te worden, nemen zij gelijk de benen richting Nederland.  Zijn kritische opmerkingen leverden hem goedkeurende lachjes van de overige collega’s op. Op een gegeven moment wendt één van hen zich tot Donos Juanos: “en wat vindt u van dit alles meneer de schrijver . Ik heb laatst een stuk van u in de Ware Tijd gelezen . Doordat uw foto erbij was kon ik u herkennen. Ik vond het een zeer goed en wijs stuk. Doet het aanvaarden van vreemdelingen in ons land afbreuk aan onze luisterrijke cultuur?' Donos reageert er kalmpjes op met een : “Wat kan ik bijdragen aan zo'n geleerde discussie? Ik heb geen weet van de Surinaamse politiek behalve dat die aan hetzelfde euvel ten onder gaat als het equivalent ervan in Nederland ”.  De man knikte Donos Juanos be­moedigend toe. Met een ietwat dronken stemverheffing zegt die:”Ik waardeer mensen als u en heb geen boodschap aan de praatgrage niets-zeggers die ons land rijk is. Veel en overdadig gepraat zonder inhoudelijk iets zinnigs te zeggen terwijl er helemaal niet naar elkaars argumenten  wordt geluisterd. Deze holle retorica staat model voor de Surinaamse praatkunstBeste meneer de schrijver, ik weet dat mijn woorden dwaas en naïef klinken en die misschien afbreuk doen aan de Surinaamse gezichtsbepaling. Ik blijf toch van oordeel dat het Surinaamse gelaat dat eeuwig op afbouw zit te wachten,  maar blijft steken in een soort embryonale evolutie. Men komt er niet eens aan toe om  te voorzien in de grillen en behoeften van het eigen volk en begint men rode lopers uit te rollen voor vreemdelingen die  ons komen overrulen. Als ze in Europa kunnen gillen Ons Volk Eerst, waarom kan ik dat als Surinaamse politicus niet? Laatst is er vergunning geweigerd aan een Surinaamse investeerder die een hyper modern pluimveebedrijf wilde realiseren. Doordat hij weigerde onder tafel wat te offreren aan de klootzak die hem de vergunning moest uitschrijven, is hij gedesillusioneerd vertrokken naar Brazilië. Met deze service jagen wij onze goede mensen weg!”.  Na deze kennelijk ontladende bewoordingen verbreedde diens lach zich alsof hij zich absoluut ontdaan voelde van een zware geestelijke ballast. Niet bepaald een man als iedere Surinamer.  De man buigt zich dichter naar Donos juanos toe en houdt hem met zijn blikken vast.  'En vertel eens jon­ge filosoof, hoe kunnen we weten wat er leeft in het hart van een “Surinamer? Hoe kunnen we weten of zijn bedoelingen goed of slecht zijn?' Voor Donos Juanos zit er iets achter de vraag wat hij niet echt begrijpt. Een soort test. Wat wil de politicus  van me horen, vraagt hij zich af. Hij vindt geen aanwijzing in zijn gezicht; het gezicht van een politicus. Aan een andere tafel op het dek ziet hij een groep met elkaar smoezelend converseren, de blikken zijdelings verstolen in zijn richting werpend, gevolgd door een vingerwijzing, ook  in zijn richting. Hoewel Donos juanos opgeruimd met de politicus staat te praten voelt hij hoe de kwaadaardigheid en afgunst van de groep als wolven naar hem toe sluipen. Opeens hoort hij één van hun zeggen op een minzame-genadige toon: “Het is verwonderlijk dat een schrijver die zich boven een ieder verheven waant met gewone mensen in een gewoon schip meevaart ..”. Inmiddels is het ook de politicus opgevallen dat Donos Juanos op een negatieve wijze bekijks zou kunnen hebben. Hij zegt tegen Donos Juanos: “ Wacht eens even. Toevallig werkt een goede kennis van mij bij De Ware Tijd en die vertelde dat een groep Surinaamse schrijvers onder aanvoer van een Nederlandse hoogleraar in de Caraibische letteren een protestmars had gehouden en op de redactie kwam bewerkstelligen dat niemand iets van jou zou moeten publiceren. Men vindt dat je in anonimiteit dient weg te kwijnen. Niemand mag jou kennen, punt uit . Eigenlijk best wel aanmatigend dat anderen voor jou moeten beslissen wat jij van hun mag en wat niet. Maar mijn beste vriend, de Surinaamse geest staat erom bekend dat problemen er niet altijd eenvoudiger op worden door pogingen tot het zoeken naar verklaringen ervan en eerlijk gezegd vind ik persoonlijk dat sommige ophelderingen van die hoogleraar tegenover journalisten nogal raadselachtig klonken. Hij was op televisie en kraamde een hoop onzin uit.  Waarom doen zij zo tegen jou, als ik vragen mag. Ik meen drie personen aan die tafel te kennen. Die ene daar met de lange grijze snor en baard die op een gereanimeerd fossiel lijkt is Raju Khan. Hij werkt samen met die rijzige Nederlandse heer daar. Ik denk dat hij de hoogleraar is in de Caribische letteren. Die arme man is gedegradeerd tot een kamerhoogleraar omdat alle promovendi bij hem vanwege zijn onbekwaamheid zijn weggelopen . Maar zoiets had jij, meen ik ook geschreven in jouw essay laatst. Vandaar al deze oppositie tegen jou. Bovendien is de hoogleraar erg gekant tegen jouw essay over de Surinaamse literatuur omdat hij graag degene wil zijn die ooit iets over de Surinaamse literatuur heeft gepubliceerd. En dat is dus zijn proefschrift waarover jij in jouw essay schreef dat het meer weg heeft van een rijkelijk geïllustreerde gouden gids over Surinaamse schrijvers dan van een wetenschappelijke opzet. Ik hoorde iemand zeggen dat als je hem op andere voet bejegent dan had je de brokken die je maakte geheel aan jezelf te wijten. Misschien is dit voor hem een vorm van een plotseling uiteenstuiven- een angst, een wegvluchten naar egoïstische hoekjes. Trek jij je er niets van aan. Je moet er juist van genieten. Je lijkt mij een zeer stabiele persoon die zich onverstoorbaar weet op te stellen. Zie je die ene idiote wijf daar bij het raam en die constant naar jou kijkt? Zij heet Bea en is ook fel gekant tegen jou omdat jouw werken in Nederland door literaire uitgeverijen worden uitgebracht terwijl de meeste Surinaamse schrijvers zelf naar de drukkerij toe moeten stappen en als distributiepunt voor hun werken de Surinaamse afhaalcentra gebruiken alwaar je hun dichtbundel in de vitrine ziet liggen naast de belegde Surinaamse broodjes.  Die Raju Khan had gehoopt dat hij na een studie Engelse taal en letterkunde zich zonder een duw in de rug zou kunnen transformeren tot een schrijver van formaat maar het tegendeel blijkt uit hem te zijn gekomen. Zijn ascetische uiterlijk doet eerder een schrijver achter zijn persoonlijkheid vermoeden dan zijn werkelijke minimum aan talent dat wonderwel gepaard gaat met een maximum aan geldingsdrang. Hij publiceerde maar één dichtbundel waarvan het thema doet vermoeden dat het om een zestienjarige zou gaan met liefdesproblemen. Zijn poëzie verzuipt in de eigen oppervlakkigheid.” Donos Juanos zegt tegen de politicus: “Het valt mij op dat u een zeer veelzijdige persoonlijkheid bent. Voor een Surinaamse politicus bent u kennelijk van vele markten thuis. Politiek, literatuur en misschien nog veel meer gaan bij u hand in hand. Bravo. Mijn complimentjes ervoor”.  De politicus die eerst  aan zijn whiskyglas moet nippen gooit er haast rochelend uit:“ Dank u wel mijn beste vriend, ik voel mij erg gevleid met deze complimenten. Mijn eigen collega’s kunnen er niet tegen dat ik zo veelzijdig ben “. “We praten met elkaar al zo lang met elkaar , zegt Donos Juanos , maar ik weet nog steeds niet welke politieke partij u in de assemblee  vertegenwoordigt”.  De politicus steekt een lange arm uit naar hem en zegt: “aangenaam, ik ben Shrikovski, partijvoorzitter van de Socialistisch, Humanistisch en Kapitalistische Partij Suriname. Donos Juanos merkt op dat deze naamgeving evenals diens Russisch klinkende naam haast absurd- komisch klinkt. “De naam daar kan ik niets aan doen omdat die een product is van het smeltkroespatroon van Suriname  gepaard gaande met een assimilatie in de naamgeving. Ik studeerde in Moskou planetaire vulkanologie. Na een poos als docent kosmografie in Suriname in het onderwijs te hebben gedraaid richtte ik een eigen partij op om een symbiose te ontwikkelen tussen het Kapitalistisch, socialistisch en humanistisch denken. Tijdens mijn studententijd in Rusland begon ik al te laven aan de Russische literatuur met speciale interesse voor de werken van Vladimir Nabokov. Zo ben ik ook in de letteren gerold. Donos juanos zegt bijna in een extatische opwelling “amazing “ , tegen Shrikovski. Is het niet frustrerend om met zo’n educatieve achtergrond je tijd te verdoen in Suriname? Hoeveel mensen in Suriname snappen jouw ideologie? Waar ligt jouw doelgroep eigenlijk? De politicus blijft als antwoord op de vraag van Donos Juanos praten en doelloos deinen op de vloedgolf van zijn eigen waterval aan woorden en maakte zelfs een warboel van zijn uitweidingen. Het enige dat Donos Juanos snapt is dat er veranderingen op til zouden zijn door ingrijpen van zijn partij en dat de rotte appels er spoedig uit zouden vliegen. Tegelijkertijd gaat het schip Perica weer aan kade en beginnen de passagiers op dezelfde wijze waarop leerlingen op Surinaamse scholen de klassen uitvluchten als de bel gaat, het schip te verlaten. Een ieder sleept de spullen bij elkaar , probeert her en der extra spullen te vergaren terwijl de meesten vanwege de hitte zelf ook verhit en boos zijn geraakt of anders volslagen in de war en ontmoedigd. Het schrijversgilde legt vermoedelijk vanwege de aanwezigheid van Donos Juanos een onverschilligheid aan de dag jegens de inspanningen van haar medepassagiers en kijkt niet eens meer naar hen met wie men op het schip even maatjes was geweest. De scheepsmedewerkers vervullen hun plicht op een vriendelijke kalme bespiegelende manier door alles zo gladjes te laten verlopen. Donos Juanos  groet de politicus Shrikovski op Surinaamse wijze hetgeen hij morrelend aan het slot van zijn attacheekoffer met een vriendelijke stem , doch zonder om te kijken, beantwoordt en hem een visitekaart aanreikt met de mededeling hem een keer te bellen voor een goed gesprek.                      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM