Uitgebreid zoeken

Asielbeleid

Naast arbeidsmigranten en migranten uit voormalige koloniën kreeg Nederland in de 20e eeuw steeds meer te maken met asielzoekers. De asielprocedure die werd voorgeschreven in de Vreemdelingenwet van 1965 was gebaseerd op het Vluchtelingenverdrag (1951). Maar vluchtelingen komen steeds vaker uit andere landen dan tijdens de Koude Oorlog en zij verkeren ook in een andere situatie. Officieel worden ze daarom niet zomaar erkend als vluchtelingen. De Nederlandse overheid kon of wilde ze ook niet terugsturen en creëerde in 1973 een aparte status voor deze groep. Vluchtelingen met A-status waren erkend volgens het verdrag. Vluchtelingen met de B-status werden toegelaten op ‘humanitaire gronden’. De asielprocedure is daarna nog een aantal keren veranderd.

Vanaf het midden van de jaren '80 nam het aantal asielaanvragen aanzienlijk toe en werden de procedures steeds langer. Er was een groeiende groep afgewezen asielzoekers die vanwege de nog steeds gevaarlijke situatie in hun land niet teruggestuurd kon worden. Zij kregen vanaf 1991 een zogenaamde ‘gedoogdenstatus’. In 1994 werd de Vreemdelingenwet herzien. Het doel van deze herziening was het aantal procedures rond toelating en uitzetting te beperken en de duur ervan te bekorten. Met de herziening werd de voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV) geïntroduceerd. Die vergunning kwam in de plaats voor de gedoogdenstatus en de ontheemdenregeling voor ex-Joegoslaven. De problemen rond de asielprocedure bleven echter bestaan. Daarom kwam er in 2000 alweer een nieuwe Vreemdelingenwet, waarmee de asielprocedure eenvoudiger en sneller viel te regelen. Daarnaast kreeg de politie meer bevoegdheden om de verblijfspapieren van mensen te controleren. De wet bracht ook veranderingen in het terugkeerbeleid, waardoor afgewezen asielzoekers sneller vielen uit te zetten.

Trefwoorden:

MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM