Uitgebreid zoeken

De Borsselse Exodus

De beweegredenen achter de migratie van een groep Zeeuwse afgescheidenen naar Noord-Amerika in 1847

“Maar nadat Nederlands volk algemeen en de overheid bijzonder des Heeren wetten en inzettingen verlaten hebben, zoo zond Hij de oordelen van een drukkinge des lands en eene drukken duurte van alle levensmiddelen, zoodat niemand in den burgerstand met vrouw en kinderen meer bestaan kon; zoodat er velen tot den Heere uit ellende beginnen te roepen en de Heere begint het geroep te hooren tot verlossing. Ik heb die wondere wegen Gods in het openbaren van die weg naar Noord-Amerika opgemerkt.”*

Zo scheef de welgestelde Zeeuwse boer Jannes van de Luijster over zijn besluit naar Amerika te emigreren. Halverwege de negentiende eeuw waren de economische, politieke en godsdienstige omstandigheden in Nederland zodanig dat er behoefte bestond te emigreren naar een plek die gunstigere vooruitzichten bood. Dat ‘beloofde land’ toonde zich in Noord-Amerika. Gunstige berichten over de weelde daar troffen de harten van de moedeloze Afgescheidenen.

Jannes van de Luijster behoorde samen met dominee Cornelis van der Meulen en aannemer Jan Steketee tot de leiders van de 457 Zeeuwse landverhuizers die in het voorjaar van 1847 de overtocht naar Amerika waagden en aldaar in het westen van Michigan de nederzetting Zeeland stichtten. De grote meerderheid was afkomstig uit het dorp Borssele. Religie speelde in deze emigratie een aanzienlijke rol. In de eerste emigratiegolf naar Amerika van 1846-1857 behoorde maar liefst een derde tot degenen die zich in 1834 van de hervormde kerk hadden afgescheiden. Hoewel de Afgescheidenen sinds 1841 officieel erkenning konden aanvragen bij de overheid bleef de maatschappelijke vervolging nog lang voortduren. Geregeld kwamen groepen Afgescheidenen bijeen in de schuur van Jannes van de Luijster om naar de preken van Cornelis van der Meulen te luisteren. De groep uit Borssele bestond voornamelijk uit arbeiders, dagloners of kleine ambachtslieden. De draagkracht en solidariteit van de ‘Zeeuwsche Vereeniging ter verhuizing naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika’ maakte de overtocht ook voor hen mogelijk.

Het bijzondere aan de emigratie van deze Zeeuwse groep is dat godsdienstige redenen veelal doorslaggevend bleken te zijn. Dit toont zich bijvoorbeeld in het feit dat de vrome Jannes bijna geheel zijn kapitaal in de onderneming stak zonder enige zekerheid van winst. De landverhuizing werd in deze periode dan ook veelal vergeleken met de exodus van het verdrukte Joodse volk uit Egypte naar het beloofde land Kanaän.

Bachelorscriptie geschiedenis Simone Koster Universiteit Leiden, 2013


* Stokvis, De Nederlandse trek naar Amerika: 1846-1847 (Leiden 1977), p. 11.

Trefwoorden:

MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM