Uitgebreid zoeken

Honger en armoede

In 1942 brak de oorlog uit en de Japanners zetten de Nederlanders gevangen in de zogeheten “Jappenkampen”. De vader van Jet werd geïnterneerd. Haar moeder moest ondertussen voor de kinderen zorgen. Dit aantal was opgelopen tot acht stuks. Er was altijd de angst dat de Japanners er achter zouden komen dat de familie een verbintenis had met een Nederlander. Jet vertelde over de zware tijd:

"Wij zijn altijd buiten de kawat [prikkeldraad] geweest. We hebben niet in de Jappenkampen gezeten we zijn altijd gevlucht. Mijn moeder zocht altijd de bergen op en die is daar beter thuis als een of andere Nederlander of andere indo’s. […] Wij weten van niks, wij hoorden alleen maar wat mijn moeder wil. Zij zegt van: “nou, jij gaat met Jetty mee en jij gaat met Jan mee de bergen in. Daar en daar moeten jullie zijn. Met niemand praten,aan niemand uitleg geven, nooit antwoord geven.

De gevaren hé, je kunt ook niks. Je krijgt niks, je kunt niks kopen. Mijn tante heeft rijst genoeg bijvoorbeeld maar daar gaat niet een liter af voor haar zus  want dan hangt zij. Dan komt zij ook in gevaar. Dus of ze je nog willen helpen  of niet, het is je eigen zus. […]. Maar dan wordt je ook niet geholpen. Als ze weten dat je contact hebt met een halfbloed, dat zijn wij dan. Wij zijn gelukkig nog een tikkeltje donker en mijn moeder is een ras echte Javaanse. Mensen die ons niet kennen die denken niet van zus of zo. En met betalen altijd, mijn moeder staat altijd met geld klaar. Ze hoeven niet eens zoveel hoor een kwartje als ze die krijgen. […] Mijn moeder is zo toek [listig], elke keer als ze ergens is, laat ze geld achter. Ja, daar zijn ze verzot op. Het is dikke armoede dus, en hoe mijn moeder aan dat geld komt weten we ook niet."


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM