Uitgebreid zoeken

KNIL

In 1946 ging meneer Keller op 18 jarige leeftijd in dienst van het KNIL. Omdat meneer Keller Indo-Europees was en geen Nederlandse nationaliteit had, werd hij ingedeeld in een inheems compagnie. Hij had naar eigen zeggen wel aanpassingsmoeilijkheden. ‘Religie, op een matje slapen, andere soort humor, het zijn Indonesiërs hè, allemaal soorten. Ik had Boeddhisten, Islamieten, Chinezen. Dat houdt dus in dat ik geen varkensvlees kreeg, geen koeienvlees kreeg, alleen maar eieren [lacht hardop].’ Zijn familie was niet zo blij met zijn keuze. ‘Ja, nee mijn familie, mijn vader voornamelijk, vond er niks van, want het vooroorlogse KNIL, de blanken dat was tuig in hun ogen. Het is een Indische familie met een bepaalde cultuur. Pa vond het niet leuk en in het bijzonder omdat ik dus in een inheemse compagnie zat.’ Maar bij het KNIL werd meneer Keller goed verzorgd. ‘Indië was ons huis hè. Het KNIL is je huis. Je wordt verzorgd, het eten het slapen, alles.’


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM