Uitgebreid zoeken

Meer beperkingen (1900-1940)

Lange tijd bemoeide de overheid zich weinig met de binnenkomst en het verblijf van migranten. Pas in de eerste helft van de 20ste eeuw zijn de regels voor binnenkomst, verblijf en arbeid van vreemdelingen aangescherpt. Bovendien werd toen het ambtenaren- en politieapparaat uitgebreid, waardoor meer controle kon ontstaan op de naleving van voorschriften. Deze ontwikkeling werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en vooral door de wereldwijde economische depressie in de jaren '30. Nederland was weliswaar neutraal in die oorlog, maar kreeg wel te maken met grote groepen vluchtelingen en buitenlandse militairen. Na de oorlog verbleven er nog steeds veel meer vreemdelingen in het land dan gebruikelijk. Die situatie leidde tot een aantal nieuwe maatregelen. Vanaf 1918 moesten vreemdelingen bijvoorbeeld weer beschikken over een geldig paspoort met visum. Bovendien moesten zij zich volgens het nieuwe Vreemdelingenreglement (1918) binnen 24 uur melden bij de plaatselijke politie. Zij kregen daar een identiteitskaart, die ze altijd bij zich moesten hebben. Vanaf 1920, toen bleek dat het grootste deel van de oorlogsvluchtelingen weer het land uit was, versoepelde het beleid. Na enige jaren was er weinig meer over van het strenge naoorlogse beleid. Steeds meer landen werden toen vrijgesteld van de visumplicht. In 1926 hoefden ook Duitsers geen visum te hebben. Voor Polen, Tsjechen en andere Oost-Europeanen bleef de visumplicht nog wel bestaan.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM