Uitgebreid zoeken

Het Nederlandse kennismigrantenbeleid

Binnen het Nederlandse toelatingsbeleid hebben hooggeschoolde arbeidsmigranten altijd een uitzonderingspositie ingenomen. Het verschilde uiteraard door de tijd  welke kennis en vaardigheden zij meebrachten, en op basis waarvan zij werden toegelaten.

Kennismigrantenregeling
Sinds 2004 bestaat er een ‘kennismigrantenregeling’ voor hoogopgeleide buitenlanders die naar Nederland komen om een bijdrage te leveren aan de kenniseconomie. De werkgever hoeft voor hen geen tewerkstellingsvergunning aan te vragen bij het UWV, maar moet wel verklaren een inkomen te betalen dat boven een vastgestelde grens van ongeveer vijftig duizend euro per jaar ligt. Deze inkomensgrens geldt niet voor buitenlandse studenten, promovendi, en wetenschappelijk onderzoekers. Deze groep kan aanspraak maken op het Europese toelatingsbeleid – de ‘Blue Card’ – waarvoor een opleidingscriterium geldt. De grootste groepen die de afgelopen jaren gebruik maakten van deze regeling zijn volgens het CBS afkomstig uit India, Amerika, China, Japan en Turkije.

Multinationals
Vooral in de jaren zeventig ontstond een lobby van multinationals als Shell en Philips, en de universiteiten om een flexibeler toelatingsbeleid voor hooggeschoolde arbeidsmigranten te vormen. Dit zou de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven verbeteren en Nederland aantrekkelijker maken als vestigingsland voor buitenlandse ondernemingen. Wel ontstond er binnen de politiek discussie over de komst van hooggeschoolde arbeidsmigranten uit ontwikkelingslanden, ook wel ‘brain drain’ genoemd. Betekende dit immers een verlies van arbeidskrachten voor deze landen, of brachten de migranten juist kennis en ervaring mee terug?  Dit was bijvoorbeeld het geval met de komst van Surinaamse verpleegkundigen in de jaren vijftig, Filipijnse vroedvrouwen in de jaren tachtig, en Indiase ICT’ers in de jaren negentig.

Tijdelijk
Ook verder terug in de tijd stonden dit soort economische argumenten centraal in de regelgeving voor hooggeschoolde arbeidsmigranten. Zo bestonden er in de jaren vijftig tal van ‘vrijstellingen’ voor bijvoorbeeld diplomatiek personeel, handelsreizigers, buitenlandse correspondenten, wetenschappelijk onderzoekers, religieuzen, en personeel van multinationals. Zij hadden wel een visumplicht en moesten zich bij de plaatselijke politie melden, maar hadden geen arbeidsvergunning nodig. Daarbij gold als belangrijkste argument dat zij tijdelijk in Nederland verbleven en geen bedreiging voor de werkgelegenheid vormden. Migratiedeskundige Tesseltje de Lange spreekt in dit verband van ‘arbeidsmigratie in Nederlands belang’. Ook het bestaan van internationale handelsverdragen kon bijdragen aan een soepeler verlening van tewerkstellingsvergunningen, zoals bijvoorbeeld aan het personeel van Amerikaanse multinationals.

Stedelijke economie
Ook vóor de ontwikkeling van een apart beleid voor hooggeschoolde arbeidsmigranten kon deze groep als gevolg van hun relatief hoge inkomenspositie de meeste migratiewetgeving omzeilen. Met de invoering van een landelijk vreemdelingenbeleid in 1849 gold dat een ieder die beschikte over een geldig paspoort (met visum) en voldoende middelen van bestaan, moest worden toegelaten. Het enige geval waarin bezwaar tegen de komst van hooggeschoolde arbeidsmigranten werd ingebracht, was wanneer zij de openbare orde of publieke rust verstoorden. Dit kon bijvoorbeeld het geval zijn bij de komst van politieke vluchtelingen of in het geval van spionage. Vóór de negentiende eeuw kende Nederland geen landelijk vreemdelingenbeleid, maar waren migranten wel meer of minder gewenst op basis van hun bijdrage aan de stedelijke economie. Brachten zij bepaalde kennis of vaardigheden mee, en was het onwaarschijnlijk dat zij een beroep op de stedelijke armenzorg deden, dan konden zij op tal van privileges rekenen. Zeker in de Gouden Eeuw kende Nederland een betrekkelijk tolerant vestigingsklimaat, voor zowel politieke als religieuze vluchtelingen. Een voorbeeld hiervan zijn de 140.000 Hugenoten die tussen 1680 en 1720 Frankrijk ontvluchtten. Zij werden verwelkomd om hun geld, kennis, en contacten, en hoefden bijvoorbeeld niet te betalen voor het lidmaatschap van gilden.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM