Uitgebreid zoeken

Nieuwe beperkingen 1934

De economische depressie en de sterk stijgende werkloosheid leidden in de jaren '30 tot nieuwe beperkingen. Politieke partijen en de vakbeweging wilden maatregelen om de werkgelegenheid van Nederlanders te beschermen. Vanaf 1934 werd daarom de beroepsarbeid van vreemdelingen aan banden gelegd. Met de Vreemdelingenarbeidswet (1934) kon de overheid bepalen in welke beroepen vreemdelingen alleen met een schriftelijke vergunning mochten werken. Het aantal beroepen dat onder de maatregel viel werd steeds verder uitgebreid. Toen in 1936 ook voor buitenlandse dienstbodes een vergunning was vereist was alle loonarbeid van vreemdelingen aan banden gelegd. In 1937 volgde een wet om de vestiging van zelfstandige bedrijven van vreemdelingen tegen te gaan. Maar deze wet is alleen toegepast voor enkele bedrijfstakken zoals het kleding- en terrazzobedrijf. In de praktijk hadden de maatregelen niet zo heel veel effect. In bepaalde beroepen werden vreemdelingen inderdaad ontslagen of niet meer aangenomen. Maar veel buitenlanders werkten in gespecialiseerde beroepen waarvoor weinig Nederlanders waren te vinden. Of ze werkten in beroepen, zoals in de particuliere huishouding, waar Nederlanders niet wilden werken. Bovendien had Nederland met zowel Duitsland (in 1904) als België (in 1933) een vestigingsverdrag gesloten. Duitsers en Belgen kregen daardoor makkelijk een vergunning om een bedrijf te vestigen of ergens in loondienst te werken. Ook al was het directe effect van de wet van 1934 waarschijnlijk niet zo groot, op lange termijn was de maatregel belangrijk. De verplichting om voor vreemdelingen een werkvergunning aan te vragen is namelijk nooit meer verdwenen.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM