Uitgebreid zoeken

Opvang van joodse vluchtelingen

De Nederlandse joodse gemeenschap richtte zelf organisaties op om vluchtelingen op te vangen. Veel vluchtelingen kwamen in Amsterdam terecht, waar verreweg de meeste joodse Nederlanders woonden. Daar werd in 1933 het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen opgericht. Vertegenwoordigers van dit comité overlegden met de Nederlandse overheid over het toelatingsbeleid voor vluchtelingen. Daarnaast werd voor de praktische opvang van de vluchtelingen het Comité voor joodse vluchtelingen opgericht. Ook in andere plaatsen bestonden comités voor joodse vluchtelingen. Vanaf 1934 was het voor vluchtelingen verboden om een beroep uit te oefenen. Daardoor waren veel vluchtelingen aangewezen op hulp van de comités. De kosten van die opvang werd betaald door de joodse gemeenschap zelf. Een aantal jonge joodse vluchtelingen kwam in een joods werkdorp in de Wieringermeer terecht. Zij kregen er een vakopleiding met het doel om daarna naar Palestina of een ander land te emigreren.



Een deel van de vluchtelingen werd opgevangen in kampen, zoals het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork. Dit barakkenkamp was gebouwd met geld van de joodse gemeenschap. In het najaar van 1939 arriveerden de eerste bewoners. Het aantal vluchtelingen in Westerbork groeide uiteindelijk tot ongeveer 1100 in mei 1940. In de eerste jaren van de oorlog werden de joodse kampbewoners met rust gelaten. Vanaf 1942 werd het kamp door de Duitsers als doorgangskamp gebruikt. Een groot deel van de Nederlandse joden en ook van de joodse vluchtelingen is in de oorlog via Westerbork op transport gesteld en vermoord in Duitse vernietigingskampen. Het is niet bekend hoeveel van de joodse vluchtelingen in Nederland de oorlog overleefden. Na de oorlog werd kamp Westerbork, omgedoopt in 'Schattenberg', eerst gebruikt om Indische Nederlanders op te vangen. In 1951 maakten deze plaats voor een groep Molukkers die er tot in de jaren '60 zouden blijven.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM