Uitgebreid zoeken

Overzicht 1800-1900

1800-1900
In het kort: In de periode 1800-1900 nam migratie naar Nederland sterk af, vooral na 1830. Nederland raakte zijn centrale positie in de internationale handel kwijt. Belangrijker was dat omringende landen als Engeland, België en Duitsland vroeger en massaler industrialiseerden. Een van de gevolgen daarvan was dat zij op grote schaal migranten aantrokken, zowel binnensland als van over de grenzen. Zo maakte de snelle groei van het Ruhrgebied Duitsland onder meer populair bij migranten uit het Westen van Duitsland, dat eeuwenlang de vaste 'leverancier van migranten naar Nederland  was geweest. Er ontstond zelfs een omgekeerde beweging, van Nederlanders die in Duitsland gingen werken. Door de ontwikkeling van het snellere stoomschip werd in de tweede helft van de 19de eeuw ook Amerika een aantrekkelijke bestemming. Ook veel Nederlanders vertrokken naar elders, vooral boeren en landarbeiders. Zij bouwden in Amerika, Duitsland en België een nieuw bestaan op. Het aantal mensen dat Nederland verliet, overtrof in deze periode het aantal nieuwkomers. Tot slot zien we in deze periode een uitgebreid en grootschalig koloniaal migratiecircuit ontstaan tussen Nederland en Nederlands-Indië.

  1. Soldaten en matrozen
  2. Kennismigranten
  3. Vluchtelingen
  4. Ambulante (rondtrekkende) beroepsuitoefenaars
  5. Arbeidsmigranten
  6. Trekarbeiders
  7. Vreemdelingenbeleid
1. Soldaten en matrozen 1800-1900
Met de vorming van nationale staande legers en de invoering van de dienstplicht verdween in Nederland  het fenomeen van de huursoldaat en van buitenlandse regimenten. Alleen voor de koloniën bleef men buitenlanders werven, omdat daar te weinig Nederlanders warm voor liepen. Tot 1909 zouden tienduizenden rekruten zich in het koloniaal werfdepot in Harderwijk melden voor het Koninklijk Nederlandsch Indisch leger (KNIL). Vreemdelingen op de Nederlandse handelsvloot vertonen een wat grotere continuïteit. Zo bleef een bescheiden stroom van Noorse en Zweedse matrozen intact tot in de jaren zestig van de 19e eeuw, om vervolgens vrijwel geheel op te drogen.

2. Kennismigranten 1800-1900
Nederlandse universiteiten bleven in de 19e eeuw docenten en studenten aantrekken, al kon men niet concurreren met het negentiende eeuwse academische mekka van Europa, te weten Duitsland. Aan het eind van de 19e eeuw wisten sommige universiteiten, zoals de natuur- en sterrenkundigen in Leiden, zich te ontwikkelen tot centra met een mondiale uitstraling. Niet in het minst door de toekenning van diverse Nobelprijzen: aan Lorenz en Zeeman in 1902, aan Van der Waals in 1905 en Kamerlingh Onnes in 1913. Daarnaast vormde de landbouwkundige en geologische exploitatie van de koloniën, met name in de Oost, een reden voor buitenlandse specialisten om naar Nederland te komen en van daaruit hun talenten in dienst te stellen van Nederlandse bedrijven en overheden.

3. Vluchtelingen 1800-1900
Na de Napoleontische oorlogen werd het lange tijd rustig in West Europa, op enkele uitbarstingen na, zoals de Frans-Duitse oorlog van 1870. Bovendien speelde religie een minder grote rol als motief om mensen te verdrijven. Het aantal vluchtelingen was dan ook klein. In de periode dat België nog bij het koninkrijk hoorde (1815-1830) was Brussel een bekende verzamelplaats voor nationalistische vrijheidsstrijders (uit Italië bijvoorbeeld) en voor revolutionairen van diverse pluimage. Daarnaast moeten we denken aan Duitse katholieken die ten tijde van de ‘Kulturkampf’ onder de Duitse eerste minister Bismarck in de jaren zeventig en tachtig van de 19e eeuw werden vervolgd. Een groot aantal ordes besloot daarop hun kloosters en scholen te verplaatsen naar Nederland, vooral naar Limburg. Tot slot noemen we joodse vluchtelingen uit Rusland aan het einde van de eeuw. Het ging hierbij om kleine aantallen. Verreweg de meesten verkozen de Verenigde Staten, Parijs, Londen en Antwerpen als bestemming.

4. Ambulante (rondtrekkende) beroepsboefenaren 1800-1900
Het aantal rondtrekkende buitenlandse marskramers en ambachtslui nam in de 19e eeuw sterk toe. Hert ging vooral om Duitse ‘pakkendrager’, ook wel Teuten genoemd. Zij reisden stad en land af om allerhande manufacturen aan de man en vooral aan de vrouw te brengen. Vooral in de eerste helft van de 19e eeuw waren, zeker op het platteland, winkels niet dik gezaaid. Dus waren marskramers, maar ook scharenslijpers, bezemmakers en stoelenmatters graag geziene gasten. Handelaren met allerhande waren, zoals Keulse potten, vestigden zich al snel in allerlei steden. Hier richtten ze opslagplaatsen in en van daaruit liepen ze het omringende platteland af. Een deel van de Duitse marskramers ging vanaf de jaren twintig over op vaste winkels. Kleding en textiel, maar ook andere waren: denk aan De winkel van Sinkel in Utrecht. Sommigen waren zeer succesvol en stichtten international ketens, zoals V(room) & D(reesmann) en C(lemens) & A(ugust Brenninkmeijer). Daarnaast trokken er op gezette als zigeuners aangeduide groepjes door Nederland  als berenleiders, paardenhandelaren en ketellappers.

5. Arbeidsmigranten 1800-1900
De migratie naar Nederlandse steden verminderde in de 19de eeuw ten opzichte van de eeuw hiervoor. Wel vestigden zich nog altijd buitenlandse ambachtsknechten om te werken bij bakkers en kleermakers. Ook vonden velen werk als dienstbode, handels- en winkelbediende, bierbrouwer of suikerbakker. Vooral Duitsers, Belgen en Scandinaviërs behoorden tot deze groepen. Verder kwamen er Italiaanse schoorsteenvegers zoals de 14-jarige Vitale die in 1838 te voet vanuit het Noord-Italiaanse bergdorpje Druogno naar Amsterdam vertrok. Hij legde de basis voor het schoorsteenvegersbedrijf Vittali, dat tot op de dag van vandaag bestaat. Er kwamen ook handelaren uit tal van andere landen: parapluverkopers uit de Franse Auvergne, handelaren in handschoenen uit Tirol, Italianen die gipsenbeelden verkochten en Belgische strohoedenverkopers. Tot slot waren Nederlandse steden als Den Haag en Amsterdam aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor buitenlandse prostituees uit Duitsland, België en Frankrijk. Daarnaast kwamen er gouvernantes uit met name Duitsland en Zwitserland die de opvoeding van de kinderen van de elite op zich namen.

6. Trekarbeiders 1700-1800
De seizoensgebonden trek van Duitsers naar Nederlandse landbouwgebieden zette zich in de 19e eeuw voort. Ze kwamen om te maaien en te hooien, en om bijvoorbeeld kanalen te graven. Hun aantal nam in de loop van de eeuw sterk af en rond de eeuwwisseling waren ze bijna verdwenen. Andere seizoensgebonden migranten vonden hun weg naar Nederland; kleinere aantallen, met een diverse achtergrond. Zo waren er Duitse stukadoors die in maart en april aankwamen en tussen eind juni en november weer vertrokken. Maar ook strohoedenmakers uit het Belgische Jekerdal, onder Maastricht gelegen, en Italiaanse schoorsteenvegers. Naast seizoensarbeiders waren er ook seizoenshandelaren, die onder meer uit België, Duitsland, Italië en Frankrijk kwamen.

7. Vreemdelingenbeleid
In 1849 werd voor het eerst wettelijk vastgelegd welke vreemdelingen Nederland mochten binnenkomen en wie ongewenst waren. Volgens deze Vreemdelingenwet moest iedereen toegelaten worden die beschikte over een geldig paspoort (met visum) en over voldoende middelen van bestaan. Vreemdelingen die niet beschikten over een paspoort of geld hoefden niet perse weggestuurd te worden. Als ze er maar betrouwbaar uitzagen en voldoende mogelijkheden hadden om werk te vinden, mochten ze eveneens de grens over. Er was in Nederland vaak voldoende werk en het was niet de bedoeling om buitenlandse seizoensarbeiders en andere arbeidsmigranten al te veel in de weg te leggen. Vreemdelingen zonder bestaansmiddelen konden volgens de wet worden uitgezet. De Vreemdelingenwet van 1849 was vooral bedoeld om te voorkomen dat Nederland opgescheept raakte met buitenlandse ‘armoedzaaiers’ die geen werk konden vinden. Vreemdelingen die bedelden of aan lager wal raakten, konden met de wet in de hand makkelijk worden verwijderd. En dat gebeurde ook volop. Ieder jaar werden duizenden arme vreemdelingen over de Belgische en vooral de Duitse grens gezet.

MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM