Uitgebreid zoeken

Overzicht 1900-1945

1900-1945
In het kort: In de eerste helft van de 20ste eeuw was het aantal migranten in Nederland weer groter dan in de eeuw ervoor. Nederland bleef neutraal tijdens de oorlog maar ving wel honderdduizenden burgers en tienduizenden militairen op. Verreweg de meesten kwamen uit het door oorlog geteisterde België, maar keerden in 1918 weer huiswaarts. Afgezien van kleine plukjes vluchtelingen, bijvoorbeeld uit Rusland, nam het aantal vluchtelingen pas vanaf 1933 weer een grote vlucht. Het betrof naast joodse Duitsers ook politieke vluchtelingen. Verreweg de belangrijkste soort migranten na 1918 waren Duitse mannen en vrouwen die tijdelijk dan wel permanent in Nederland gingen werken, waar een grote vraag naar arbeid bestond. Duitsland daarentegen was totaal berooid na de Eerste Wereldoorlog en werd bovendien geplaagd door hyperinflatie in het begin van de jaren twintig, waardoor de harde Nederlandse gulden een zeer aanlokkelijk perspectief bood. Veel Duitsers trokken daarom naar Nederland. De landbouwsector was gemoderniseerd en had geen trekarbeiders meer nodig. Maar er was veel vraag naar arbeidskrachten in fabrieken, mijnen en in particuliere huishoudens.

  1. Soldaten en matrozen
  2. Kennismigranten
  3. Vluchtelingen
  4. Ambulante (rondtrekkende) beroepsuitoefenaars
  5. Arbeidsmigranten
  6. Buitenlandse adoptiekinderen
  7. Koloniale migranten

1. Soldaten en matrozen 1900-1945
In het begin van de twintigste eeuw besloot de Nederlandse staat de werving van buitenlanders voor het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (KNIL) te beëindigen, waarmee een eind kwam aan een eeuwenlange afhankelijkheid van migranten voor de krijgsdienst. Buitenlandse matrozen vinden we ook in de twintigste eeuw volop, al zien we wel verschuivingen van Duitsland en Scandinavië naar bijvoorbeeld China, waar steeds  meer stokers vandaan kwamen voor de intercontinentale scheepsverbindingen. Een klein aantal van deze zeelui uit China zou zich semi-permanent in Nederlandse havensteden als Rotterdam en Amsterdam vestigen in de jaren twintig.

2. Kennismigranten 1900-1945
Nederlandse universiteiten bleven in de twintigste eeuw docenten en studenten aantrekken. Bekend is de aantrekkingskracht van de Leidse universiteit voor natuurkundigen, zoals Albert Einstein die begin jaren twintig kort in Leiden werkte. Maar ook andere disciplines wisten met grote regelmaat buitenlandse specialisten aan te trekken. Over multinationale bedrijven, zoals Philips en Shell zijn we slechter ingelicht, maar ook zij maakten gebruik van kennismigranten uit het buitenland. Daarnaast vormde de landbouwkundige en geologische exploitatie van de koloniën, met name in de Oost, een reden voor buitenlandse specialisten om naar Nederland te komen en van daaruit hun talenten in dienst te stellen van Nederlandse bedrijven en overheden. Ook kwamen er in toenemende mate studenten uit het toenmalige Nederlands Indië, studenten uit Suriname of studenten uit de Antillen voor een studie.Tot slot vestigden zich internationale organisaties en instituten in Nederland, zoals het Haagse Vredespaleis (1913), die ook kenniswerkers naar de kusten van de Noordzee lokten.

3. Vluchtelingen 1900-1945
Deze periode kent twee grote vluchtelingenstromen. Ten eerste de bijna 1 miljoen Belgische vluchtelingen die in 1914 bij de inval van Duitse troepen en het beleg van Antwerpen de zuidgrens over vluchtten. Verreweg de meesten keerden terug toen de rust weer enigszins weerkeerde, maar zo’n 100.000 militairen en burgers bleven tot het einde van de oorlog in Nederland, deels in kampen en een deel ondergebracht in hotels, pensions en bij particulieren. De tweede belangrijke groep vluchtelingen waren tienduizenden joodse Duitsers (en ook wel Polen) die vanaf 1933 een heenkomen zochten in Nederland. Van de joden kwam een groot aantal in Amsterdam terecht, bij Nederlandse geloofsgenoten, terwijl een ander deel in kampen, zoals Westerbork in Drenthe werd opgevangen. Niet alleen joden vluchtten uit Duitsland, ook anderen, politieke vluchtelingen, die door het nazi-regime als vijanden waren bestempeld: socialisten, communisten en trotskisten, maar ook katholieken, kunstenaars en intellectuelen.

4. Ambulante (rondtrekkende) beroepsuitoefenaars 1900-1945
Het aantal rondtrekkende buitenlandse marskramers en ambachtslui nam in de 20e eeuw af. Afgezien van kleine groepjes als 'zigeuners' aangeduide berenleiders, paardenhandelaren, muzikanten en ambachtslui, verschenen er in de jaren twintig en dertig ook werkloos geworden Chinese matrozen, uit de buurt van Hong Kong en Canton die met zelfgemaakte pindakoekjes in blikken trommels langs de deur gingen. Andere Chinese kooplieden uit de meer noordelijk gelegen regio Zhejiang ventten met geneeskrachtige stenen, textiel en snuisterijen.

5. Arbeidsmigranten1900-1945
Het aantal arbeidsmigranten in Nederland nam in de jaren twintig sterk toe omdat Nederlandse bedrijven zaten te springen om personeel. In de bouw, de mijnen en de metaalindustrie waren vooral Duitse migranten zeer welkom. Maar er werd ook personeel geworven in andere landen, bijvoorbeeld mijnwerkers uit Slovenië of mijnwerkers uit Italië, of Polen. Vakbonden waren minder te spreken over de buitenlandse concurrenten, maar hun protesten vonden nauwelijks gehoor bij de verantwoordelijke ministeries. Van verdringing van Nederlandse arbeiders was nauwelijks sprake. Ook voor een baan als dienstbode waren te weinig Nederlandse arbeidskrachten te vinden. De meeste migranten kwamen net als voorgaande eeuwen uit Duitsland. Maar naar de mijnen kwamen ook Slovenen, Italianen en Polen. En naast Duitse dientbodes reisden ook Oostenrijkse, Tsjechische en Slowaakse dienstbodes naar Nederland af. Daarnaast vestigden zich migranten in Nederland met een specifiek beroep, zoals Italiaanse schoorsteenvegers en ijsmakers.

6. Buitenlandse adoptiekinderen 1900-1945
Hoewel in deze periode officieel nog geen buitenlandse adoptiekinderen naar Nederland kwamen, was er wel sprake van verkapte adoptie als uitvloeisel van grootschalige programma’s om tijdelijke buitenlandse pleegkinderen in gezinnen op te nemen. Het begon tijdens de Eerste Wereldoorlog met Belgische kinderen die bij Nederlandse pleeggezinnen werden ondergebracht en van wie een deel uiteindelijk zou blijven. Dat laatste gold overigens ook voor Duitse, Oostenrijkse en Hongaarse pleegkinderen die na de oorlog naar Nederland kwamen om hier in een pleeggezin aan te sterken. De organisatie was in handen van private levensbeschouwelijke organisaties, zoals de katholieke en protestantse kerken, maar ook de joodse gemeenschap en de arbeidersbeweging.

7. Koloniale migranten 1900-1945
Tijdens het interbellum kwamen er geregeld koloniale migranten naar Nederland. Uit Suriname kwamen enkele honderden studenten, maar ook muzikanten - verreweg de meesten van Creoolse herkomst. De zwarte muzikanten speelden een belangrijke rol in de Amsterdamse jazzscene en trokken door hun exotische uiterlijk veel aandacht. Sommigen van hen verdienden ook geld als model op kunstacademies. Daarnaast zetten Indonesische vrouwen voet aan wal die meekwamen als verzorgers van de kinderen van de talrijke Indische verlofgangers. Deze ‘baboes’ bleven grotendeels onzichtbaar in Nederland, omdat ze in gezinsverband werkten. Zij waren vooral geconcentreerd in Den Haag, de verlofgangersstad bij uitstek.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM