Uitgebreid zoeken

Displaced persons uit de Baltische Staten

De Nederlandse staat regelde de komst van displaced persons met een contract, ondertekend door internationale vluchtelingenorganisaties, de International Gouvernmental Commission for Refugees (IGCR) en later de International Refugee Organisation (IRO). Vervolgens stuurde Nederland een selectieteam om jonge, ongehuwde en arbeidsgeschikte kandidaten te zoeken. In dit team zaten zowel ambtenaren als mensen uit het bedrijfsleven. Het plan was om 8.500 displaced persons aan te trekken, waarvan 4.000 vrouwen. Internationale organisaties regelden het transport van de kampen naar de Nederlandse grens. De reis in Nederland kwam voor rekening van de deelnemende Nederlandse bedrijven.

De toelating van displaced persons bracht Nederland enkele voordelen. Zo kreeg het Nederlandse bedrijfsleven nieuwe werknemers. De Nederlandse staat won enig internationaal aanzien door het leveren van een kleine bijdrage aan het oplossen van een groot Europees vluchtelingenprobleem. In de kampen werden zij door Nederland en andere landen geselecteerd voor toelating. In de zomer van 1947 kwamen allereerst 25 Baltische meisjes in Nederland aan. Zij werden in september gevolgd door een nieuwe lichting van 275 displaced persons. Daarna arriveerden iedere paar weken nieuwe groepjes geselecteerde vluchtingen. In december 1948 kwam er een einde aan de werving. In de jaren daarna liet Nederland nog enkele honderden oudere en zieke displaced persons toe.

De eerste groep van 25 Baltische meisjes kwam op verzoek van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Ziekenhuizen hadden dringend behoefte aan vrouwelijk personeel. Ook aan huishoudelijk personeel was een gebrek. Vandaar het plan van de regering om 4.000 vrouwelijke displaced persons toe te laten. Deze vrouwen zouden bovendien geen beroep doen op de schaarse woonruimte, omdat ze intern in een ziekenhuis of bij mensen thuis gingen wonen. Van de mannelijke displaced persons werkte driekwart in de mijnen; de overigen in de metaal- en textielindustrie. Het grootste probleem was de huisvesting van deze mannen vanwege de woningnood in de naoorlogse periode. In de mijnstreek loste men dit op door een aantal mannen bij elkaar in een huis te plaatsen, een zogenaamd gezellenhuis.

In Nederland kregen de displaced persons een verblijfsvergunning die elk jaar verlengd moest worden. Aan de werkvergunning die samen met de verblijfsvergunning werd uitgereikt, waren wel enige voorwaarden verbonden. Zo mocht men alleen naar een andere baan overstappen als het arbeidsbureau daar toestemming voor gaf. Particuliere werkgevers waren verplicht om de aangetrokken displaced persons twee jaar in dienst te houden. Wel kon de directeur van het arbeidsbureau ontheffing verlenen. Displaced persons waren dus zeker niet beschermd tegen werkloosheid, en evenmin tegen uitzetting. Bij slecht gedrag of het weigeren van werk kon de Vreemdelingendienst besluiten de betreffende persoon terug te sturen naar het vluchtelingenkamp. Er is geen bewijs dat dit ook daadwerkelijk gebeurde. Wel is een deel van de displaced persons vrijwillig teruggekeerd naar de vluchtelingenkampen. Zij vernamen namelijk dat daar intussen mensen werden geselecteerd voor toelating tot de Verenigde Staten.

In december 1948 stopte Nederland met de selectie van displaced persons. Van de voorgenomen 8.500 waren er uiteindelijk maar 4.000 naar Nederland gekomen. Onder hen slechts 300 vrouwen. Nederland hield op met werven toen er te weinig geschikte arbeidskrachten in de kampen waren achtergebleven. Andere landen waren al eerder begonnen met de selectie van displaced persons in de kampen. Veel jonge mannen en vrouwen waren al vertrokken naar bijvoorbeeld BelgiĆ« of Engeland. Nederland was niet alleen laat, maar ook minder aantrekkelijk voor displaced persons vanwege de strenge leeftijdseisen en de beperking tot alleenstaanden.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM