Uitgebreid zoeken

Gastarbeiders uit Marokko

Bij de migratie van Marokkanen naar Nederland speelde de officiële werving via de overheid een geringe rol. Slechts 4000 Marokkaanse gastarbeiders zijn via die officiële weg gekomen. Zij maakten een bescheiden deel uit van het totale aantal landgenoten dat in 1973 in Nederland woonde. In dat jaar kwam er officieel een einde aan het wervingsverdrag tussen beide landen. Hoe kwamen zij hier dan terecht? Onder andere uit de buurlanden van Nederland, die juist wel actief mijnwerkers betrokken uit de Rif. Maar ook door spontane migratie. Op die manier zijn zelfs de meeste Marokkanen naar Nederland gekomen. Echte gelukzoekers, zoals dat tegenwoordig heet. Zij hadden gehoord dat de omstandigheden in Nederland beter waren dan in andere Europese landen waar hun landgenoten een baan hadden geaccepteerd, zoals in Frankrijk en België. Menig Marokkaan van het eerste uur heeft destijds dus het heft in eigen handen genomen. In die tijd van grote arbeidstekorten hoefden werknemers zich ook zeker niet van alles te laten welgevallen. Als het werk hun begon tegen te staan, namen ze ontslag en probeerden ze het elders.

De Marokkaanse ‘gastarbeiders’ arriveerden toen de arbeidsmarkt om werknemers zat te springen – een tijd van economische hoogconjunctuur. De belangen van werkgevers gaven de doorslag, niet de opstelling van het departement van Justitie, die tot voorzichtigheid maande. De grenzen voor toelating gingen ook pas dicht toen de oliecrisis zich voordeed. Niemand geloofde toen nog dat eenmaal gevestigde migranten weer zouden teruggaan. Het was ook niet zo, dat er na 1973 ineens helemaal geen werk meer was voor buitenlandse arbeiders. Integendeel, ook toen bleven werkgevers benadrukken hoezeer zij afhankelijk waren van goedkope arbeiders uit het buitenland.

De werkloosheid van gastarbeiders nam dus niet dramatisch toe na de oliecrisis. Het omslagpunt lag rond 1980. De belangrijkste effect van de crisis was eigenlijk, dat veel buitenlandse arbeiders zich voor het eerst realiseerden dat er voor hen geen grootse toekomst gloorde in het land van herkomst. Om die reden wilden ze geen afstand doen van de opgebouwde sociale rechten in Nederland. Zij begonnen juist hun gezinnen te laten overkomen. De immigratie van Marokkanen nam dus fors toe na 1973, toen gezinsmigratie de plaats begon in te nemen van arbeidsmigratie.

In Nederland wonen anno 2010 ruim 167.000 in Marokko geboren Nederlanders en bijna 182.000 nakomelingen (tweede generatie). In totaal gaat het bij de groep Marokkaanse Nederlanders dus om zo’n 350.000 personen.

Lees het persoonlijke verhaal van één van die nakomelingen, Mohammed Chaara

Migratiecijfers: lees meer over Marokkaanse gastarbeiders en over Gastarbeiders in het algemeen

Deel je verhalen en foto's op Onzehelden, het online platform van Marokkomedia, dat samen met vijfeeuwenmigratie tot stand kwam.

In 1969 sloot Nederland een wervingsverdrag met Marokko. Zodra er een officiële aanvraag uit Nederland kwam, wees de Marokkaanse overheid een plaats aan waar de Nederlandse delegatie kon  werven. Ambtenaren van het Ministerie van Sociale Zaken en personeelschefs van Nederlandse bedrijven selecteerden de Marokkaanse kandidaten. Een klassieke test was de proef met het geelgroene bord. Gadegeslagen door een Nederlander met een stopwatch moesten Marokkaanse mannen zo snel mogelijk de moeren van het gele deel van het bord halen, om ze vervolgens op de groene bouten te draaien. Hoewel de werving zich vooral richtte op mannen, kwamen ook vrouwen in aanmerking voor een arbeidscontract. Vrouwen tussen 21 en 30 jaar konden werk krijgen als  naaister of schoonmaakster. In maart 1970 besloot Marokko de werving van vrouwen echter te stoppen. Bedrijven konden ook arbeiders werven op naam. Nederlandse werkgevers konden zo familieleden laten overkomen van buitenlandse werknemers die zij al in dienst hadden. Maar de meeste Marokkanen zijn buiten de werving, dus op eigen gelegenheid, naar Nederland gekomen.

Nederlandse bedrijven als de Staatsmijnen, DAF en Chemie NV, hadden de grootste aantallen Marokkanen in dienst. Ahmed begon in 1964 als mijnwerker bij de Oranje Nassau III mijn. Hij had eerder in België en Frankrijk in de mijnen gewerkt, maar de Nederlandse mijn was moderner en schoner. Het werk was ook niet zo zwaar: Ahmed moest de kolen die langs de lopende band vielen terug op de band scheppen. Anderen kwamen terecht in bedrijven van de schoonmaakbranche. Sommige Marokkanen begonnen met de verkoop van speciale producten voor de groeiende groep landgenoten in Nederland. In 1967 werd in Utrecht de eerste Marokkaanse slagerij geopend die halal vlees verkocht. De massale ontslagen die eind jaren ’70 plaatsvonden in veel grote bedrijven, betekende voor een flink aantal Marokkanen het einde van hun werkende bestaan. Een deel van hen kwam in WW of WAO terecht. Voor anderen lonkte het ondernemerschap.


Mijnwerkersdiploma Ali ChorakMijnwerkersdiploma Ali Chorak

Marokkaanse gastarbeiders die werden geworven, kregen in de regel een woonplek aangeboden in een bedrijfspension of woonoord. Maar de meeste Marokkanen kwamen op eigen initiatief en moesten zelf voor onderdak zorgen. Bedrijfspensions bestonden er in alle soorten en maten. Doorgaans deelden bewoners een kamer met een aantal bedden of stapelbedden. Er was weinig privacy, dus ruzies en vechtpartijen konden niet uitblijven. Particuliere pensions waren zeer in trek bij Marokkanen, wat niet wil zeggen dat de leefomstandigheden daar altijd beter waren. Integendeel, de wantoestanden in de ‘gastarbeiderspakhuizen’ vormden regelmatig onderwerp van tv-uitzendingen en krantenartikelen. Particuliere pensions waren wel goedkoper dan bedrijfshuisvesting. Om de drukte van het pensionleven te ontvluchten, zochten Marokkanen ook wel kamers bij particulieren. Zo had Driss geluk. Hij hield het niet uit in het overvolle pension in hartje Utrecht, vertelde dit aan zijn cheffin die hem vervolgens meenam naar haar ouders: "Ik weet niet wat zij hun allemaal vertelde, maar ik mocht bij hen logeren."

Organisaties

Marokkaanse gastarbeiders moesten vaak hard en lang werken. In hun spaarzame vrije tijd hadden zij dus volop behoefte aan ontspanning. In de loop van de jaren zij ook allerlei Marokkaanse verenigingen opgericht, zoals een eigen sociëteit in de Amsterdamse Egelantiersstraat. Marokkanen konden hier concerten bijwonen, maar ook theater en dansavonden. Op een gegeven moment kregen zij ook een eigen landelijk radioprogramma. Verder was voetbal zeer populair. Ali van de Stichting Buitenlandse werknemers: "In 1967 heb ik Marokkaanse voetballers ondergebracht bij voetbalvereniging Door Broederschap Sterk (DBS). Het was de eerste voetbalclub in Eindhoven, en misschien wel in Nederland, die te maken kreeg met Marokkaanse voetballers." Een landelijke Marokkaanse voetbalcompetitie was halverwege de jaren zestig al een feit. Toen hun verblijf in Nederland langer duurde, kreeg men behoefte aan eigen gebedsruimten. Het was toen een kwestie van tijd voor het eerste moskeegebouw verrees.

De meeste Marokkaanse gastarbeiders hadden sterke banden met hun geboorteland. In 1975 stopte de werving van gastarbeiders als gevolg van de economische recessie. De Marokkanen in Nederland moesten toen beslissen of ze in Nederland bleven of teruggingen naar Marokko. Terug naar Marokko betekende dat het moeilijk werd om Nederland weer binnen te komen als het ginds niet zou bevallen. Veel Marokkanen zijn daarom niet teruggekeerd, ook omdat zij in Nederland sociale rechten hadden opgebouwd en zij hun vrouw en kinderen inmiddels hadden laten overkomen. Anderen gingen daar alsnog toe over. Met een gezin in Nederland - en kinderen die hier deels waren opgegroeid - werd het steeds moeilijker om nog terug te keren. Hoewel de meeste Marokkanen ooit van plan waren op een dag te remigreren, besloten velen voorlopig te blijven. Hoessein dacht altijd dat als mensen naar Europa migreerden om te werken, zij ooit weer terug zouden keren. Dat was ook zijn idee geweest: "Maar het leven overrompelt je. Van een fiets ga je naar een auto, dan krijg je een eigen huis, daarna neem je een kleuren-tv, een gezin, kinderen en een vrouw. Toen bedacht ik me: zal ik ooit zo’n leven kunnen leiden in Marokko? En het antwoord is: nee. Maar de eerste tien jaar van mijn verblijf in Europa was ik ervan overtuigd terug te gaan naar Marokko."

Het gangbare idee is dat de Marokkaanse overheid ervoor heeft gezorgd dat de Nederlandse werving zich vooral richtte op de Rif, een regio in het uiterste noordoosten van het land. Een gebied met een zwakke economie, een hoge dichtheid qua bevolking en een gespannen verhouding met het centrale gezag. Vrienden en familieleden uit die regio zouden dan later in het kielzog van de geworven arbeidskrachten zijn vertrokken – een vorm van kettingmigratie. Dit moet verklaren waarom ongeveer 75 procent van de huidige Marokkaanse Nederlanders van Riffijnse afkomst is. Alleen klopt die verklaring helemaal niet. Voor het boek Marokkanen in Nederland. De pioniers vertellen (2009) is driekwart van de wervingsplaatsen achterhaald voor de jaren 1969 tot 1972. Door die geografische herkomst in kaart te brengen, is een heel ander patroon blootgelegd. Het blijkt juist dat er vooral in steden buiten de Rif werd geworven. Er zijn uitzonderingen op die regel, zoals de acties in Taza en Al Hoceïma in december 1971. Maar toen was de Nederlandse werving in Marokko eigenlijk al over haar hoogtepunt heen.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM