Uitgebreid zoeken

Gastarbeiders uit Spanje

Na Italië was Spanje het tweede wervingsland voor buitenlandse werknemers. Het wervingsverdrag voor Italiaanse gastarbeiders werd in augustus 1960 gesloten. Het wervingsverdrag tussen Nederland en Spanje kwam al een jaar later, op 8 april 1961 tot stand. In het kader daarvan kwamen begin jaren zestig grote aantallen Spaanse gastarbeiders naar Nederland. Hun herkomstgebieden waren vooral Andalusië en Extremadura. Spanjaarden hadden vaak meer dan één reden om naar het buitenland te vertrekken. Om te beginnen heerste er op het platteland armoede. Dat kwam ook doordat grootgrondbezitters de boerenbevolking arm hielden. Daarnaast was dictator Francisco Franco aan de macht en was het land politiek verdeeld. Veel Spaanse gastarbeiders werden dus niet alleen aangetrokken door de werkgelegenheid in West-Europa, maar ook door de politieke vrijheid. Zoals Angel het samenvatte: "Mijn broer is in 1963 naar Nederland vertrokken, hij was een van de eersten die bij Philips ging werken. We leefden toen in een tijd van dictatuur, van veel armoede en weinig vrijheid. Mijn broer moedigde me aan om ook naar Nederland te komen en in januari 1965 ben ik gegaan."

De Nederlandse werving in Spanje begon in februari 1961. Twee maanden later sloten beide landen een officieel wervingsverdrag. Het was de Spaanse regering die de gebieden aanwees waar geworven mocht worden. Inwoners van die streken konden zich inschrijven bij plaatselijke arbeidsbureaus en werden opgeroepen als er een selectieteam van een Nederlandse bedrijf langskwam. Geselecteerde arbeiders kregen vervolgens een paspoort en vertrokken op kosten van hun nieuwe werkgever naar Nederland. Bij de werving van Spanjaarden stelde Nederland niet langer als eis dat de buitenlandse werknemers ongehuwd moesten zijn. Er bleken namelijk niet genoeg ongehuwde Spanjaarden te zijn die in Nederland wilden werken. Nadat de gastarbeiders zich hadden gevestigd in Nederland, volgde soms hun echtgenote. De vrouwen kwamen op een toeristenvisum en vonden ook zelf werk, bijvoorbeeld in fabrieken. Dit leidde in het begin wel tot problemen, waarover destijds zelfs Kamervragen zijn gesteld. Overigens kwamen er ook Spanjaarden buiten de wervingen om naar Nederland.

Aan het werk

Spaanse gastarbeiders vonden werk in Nederlandse regio’s waar zich grote industrieën bevonden. In de Rijnmond werkten ze in de metaalindustrie en de Rotterdamse havens; in de IJmond bij Koninklijke Hoogovens. Ook kwam een grote groep Spanjaarden in Eindhoven bij Philips te werken. In februari 1963 startten de eerste negentig Spaanse arbeiders bij de gloeilampenfabriek. De meesten van hen werden aan het werk gezet bij de afdeling televisiebuizen. Werknemer Manuel herinnerde zich: "Als ze zagen dat je sterk was, dan zeiden ze: 'Die is voor beeldbuizen!' Ik heb er ook twintig jaar gewerkt, maar het was heel zwaar werk. De beeldbuizen wogen indertijd 16 kilo per stuk en vaak moest je er 180 per uur optillen." Ook werkten veel Spanjaarden in de textielindustrie in Twente en in West-Brabant, en in de vleesverwerkende industrie in Oost-Brabant.

Veel Spaanse gastarbeiders woonden in bedrijfspensions en woonoorden. Werkgevers namen hiervoor hun toevlucht tot omgebouwde fabrieken en hotels, of ze lieten eigen woonoorden bouwen. Zo beschikte Philips in 1966 over twee woonoorden: El Pinar (De Pijnboom) en El Prado (De Speelweide). De woonoorden bevonden zich vaak op afgelegen plekken. Het was ook niet de bedoeling dat Spanjaarden zich zouden mengen met de rest van de bevolking. Zowel de bedrijven als de Spanjaarden zelf dachten immers dat zij hier maar tijdelijk waren. Spanjaarden die tegen huisvesting in grootschalige woonoorden waren, zochten particuliere woonruimte.

Net als de Italiaanse gastarbeiders kwamen Spanjaarden bij elkaar in casa’s (centra), die speciaal voor hen waren opgericht. Hier werden Spaanstalige films vertoond en konden tijdschriften en boeken in de landstaal worden gelezen. Deze Spaanse centra werden bestuurd door particuliere Nederlandse stichtingen. Wel werkten de besturen nauw samen met het Ministerie voor Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM). Dit ministerie verleende ook subsidies aan de casa's, met medefinanciering door de werkgevers. Daarnaast sprong ook de Spaanse ambassade financieel bij. Overigens waren zeker niet alle Spanjaarden gediend van deze bemoeienis van de Spaanse overheid. Als reactie zetten zij onafhankelijke centra op. Zo verscheen in Rotterdam 'La Union' en in Utrecht 'Libertad y Cultura'. Veenendaal en Amsterdam hadden onafhankelijke casa’s met alle dezelfde naam: 'Casa del Pueblo'. 

El Retorno

Aan het einde van het eerste wervingsjaar (1961) waren er al meteen 1500 Spanjaarden geworven. Dit aantal nam toe tot midden jaren zeventig, afgezien van een dip door de korte recessie in 1968. In 1975 kwam een einde aan het officiële wervingsverdrag. Veel Spaanse gastarbeiders keerden daarna terug naar hun thuisland. De dood van generaal Francisco Franco en het einde van de dictatuur vormde een belangrijke reden voor die terugkeer. Maar ook heimwee naar het gezin of het dorp speelde een rol, en een algemene weerzin tegen het soort werk in Nederland. Bovendien vreesden sommigen dat hun kinderen te veel zouden vernederlandsen.  De reden van terugkeer was in elk geval niet economisch, want er was in die tijd nog steeds weinig werk in Spanje. Zoals Sergio vertelde over zijn terugkeer naar Spanje in 1982: "In Tilburg zat ik zonder werk, maar in 1986 was ik weer terug. In Spanje kon ik ook geen werk vinden." De Nederlandse staat heeft destijds aparte subsidieregelingen in het leven geroepen om Spaanse remigranten te ondersteunen in hun thuisland. In 1976 richtte een kleine groep Spaanse ex-gastarbeiders de coöperatieve boerderij 'La Pequeña Holanda' op in Andalusië, een onderneming waaraan Nederland meebetaalde.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM