Uitgebreid zoeken

Gastarbeiders uit Turkije

Tussen 1960 en 1973 kwamen 65.000 Turkse migranten naar Nederland. Zij waren vooral afkomstig uit het Midden en Zuidoosten van Turkije, waar veel werkloosheid heerste. Ook Yasar ging naar Nederland om geld te verdienen. Voordat hij in 1963 in Tilburg als houtbewerker aan de slag ging, werkte hij in verschillende Turkse fabrieken en had hij een baan als taxichauffeur in Istanbul. Op een zeker moment besloot hij, zoals zovelen van zijn generatiegenoten, naar het buitenland te gaan. Hij had het volgende beeld voor ogen: "Een paar jaar werken in het buitenland, hard en sober leven zogezegd, om met het gespaarde geld een nieuwe Chevrolet te kopen." Anderen werden vooral getrokken door het avontuur. Zo ging Huseyin niet naar Nederland om de kost te verdienen of om veel geld te sparen: "Ik was jong en ik was nogal avontuurlijk ingesteld. Het was het avontuur dat me trok. Het idee om te gaan was geïnspireerd op een kennis die bij een bureau werkte dat mensen uitzond naar Europa." De meeste Turken gingen aan de slag in Duitsland, dat al in 1960 actief Turken begon te werven. Maar ook in andere Europese landen kwamen veel Turken terecht, waaronder Nederland.

Turan Gül, gastarbeider en columnist: Turan Gül (1940-1997) kwam in 1971 via Frankrijk naar Nederland om bij Bruynzeel in Zaandam te gaan werken. Lees meer

Turan Gül (1940-1997) kwam in 1971 via Frankrijk naar Nederland om bij Bruynzeel in Zaandam te gaan werken. In Turkije was hij enige tijd als journalist bij een kleine lokale krant ('Tribün') werkzaam geweest. Naast zijn baan bij Bruynzeel bleef hij voor die krant verslag doen over de ontwikkelingen in de Turkse gemeenschap in Zaandam. In 1972 werd hij correspondent bij de landelijke krant Hürriyet. Nog weer een jaar later begon hij een wekelijkse column te schrijven in de Zaanse krant 'De Typhoon'. De column heette Gül Bahçesi (Rozentuin) en verscheen zowel in het Turks als het Nederlands. De stukken gingen vooral over het wel en wee van de Turken in Zaandam: 'Ik voel me dichtbij jullie', luidde de kop van zijn eerste column. Niet lang daarna wees hij op de geringe belangstelling van Turkse ouders voor de bijeenkomst van de scholingscommissie.

Sommige Turkse migranten werkten eerst in Duitsland en kwamen daarna naar Nederland. In 1964 sloot ook Nederland een wervingsverdrag met Turkije, waarna Nederlandse selectieteams zelf op zoek gingen naar arbeiders in Turkije. Turken meldden zich bij het plaatselijke arbeidsbureau, dat de officiële registratie en de uitzending van Turkse werknemers regelde. Hier vond ook de keuring door Nederlandse bedrijven plaats. Ali herinnerde zich zijn angst voor een afkeuring: "De selectie was moeilijk. Je was ontzettend opgewonden. Ga ik wel of niet naar Nederland, dat ging steeds in je hoofd om." Het permanente selectiebureau van Nederland in Ankara, Hollanda Irtibat Bürosu, regelde de verdere procedure. De eerste werving richtte zich op geschoolde arbeiders uit de stad. Later verschoof de aandacht naar het binnenland, waar vooral ongeschoolde Turken woonden. Als in een bepaalde streek of gebied een werving succesvol was verlopen, keerden Nederlandse bedrijven vaak terug voor een vervolgwerving.

Lange dagen

In Nederland vonden gastarbeiders uit Turkije werk in de auto-industrie, de bouw, de metaal- en scheepsbouw, de textielindustrie en de schoonmaakbranche. Voor veel Turken bestond het leven hier uit niets dan werken. Zij maakten vaak lange dagen, met soms nachtelijke ploegendiensten. Omdat de Turkse gastarbeiders aanvankelijk niet van plan waren lang in Nederland te blijven, onderhielden zij nauwelijks sociale contacten. Neem Nuriye, die als schoonmaakster in het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda werkte: "Ik heb altijd twee baantjes tegelijk gedaan. ’s Avonds poetsen in de keuken van het ziekenhuis, overdag maakte ik witlof schoon." Het werk mocht zwaar zijn, de arbeidsomstandigheden waren beter dan in Turkije, vond Nihat, die bij Spinnerij Nederland werkte. Hij vond bijvoorbeeld de machines veel beter onderhouden. Ook de kantine en de rookruimte waren beter dan in het thuisland. Bovendien waren de chefs in Turkije heel autoritair. Onder elkaar een sigaretje roken, thee drinken en een praatje maken was in Turkije ondenkbaar. Naarmate het verblijf van de gastarbeiders langer duurde, maakte menige Turkse migrant de overstap naar het zelfstandig ondernemerschap. In het straatbeeld verschenen Turkse koffiehuizen, supermarkten en, nog weer later, de belwinkels.

Werkgevers regelden de huisvesting van gastarbeiders uit Turkije die via werving naar Nederland kwamen. Zij werden meestal ondergebracht in grote bedrijfspensions en woonoorden. De Nederlandse Dok- en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM]) had voor haar vele Turkse werknemers een groot woonoord laten bouwen in Amsterdam-Noord: ‘Atatürk’. Hier woonden ongeveer 270 mensen, verspreid over 34 slaapzalen. Ismail vond het samenwonen tegenvallen: "De één kwam laat terug uit nachtdienst of van het stappen, de ander snurkte of dronk." Sommige Turken gaven daarom de voorkeur aan een kamer bij particulieren. Ibrahim, afkomstig uit een rustig Turks stadje, vond het hotel waar hij was geplaatst veel te druk en werd zolderkamerbewoner bij een Nederlands echtpaar: Janet en Jack. Hij vond bij hen de warmte van een tweede familie. Turkse arbeiders die op eigen initiatief naar Nederland kwamen, hadden geen recht op woonruimte via de werkgever. Zij gingen vaak naar plaatsen waar al familie of dorpsgenoten woonden, in de verwachting dat die hen verder konden helpen. Dat verklaart waarom in veel Nederlandse steden een concentratie van migranten uit dezelfde Turkse regio is ontstaan. Zo komt in Dordrecht het merendeel van de Turken uit Felahiye en in Haarlem uit Emirdağ.

Vóór de komst van Turken waren al veel gastarbeiders met een andere nationaliteit naar Nederland gekomen. Daardoor bestonden al verschillende organisaties waar ook Turkse gastarbeiders terecht konden. Toen hun verblijf langer duurde, kregen de Turkse gastarbeiders behoefte aan eigen organisaties. Zo ontstonden Turkse culturele verenigingen (Türk Kültür Merkezi) en politieke organisaties, zoals de politiek linkse Hollanda Türkiyeli Isçiler Birliği en de politiek rechtse Grijze Wolven. Ook richtten de Turken eigen sportverenigingen op, zoals de voetbalclub Türkiyemspor, en religieuze organisaties. Onder toezicht van Diyanet, het directoraat Godsdienstzaken van het Turkse Ministerie van Algemene Zaken, werden gebouwen in gebruik genomen als moskee.

In 1960 telde Nederland 22 Turken met een verblijfsvergunning. In 1965 was dit aantal opgelopen tot 9.000. De piek van de migratie van Turkse arbeiders naar Nederland lag in 1972. Daarna nam deze af, tot er drie jaar later helemaal geen gastarbeiders meer werden toegelaten. Toen de werving door bedrijven staakte, kwam er ook een einde aan het pendelen tussen Nederland en Turkije. Als Turken voortaan terugkeerden naar het thuisland, konden ze niet langer meer vrij naar Nederland komen. Een deel van de Turkse gastarbeiders is toen wel teruggegaan, maar het overgrote deel bleef uiteindelijk in Nederland. Zoals Mustafa uitlegde: "Omdat we binnen enkele jaren terug wilden gaan, werkten we extra hard en meer dan gewoon. We wilden zoveel mogelijk geld verdienen in een kort tijdsbestek. Maar we konden ons doel niet bereiken. Die enkele jaren werden al snel vijf jaar, tien jaar, dertien jaar. Je vond hier je draai, ging trouwen en kreeg kinderen en dan kijk je even naar achteren en wat blijkt: ben ik al 33 jaar in Nederland. En nog steeds denk ik niet aan teruggaan." Turken met een gezin in hun geboorteland besloten nu hun vrouw en kinderen te laten overkomen. Naast deze gezinshereniging was er ook sprake van  gezinsvorming, d.w.z. Turkse mannen die trouwden met een vrouw uit Turkije, die vervolgens naar Nederland kwam.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM