Uitgebreid zoeken

Gemengde relaties in oorlogstijd

Gemengde relaties trekken extra de aandacht en worden sterker geproblematiseerd in tijden van sociale spanning, zoals oorlog. Dat betekent dat in oorlogstijd, en in perioden vlak na een oorlog, gemengde relaties vaak te maken krijgen met extra controles, sancties en speciaal op hen gerichte regels en beleid. Verder ontstaan door oorlog ook vaak vele gemengde relaties, door de aanwezigheid van grote groepen soldaten. Beide zien we in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Door de Duitse bezetting werd in Nederland de Nazi-wetgeving van kracht, inclusief het huwelijksverbod van joden met niet-joden. In 1942 werden alle gemengde huwelijken verboden. Maar ook daarvoor al duikt in de Nederlandse rechtspraak de vraag op of een geldig gemengd huwelijk met een Duitse joodse man of vrouw kan worden gesloten, daar de Duitse wetgeving een dergelijk huwelijk verbiedt.

Gemengd gehuwde joden waren in vergelijking met andere joden relatief beschermd. Maar in Nederland waren gemengd gehuwde joden er slechter aan toe dan in Duitsland zelf: Ze moesten een ster dragen en werden door ‘overijverige’ – volgens NIOD-onderzoeker Coen Stuldreher- Duitse instanties in Nederland vervolgd, gesteriliseerd en gedeporteerd, Volgens journaliste Loucky Content zijn de gemengd gehuwden het bewijs van de absurditeit van de Duitse rassentheorieĂ«n: de Duitsers kwamen er niet uit wie joods was en wie niet. De niet-joodse gezinsleden moesten toezien hoe joodse familieleden werden gedeporteerd, waar ze zelf tegen waren beschermd.

Ook tijdens de politionele acties in voormalig Nederlands-IndiĂ« in de periode 1946-1949 ontstonden relaties tussen Nederlandse soldaten en Indonesische vrouwen. Uit die relaties werden ook kinderen geboren. Sommige van deze kinderen zijn nu op zoek naar hun vaders: http://www.oorlogsliefdekind.nl/

In Nederland werden tussen de 12.000 en 15.000 kinderen van Duitse soldaten geboren. Een deel van hen werd in speciale Duitse klinieken geboren tijdens de bezetting, waar moeders ondersteuning kregen die ze elders ontbeerden. De geboorte van deze kinderen van Nederlandse moeders en Duitse soldaten was in overeenstemming met het nazi-beleid van bescherming van het ‘Arische ras’. Na de bevrijding werden vele vrouwen geïnterneerd en onderworpen aan bijzondere rechtspleging. De lichtere gevallen werden heropgevoed. Hun relatie met een Duitser werd gezien als ‘seksuele collaboratie’.de vrouwen zelf zagen hun relatie niet als politieke daad, maar als liefde of verliefdheid.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de nationaliteit van tijdens de bezetting geboren kinderen uit niet-huwelijkse relaties van Nederlandse moeders en Duitse soldaten onderwerp van debat. Op grond van het Duitse juridische begrip Anerkennung verwierven deze kinderen niet de Duitse nationaliteit en daarom zouden ze wel de Nederlandse nationaliteit moeten verwerven, om staatloosheid te voorkomen. Minister van Justitie Maarseveen (kvp) ging echter ervan uit dat deze kinderen Duits en niet Nederlands waren. De instelling voor zorg aan ongehuwde moeders (fiom) verwierp dit standpunt in sterke bewoordingen, waarin de vergelijking met het nazisme niet werd geschuwd:

`Het standpunt, dat deze kinderen toch eigenlijk niet horen tot de Nederlandse gemeenschap, doch in het verband met hun verwekking door een Duitser zoveel mogelijk in Duitse richting moeten worden georiĂ«nteerd, schijnt ons een nawerking van nationaalsocialistische opvattingen omtrent de betekenis van het “bloed” en een miskenning van het feit, dat deze kinderen uit Nederlandse moeders die hier te lande in de Nederlandse sfeer opgevoed worden aanspraak mogen maken om in de Nederlandse gemeenschap te worden opgenomen.’ (geciteerd in Diederichs 2006: 132-133).`

De Fiom benadrukte het belang van opgroeien in een Nederlandse omgeving boven afkomst langs vaderlijke lijn. Justitie had hier moeite mee: het duurde nog veertien jaar voordat het oordeel van de Hoge Raad uit 1948, dat inhield dat deze kinderen de Nederlandse nationaliteit hadden, in wetgeving werd omgezet. De verhalen van moeders en kinderen worden gekenmerkt door stilzwijgen, schaamte en schuldgevoelens. Kinderen die niet weten wie hun Duitse vader is, zijn vaak bang dat hij een nazi was, sterk betrokken bij de Holocaust. Zij komen er vaak op latere leeftijd achter dat ze een Duitse vader hebben omdat hun moeder hierover jarenlang heeft gezwegen. Ook hier zijn er verhalen over moeizame en verstoorde relaties met moeders, verdere familie, uithuisplaatsing en pleeggezinnen en psychische problemen van de kinderen zelf. Ook zij gaan vaak op zoek naar hun Duitse vader. Er is een contactgroep Kinderen van Duitse militairen.  

Na de bevrijding werden naar schatting 4.000 tot 9.000 zogenaamde ‘bevrijdingskinderen’ geboren, waarvan ongeveer 6.000 van Canadese soldaten. Ruim 1.800 Nederlandse vrouwen vertrokken naar Canada met hun Canadese man, als zogenaamde ‘oorlogsbruiden’. Deze relaties ontstonden, omdat na de bevrijding verschillende steden in Nederland aangewezen als ‘leavecentres’ voor geallieerde militairen, niet alleen voor militairen die in Nederland gelegerd waren, maar ook voor soldaten uit Duitsland, die daar geen omgang met de Duitse bevolking mochten hebben. Er waren met name veel Canadese soldaten in het land, van wie de terugkeer door logistieke problemen was vertraagd. Onmiddellijk na de bevrijding werden overal in het land comitĂ©s opgericht om de militairen aan vrouwelijke partners te helpen, dansavonden te organiseren en andere vormen van vermaak. In de leavecentres hadden de militairen het monopolie op uitgaansgelegenheden. Ze mochten een vrouwelijke partner meenemen, maar Nederlandse mannen mochten er niet in. De comitĂ©s werden breed gesteund, door kerken, maatschappelijke zorg, jeugdbeweging en vrouwenbeweging. Maar het bleef niet bij dansen alleen, de vrouwen en militairen liepen hand in hand over straat en zoenden in het park. In deze beginperiode was de toon in de pers mild. De militairen hadden immers Nederland bevrijd, ze hadden ontspanning verdiend. Ze toonden begrip voor de bevrijders, die voor Nederland hadden gestreden en al lang van huis waren, en die nu hun seksuele behoeften wilden vervullen.

Vanaf half augustus 1945 werd de toon in de pers negatief. Er ontstond grote bezorgdheid over de zogenaamde ‘zedenverwildering’ van de jeugd. Maar het waren niet zozeer de militairen die op hun gedrag werden aangesproken, het waren de Nederlandse vrouwen en meisjes wiens gedrag werd veroordeeld. De pers sprak afkeuring uit over meisjes die zich leenden voor seks met militairen. Ouders werden opgeroepen hun dochters in het gareel te houden. Bovendien werd vermoed dat de vrouwen niet alleen handelden uit seksuele verlangens, maar om de materiĂ«le voordelen die het opleverde (chocola, kousen); daarmee werd het als een verkapte vorm van prostitutie gezien. Niet alleen de confessionelen, ook de socialisten, communisten en vrouwenbeweging hadden deze visie. Een afwijkende mening kwam van de neo-malthusianen, die ervan uitgingen dat ook vrouwen seksuele verlangens konden hebben. ze zagen de vrouwen niet als schuldigen en wezen erop dat meer voorbehoedsmiddelen beschikbaar zouden moeten zijn.

In de media werden vrouwen aangesproken op hun gedrag, niet alleen als verantwoordelijkheid ten opzichte van zichzelf, hun ouders, of hun toekomstige echtgenoot, maar tevens voor hun land. ‘De nationale trots van onze vrouwen eist, dat ze hun vrouwelijke eer hoog houden’, zo schreef De Gelderlander. Niet alleen de eer van individuele vrouwen, maar de eer van de gehele natie stond op het spel, en die van Nederlandse mannen. In 1940 waren Nederlandse mannen militair, in 1945 seksueel verslagen, zo werd gedacht. Lokale overheden, politie en kerken waarschuwden dat gemengde huwelijken vaak stuk liepen, dat vrouwen zouden eindigen met een baby, maar zonder man en dat Nederlandse mannen hen niet langer zouden willen. Niet alleen voor seks en ongehuwde zwangerschappen werd gewaarschuwd, ook voor huwelijken. Zo meende bisschop Mutsears na de bevrijding ervoor dat de omgang zou kunnen leiden tot verloving en huwelijk. Gebleken was, zo stelde hij, dat: ‘huwelijken gesloten tusschen katholieken van verschillende nationaliteit, van anderen landaard, zeden, gewoonten en gebruiken, maar al te vaak ongelukkig worden’.

Verschillende lokale overheden namen maatregelen om relaties te voorkomen, zoals Enschede dat meisjes jonger dan 20 verbood om naar buiten te gaan tussen 11 en 4 uur zonder begeleiding van ouders. In verschillende steden braken rellen uit en werden vrouwen ter bestraffing kaalgeschoren, zoals onmiddellijk na de bevrijding ook gebeurde met vrouwen die omgang hadden gehad met een Duitser.

De vrouwen die ongehuwd zwanger werden van een geallieerde soldaat verzwegen uit schaamte vaak tegenover hun kind wie hun vader was. De vrouwen kregen te maken met afkeuring van familie en instanties en bleven vaak hun hele leven hieronder gebukt gaan. De verhalen van kinderen over hun afkomst worden gekenmerkt door schaamte, stilzwijgen, problematische familierelaties en moeizame relaties met de moeder, en psychologische problemen. Sommigen werden uit huis geplaatst, kwamen in tehuizen of pleeggezinnen terecht, of werden opgevoed door grootouders of tantes. Veel kinderen gaan op latere leeftijd op zoek naar hun Canadese vader. Daartoe is in 1984 de organisatie Bevrijdingskinderen opgericht.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM