Uitgebreid zoeken

Griekse studenten en handelaren in de 18e eeuw

De eerste Grieken die naar Nederland kwamen waren geestelijken die in de 17e eeuw aan de universiteit van Leiden gingen studeren. Ook kwamen er Grieken naar Amsterdam die op Nederlandse schepen hadden aangemonsterd, zoals Yannis Biz·s. Hij werkte in 1729 op een schip van de VOC, maar dan wel onder zijn vernederlandste naam Jan van Biessen. In de loop van de 18e eeuw vestigden zich ook Griekse handelaren in Amsterdam. Inwoners van Smyrna (Klein-Azië) richtten hier en in andere West-Europese steden handelshuizen op om Europese producten te kopen en oosterse producten te verkopen. De Griekse kolonie in Amsterdam bestond in die periode overigens niet alleen uit handelaren uit Smyrna, maar ook uit Grieken uit Chios, Thessaloniki en Zagori. Toen de gemeenschap groeide, vroeg men in 1752 toestemming een Orthodoxe kerkdienst te houden in een woning in de Koningsstraat. Later kwam men bijeen op een zolder gewijd aan de Heilige Katharina. In 1763 verhuisde de kerk naar een pand op de Oudezijds Voorburgwal, dat men kon kopen dankzij de erfenis van een in Nederlands-Indië overleden Griekse handelaar. Een eeuw later woonden er nauwelijks Grieken meer in de hoofdstad; in 1866 werd de kerk gesloten. Dankzij de ooggetuigenverslagen van koopman Ioannis Pringos, die in 1755 naar Amsterdam kwam, kunnen we ons een beeld vormen van de Griekse gemeenschap in deze periode. Zijn impressies van Nederland zijn nog altijd de moeite waard. 

 

De koopman Ioannis Pringos (die later zijn naam vernederlandste tot Jan Brink) uit Zagoria, schrijver van de Kroniek van Amsterdam, nam een bijzondere plaats in binnen de Griekse gemeenschap van Amsterdam. Pringos kwam in 1755 uit Smyrna naar Amsterdam, waar hij een handelsonderneming opzette. Een van zijn eerste zorgen was de Nederlandse taal te leren, wat hem in staat stelde zijn beroep profijtelijker uit te oefenen en Nederland beter te leren kennen. Hij kocht een Italiaanstalige cursus Nederlands en stortte zich op de studie, maar het meeste leerde hij toch in de praktische omgang met Nederlanders. Over zijn nieuwe land van vestiging was hij overigens niet onverdeeld enthousiast:

‘... men snoeit de bomen tot gelijke hoogte, zodat zij een muur vormen en alleen bladeren hebben voor de schaduw; zij dragen geen vrucht, doordat de aarde rot is: zij trilt wanneer men er op loopt of trapt. En de kou en het water, te midden waarvan wij als krabben leven, staan ons niet toe vruchtdragende bomen te kweken. Wel hebben wij schepen, voor de bouw waarvan wij het hout overigens ook van elders moeten invoeren, en die zenden wij erop uit om alles wat ons ontbreekt aan te voeren, want het ontbreekt ons aan alles, aangezien Nederland niets voortbrengt dan wat kaas van inferieure kwaliteit, en dat slechts ten koste van veel inspanningen, investeringen en toewijding, kortom: wij zijn zeer beklagenswaardig en leiden een leven vol gezwoeg.’

Β. Σκουβαρά, ‘Ιωάννης Πρίγκος (1725-1789). Ηελληνική παροικία του ‘Αμστερδαμ, η σχολή και η βιβλιοθήκη της Ζαγοράς’ [‘Ioannis Pringos. De Griekse kolonie in Amsterdam, de school en de bibliotheek van Zagori] in: Θεσσαλικά Χρονικά [Thessalische Kronieken], deel 9, Athene 1964. Ontleend aan: Thanasis Dialektopoulos, Grieken in de Lage Landen. Hun geschiedenis en cultuur aan de hand van documenten (2003), p. 20-21.

 

Een Grieks-Orthodoxe kerkdienst in Amsterdam


‘Voor de Grieken was het een erezaak; zij moesten op elke zondag en hoogtijdag allen tezamen de kerkdienst bijwonen. Zij streefden ernaar dat niemand van hen ontbrak; ze waren toch al met zo weinigen. Allen hadden het besef dat zij de goede zaak dienden en een gevoel van voldoening dat zij met hun inspanningen een nationale plicht vervulden. Te midden van de bonte veelheid van religieuze en leerstellige stromingen in de stad Amsterdam wilden ook zij duidelijk uiting geven aan hun existentie: de aanwezigheid van de eerbiedwaardige Orthodoxie en bijgevolg het bestaan van de Griekse natie. Overal spraken zij over hun parochie... De diensten werden steeds drukker bezocht. Op zondagen vulde de zolder zich met een grote menigte. Niet alleen de bemanningen van Russische schepen, die altijd wel in de haven te vinden waren, stroomden toe, maar ook Nederlanders. Laatstgenoemden waren te verdelen in twee categorieën. Om te beginnen de nieuwsgierigen, mensen die vaag iets hadden vernomen over het hedendaagse Griekse volk en zijn taal en godsdienst. Een bezoek aan de kerk van de Grieken stelde hen in de gelegenheid een rijke liturgie in een onbekende taal bij te wonen, gebaseerd op een oude christelijke leer, en om kerkelijke hymnen te horen, getoonzet op vreemde muziek in Byzantijnse stijl en met een oosters karakter. Aan de andere kant waren er Nederlandse geleerden, graecisten en theologen, voor wie de Orthodoxe liturgie en haar antieke taal een interessant studieobject vormden. Het was voor hen een taalkundige ervaring, aangezien de kerkzangers en de priester de teksten niet volgens de Erasmiaanse uitspraak zongen, en een bron van gegevens voor de bestudering van kwesties van symboliek en liturgie. Laatstgenoemden waren de “Hollandse geleerden die bij geen viering ontbraken”, zoals Pringos schrijft.’


Β. Σκουβαρά, ‘Ιωάννης Πρίγκος (1725-1789). Ηελληνική παροικία του ‘Αμστερδαμ, η σχολή και η βιβλιοθήκη της Ζαγοράς’ [‘Ioannis Pringos. De Griekse kolonie in Amsterdam, de school en de bibliotheek van Zagori] in: Θεσσαλικά Χρονικά [Thessalische Kronieken], deel 9, Athene 1964. Ontleend aan: Thanasis Dialektopoulos, Grieken in de Lage Landen. Hun geschiedenis en cultuur aan de hand van documenten (2003), p. 17.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM