Uitgebreid zoeken

Hoe zet je een Spoorzoekersproject op

Elk project - ook een Spoorzoekersproject - vergt voorbereiding waarbij een aantal beslissingen moet worden genomen. Hieronder volgen enkele suggesties en tips:

  • Bereid je goed voor, maar begin ook gewoon op een gegeven moment. ‘Driemaal is scheepsrecht’: in de praktijk leer je hoe concreet de opdrachten voor jouw leerlingen moeten zijn en hoe je zelf prettig met ze werkt.
  • Durf de leerlingen los te laten. Geef ze de gelegenheid om fouten te maken. Daar leren ze juist van (en dat geldt ook voor docenten!).
  • Vanwege de veelzijdigheid van de Spoorzoekersaanpak, is het van belang om bij elk project voor je leerlingen én voor jezelf te focussen op een beperkt aantal relevante aspecten: wat zijn je belangrijkste aandachtspunten en doelen? Dat kan verschillen afhankelijk van de samenstelling en het niveau van je klas.
  • Pas op voor teveel ‘goede bedoelingen’, met name in groepen met weinig leerlingen met een allochtone achtergrond. Voor elke leerling kan dit project inzicht geven in de eigen identiteit.

Voorbeeld: bij een bezoek met de klas aan het Verzetsmuseum spreekt de rondleidster voortdurend een Marokkaanse leerling aan met ‘daar kun jij toch ook trots op zijn?’.  Dat benadrukt de verschillen tussen leerlingen en kan de leerling juist buiten de groep zetten. Beschouw migratie dus liever als iets wat heel veel voorkomt en veel vormen heeft, en niet alleen betrekking heeft op ‘zichtbare’ migranten. Organiseer tentoonstellingen op school daarom liever naar thema dan naar land van herkomst.

Spoorzoekersprojecten zijn geschikt voor alle leerjaren en alle niveaus van het VO. De voorbeelden die terug te vinden zijn in de map ‘Materiaal docenten’ variëren van brugklas tot en met V6 en van gemengde en theoretische leerweg tot en met gymnasium. Dat kan in verschillende settings:

  • Klassikaal: de hele klas doet tegelijkertijd een Spoorzoekersproject, individueel of in groepjes.
  • Individueel of groepen: een individuele praktische opdracht, zoals een profielwerkstuk, een praktische opdracht voor het schoolexamen, als keuzethema of als vakverrijking in bijvoorbeeld trajecten voor hoogbegaafden, als ‘Daltontaak’ etc.
  • Als onderdeel van een projectweek over vluchtelingen/migranten (zie bijvoorbeeld het project van Jo Jacobs op Da Vinci Leiden en het project van Dorrit Matena op het Montessorilyceum Amsterdam in de map ‘Materiaal docenten’)
  • Als onderdeel van een eendaags schoolbreed project (zie bijvoorbeeld het project ‘culturele dag’ van Nathalie Lagoutte op Gymnasium Haganum Den Haag in de map ‘Materiaal docenten’)

In het drukke examenprogramma voor geschiedenis in de bovenbouw van HAVO en VWO lijkt het lastig voor een Spoorzoekersproject voldoende ruimte te maken. Het is echter goed te koppelen aan de tijdvakken 9 en 10: veel migratieverhalen die leerlingen zullen onderzoeken, hebben te maken met historische thema’s uit de 20e-eeuw (twee wereldoorlogen, dekolonisatie, totalitarisme, Koude Oorlog, globalisering etc.). Het is goed mogelijk de leerlingen het project bijvoorbeeld als praktische opdracht voor het schoolexamen te laten uitvoeren. Dan is er waarschijnlijk meer ruimte in een voorexamenjaar dan in het examenjaar. In de onderbouw van HAVO en VWO past het project goed in het programma in de derde klas, bijvoorbeeld als verdieping bij een van de bovengenoemde thema’s.

Het curriculum in de bovenbouw van het VMBO bevat vooral 20e-eeuwse thema’s, waar het project goed in te passen is. Juist voor deze leerlingen is het prettig een thema uit te diepen door te ‘doen’. In de eerste en de tweede klas (van alle niveaus) kan een gebrek aan kennis van deze periodes lastig zijn voor leerlingen; daar kan bij het inrichten van de opdracht en de beoordeling natuurlijk rekening mee worden gehouden.

Dat hangt af van de vorm die je voor het project kiest (zie de overige kopjes ). Als het lukt om tijdens de lessen alleen aan dit project te werken, zouden drie tot vier weken (met twee of drie lesuren per week) voldoende moeten zijn (bijvoorbeeld voor lessen over de historische context, over het afnemen van interviews en het kijken naar foto’s of voorwerpen, het bewaken van de voortgang en het inrichten van een tentoonstelling). Ga er vanuit dat leerlingen hun normale huiswerktijd ook aan het project besteden. Het is met het oog op de kwaliteit van het eindresultaat wel aan te bevelen een aantal weken de lestijd uitsluitend aan het project te besteden.

Werken in duo’s heeft voordelen. Enkelen daarvan:

  • Leerlingen kunnen van elkaar leren, elkaar inspireren, over drempels helpen, bijvoorbeeld bij het maken van afspraken en het bezoeken van een migrant;
  • Er zijn minder geïnterviewden nodig;
  • Leerlingen kunnen taken verdelen, bijvoorbeeld bij het in kaart brengen van de historische contextkennis en het voorbereiden en uitwerken van het interview;
  • Leerlingen leren samenwerken;
  • De nakijkdruk voor docenten is lager.

Individueel werken in duo’s heeft ook voordelen. De belangrijkste:

  • Elke leerling krijgt de kans zelf iemand te interviewen

Het is niet per se nodig familieleden te interviewen, al zullen de meeste leerlingen met een migratie-achtergrond daar het eerst voor kiezen. Aan interviews met familieleden kleven zowel voor- als nadelen [zie voor meer informatie de pagina over Oral history]. Buren, kennissen, docenten, verenigingsleiders vormen vaak prima alternatieven.

Leerlingen denken bij migranten in de eerste plaats aan niet-westerse migranten. In ‘witte’ omgevingen kan het dan lastig zijn iemand te vinden met een migratieverhaal. Dan loont het de moeite te benadrukken dat migratie breder kan worden gezien: ook migratie tussen twee provincies of zelfs maar plaatsen binnen Nederland kan mooie verhalen opleveren [zie de map ‘Materiaal docenten’ voor een mooi voorbeeld hiervan het werkstuk van een leerling van het Stedelijk Gymnasium Schiedam over haar grootouders die verhuisden van Zeeland naar Flevoland].

Spoorzoekersprojecten kennen een grote rijkdom aan leerdoelen; we bereikten meer leerdoelen dan we aanvankelijk dachten. Daarom is het - vooral voor de beoordeling -belangrijk om duidelijk te maken welke leerdoelen worden beoordeeld. Kies een beperkt aantal om een scherpe focus te houden: maak bijvoorbeeld onderscheid tussen de belangrijkste leerdoelen voor dit specifieke project en de ‘bijvangst’. 

Het kan zinvol zijn om de leerlingen enigszins aan te sturen in de thema’s die ze met de geïnterviewde bespreken. Dat kan afhangen van de mate van autonomie die de leerlingen aankunnen. Mogelijk past een bepaald thema beter binnen het curriculum dan een andere thema. Verhalen over vertrek of over de reis of over aankomst en hoe mensen hun leven opbouwen op hun nieuwe plek leveren elk andere verhalen op. De ervaring leert dat enige sturing hierin helpt om de verhalen te kunnen vergelijken. De docent kan er ook voor kiezen om nog meer te sturen op detailonderwerpen als (verandering en continuïteit) kleding, voeding, werk en inkomen, huisvesting, vrijetijdsbesteding, religie, cultuurverschillen, idealen en teleurstellingen, contacten met vrienden en familie etc. Wees in elk geval duidelijk over de mate van vrijheid om de eigen thema’s te kiezen en laat de leerlingen weten dat dit verschillende thema’s zijn.

De meeste Spoorzoekersprojecten hebben de verhalen laten opdiepen aan de hand van foto’s. Sommige Spoorzoekersprojecten hebben leerlingen daarnaast ook laten vragen naar voorwerpen, bijvoorbeeld naar betekenisvolle voorwerpen die de migrant mee had genomen uit de plek van herkomst. Wat namen ze mee en wat is nu nog belangrijk voor hen? In enkele projecten maakten de leerlingen zelf een portretfoto van de geïnterviewde met het betreffende voorwerp.

Er lijkt een duidelijke relatie te bestaan tussen de kwaliteit van de werkstukken en kennis van de historische context van tijd en plaats van herkomst en van Nederland in de tijd van aankomst. Omdat de geïnterviewden in een klas uit veel verschillende plekken komen en omdat de migratie op verschillende tijdstippen plaatsvond, is het vrijwel ondoenlijk om klassikaal alle benodigde contextkennis te bespreken en aan te bieden. Wel kan de docent

  • suggesties doen voor het zoeken van de juiste informatie, bijvoorbeeld op www.vijfeeuwenmigratie.nl , documentatie in de schoolbibliotheek en dergelijke;
  • de geschiedenis van Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog behandelen in de klas.

Het verzamelde materiaal laten opnemen in bijvoorbeeld het gemeentearchief kan om verschillende redenen de moeite waard zijn. Het kan:

  • leerlingen enorm motiveren om goed werk af te leveren;
  • migranten het gevoel geven dat de stad of streek geïnteresseerd is in hun verhalen;
  • leerlingen bekend maken met en wegwijs maken naar het archief.

Bij dit project worden verschillende vaardigheden aangeboord, die ook bij andere vakken aan bod komen en moeten worden ontwikkeld. Daar kan samenwerking vruchtbaar zijn; denk bijvoorbeeld aan Nederlands (het uitwerken van het interview tot een lopend verhaal, het schrijven van een onderzoeksverslag), aardrijkskunde (geografische ligging van herkomstlanden: invloed van klimaat, natuurrampen etc. op migratiestromen), maatschappijleer (positie van migrantengroepen in de Nederlandse samenleving). Als een projectweek voor de hele school mogelijk is, kunnen veel meer vakken (talen, kunstvakken, drama) een eigen bijdrage leveren. 

Migratieprojecten zijn mogelijk van één dag (zie het voorbeeld van het literatuurproject in klas 4 van Haganum) tot enkele maanden. In dat geval loopt een Spoorzoekersproject naast de gewone lessen en wordt er af en toe aandacht aan besteed en wordt er van tijd tot tijd in lessen aandacht aan besteed. De ervaring heeft geleerd dat het van belang is om een zekere focus te houden, maar de leerlingen wel genoeg tijd te geven om afspraken te maken en de interviews te houden en te verwerken. Een tijdspanne van ongeveer twee maanden lijkt goed te werken. Zie de diverse voorbeelden van Spoorzoekersprojecten in de map ‘Materiaal docenten’.

Spoorzoekersprojecten leveren veel interessant materiaal op. De docent die dit materiaal beoordeelt en dan terug geeft aan de leerlingen, laat prachtige kansen liggen tot gesprekken in de klas over overeenkomsten en verschillen, betekenis van migratie voor nu en in de toekomst, onderzoek doen etc.  Er zijn verschillende manieren om de opbrengsten met elkaar te delen:

  • Tentoonstelling archief, museum, buurthuis, op school, in de klas, bijvoorbeeld van foto’s met QR-codes met toegang tot fragmenten uit de interviews, commentaar van de leerling, bijbehorende muziek etc;
  • Digitale ‘tentoonstelling’;
  • Leerlingen in groepjes met behulp van een beoordelingsformulier en rubrics peer-feedback laten geven en een voorstel doen aan de docent voor de beoordeling. Daarmee bekijken zij elkaars werk serieus. Een dergelijke beoordelingsronde kan bijvoorbeeld worden afgesloten met een klassengesprek. [Zie ook het onderdeel over Beoordelen binnen een spoorzoekersproject]
Zie ook het onderdeel: Hoe presenteer je de resultaten. 

Ons advies is om de (geluids-)opname van het hele interview te laten inleveren met uitleg waar drie belangrijke fragmenten staan. Steekproefsgewijze kan de docent dan ook andere fragmenten beluisteren of bekijken. Laat deze fragmenten uitschrijven en als bijlage bij het werkstuk doen. In geval van overdracht aan het archief: overleg vooraf met het archief over hun wensen.

  • Maak gebruik van de planningen, instructies en ander materiaal van bestaande projecten van andere scholen [zie map ‘Materiaal docenten’]
  • Begin klein, met één klas of enkele leerlingen en bouw je doelen en omvang later uit
  • Doe deze projecten meerdere jaren achtereen
  • Laat leerlingen in groepjes samenwerken
  • Gebruik (bestaande) rubrics en een standaardformulier bij de beoordeling [zie onderdeel Beoordelen binnen een spoorzoekersproject]
  • Laat leerlingen elkaar in kleine groepjes peer-feedback geven bij tussenstappen
  • Laat leerlingen elkaars werk beoordelen aan de hand van de rubrics voordat je het werk zelf als docent beoordeelt. Laat de kwaliteit van hun beoordeling voor 5% of 10% meetellen in hun eigen cijfer
  • Laat leerlingen zoveel mogelijk zelf doen en verdeel taken en verantwoordelijkheden onder hen, bijvoorbeeld ook bij het maken van een tentoonstelling in de klas of op school
  • Geef stagiaires specifieke taken die passen bij hun leerdoelen
  • Vorm samen met andere collega’s een Professionele Leergemeenschap en formuleer leerdoelen voor je eigen ontwikkeling als docent, waarmee je een deel van je professionaliseringstijd kunt inzetten bij deze activiteiten
  • Werk in een digitale omgeving  (bijvoorbeeld Google Classroom), waardoor alles overzichtelijk in dezelfde omgeving zit, collega’s kunnen bijdragen. In Google Forms kunnen filmpjes en opdrachten worden geïntegreerd.

MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM