Uitgebreid zoeken

Naar Duitsland

Interview met Hebe Charlotte Kohlbrugge

Hebe Charlotte Kohlbrugge werd op 8 april 1914 in Utrecht geboren. Tijdens haar leven reisde ze veel. Zo vertrok Hebe na haar eindexamen in 1933 op negentienjarige leeftijd naar Duitsland om een huishoudopleiding te volgen. Na anderhalf jaar migreerde ze voor enkele maanden naar Noorwegen. Hierna was ze een tijd lang au pair in Engeland en Ierland. Tien jaar later vertrok Hebe in 1936 wéér naar Duitsland. Hier kwam ze voor het eerst in aanraking met Hitler en de Belijdende Kerk. In 1939 werd ze uitgewezen, waarna ze naar Zwitserland ging om een opleiding bij Karl Barth te volgen.

Op het moment dat de oorlog uitbrak was ze op vakantie in Nederland. Via wat kleine klusjes kwam ze terecht bij het Nederlandse verzet. In 1944 werd Hebe opgepakt met een vals persoonsbewijs. Onder de valse naam Christine Doorman zat ze tien maanden in kamp Ravensbrück. Na haar vrijlating keerde ze terug naar Nederland. Vanwege haar TBC moest ze tot 1947 in Zwitserland aansterken. Daarna kreeg ze een baan als secretaris bij de Duitsland-Commissie. Deze groep binnen de Nederlands Hervormde Kerk zette zich in voor de wederopbouw van het contact met de Duitse Kerk. Voor dit werk werd ze weer uitgezonden naar Duitsland. Omdat ze hiervoor alleen in West-Duitsland kwam, maakte ze vanaf 1949 zelf reizen naar Oost-Europa om zich in te zetten voor de kerken onder het juk van de communistische regimes.

Door: Jip Muris

‘Ik was niet gelukkig met dat werk van Kerk en Overheid. Dat lag mij helemaal niet om naar mensen te gaan om te kijken of ze nog een kamer af wilden staan en dat soort dingen.. Ik vond dat in ieder geval geen leuk werk. Geen fijn werk. Dus, ik had zín om weer contact met Duitsland op te nemen. Ik vond dat juist belangrijk, juist omdat ik ook zoveel wist. Je moest het daar weer opbouwen. Bij de mensen die goed waren en bij de mensen die dwaas waren. En daar kan je dan wel op schelden. Dat deed ‘k ook wel, [lacht] maar je moet ze wel aanspreken.’

‘De Duitslandcommissie was ontstaan doordat een kleine groep van vijf of zeven mensen van de Hervormde Kerk naar West-Duitsland was gegaan en had gevraagd: ‘Hoe is het nou bij jullie? Wij kunnen geen buren zijn en niks van mekaar weten. Dus wij moeten weten hoe het met jullie is.’ Toen waren ze zich máteloos geschrokken. Dortmund, wat totaal puin was. Essen, dat totaal puin was.. De mensen waren ontredderd, dus ze kwamen in een troep. En toen zeiden ze: ‘Wij kunnen als Nederlandse Kerk níet zeggen: ‘Daar is een troep, laat maar liggen.’ Nee, wij moeten daar wat aan doen. Wij moeten contact leggen, zodat er weer menselijk met elkaar omgegaan wordt.’ Dus, wat doe je onder zulke omstandigheden? Je roept een kleine commissie in het leven. Die commissie krijgt een secretaris en die moet dat werk uitoefenen. Die kleine commissie, die krijg je gauw, maar die secretaris was niet zo makkelijk. Toen hadden ze dus een leraar gevonden, een leraar Duits. Ja, die had daar wel zin in. Maar, die wist niets van de Kerk. […] Toen zei ik, in alle argeloosheid: ‘Weet die man […] ook iets van de Belijdende Kerk of  kan die alleen maar Duits?’ Toen schrokken ze, want daar hadden ze helemaal niet over nagedacht. Ja! Ze wisten natuurlijk véél te weinig! En toen werd die man afgeschaft en ik werd aangeschaft. Dus zo kwam ik daar.’

‘En toen zei mijn ouwe baas: ‘Duitsland is zó kapot, dat kun je als meisje alleen niet doen. Je blijft stranden. Eventueel midden in de nacht, omdat je gewoon niet verder kunt. Dat kan niet. Je moet een man meenemen.’ Moest ik een mán zoeken! [lacht] Ik ging naar een student die ik goed kende en ik zei: ‘Zou jij met mij mee willen?’ Hij zei: ‘Ja, dat zou ik wel willen, maar ik moet examen doen. Over een week of wat, dus ik kan onmogelijk. Maar ik heb een vriendje, en die wil wel.’ Hij vroeg het vriendje en het vriendje en ik gingen, zonder mekaar óóit gezien te hebben, samen op reis. Het vriendje was zó lang [steekt haar armen in de lucht] en ik was zó klein. [Hebe zelf is klein van stuk, ze lacht bij het beeld van zo’n lange man naast zich] Wij gingen samen op reis. We zijn tot nu toe vrienden. Dat was een fantastische reis, ja. […] Het was wel even gek, maar dat was zo. Maar je.. je leefde anders dan nu. Je was bereid tot gekke dingen. En je was bereid om te zeggen: ‘Ja, dat doen we. En hij ook, dus.’

In Engeland was Hebe au pair van het gezin van de neef van Wiston Churchill. Hier hoorde Hebe al over het nationaalsocialisme in Duitsland.

‘Churchill vond het prachtig hè. Die van mij, Churchill, zei : ‘In Duitsland is iets nieuws, daar komt iets goeds, daar komt iets levendigs. [maakt handgebaren] Mijn oom, Winston, ouderwets, akelig, pff!’ Daar wou hij niets van weten! Maar in Duitsland, daar was nou iets, goh, hè! [Ik vraag wat Hebe er zelf van vond] Ik vond niks! Ik was.. Wat was ik? Twintig. En nu ben je véél meer politiek bezig dan toen. Dat was voor mij allemaal nieuw, dus ik vond nog niet veel. ‘k Vond het hoog[-stens] interessant. Maar een eigen mening…  ’t Leek me inderdaad prachtig, maar meer ook niet. Dus ik wou het gaan zien. Dus toen ik terugkwam van Engeland wou ik naar Duitsland. Ik wou ‘t zelf weten.’

Echt

‘Ik kwam naar Nederland en Nederland was zo verslapen en vervelend als je ’t je maar denken kunt! […] Duitsland was écht. En in Nederland was het op dat moment.. Het was niet meer écht. […] Écht was dat je je inzette voor een zaak. Écht was dat je wist wat de moeite waard was.’

Hitlervlag

‘Op dát moment, voor mij een zeer springend punt, die vlág. Het was weer een feestdag, er waren immers voortdurend feestdagen, en iedereen hing de vlag uit. Dat was dus de hakenkruisvlag. En ík had nu begrepen; ‘Hitler, dat was niks, hè.’ Dat was mij duidelijk geworden. Je kon dus als christen niet de Hitlervlag uithangen. Vond ik onmogelijk. Ons huis was een Protestants huis. Dat kon dus niet, die vlag uithangen. Met drie andere meisjes toog ik naar zolder en haalde die vlag naar binnen. Een principiële daad voor ons. En in de kortste keren had de leiding die vlag weer naar boven gehesen, want die zagen dat van buiten, [gebaart het ophijsen van de vlag]… Ging die weer! Wij werden op ’t matje geroepen. Men was niet boos, men zei: ‘We begrijpen jullie. Die vlag, ja, die past hier eigenlijk ook niet. Maar, als we die vlag niet uithangen, dan wordt het huis gesloten. Dan moeten jullie allemaal naar huis! Dan is alles aan ’t eind!’ Dat was een nieuwe uitdaging. Wat moest je nou doen? Moest je die vlag daar laten hangen, die je principieel fout vond? Of moet je álles op het spel zetten? […] Die vlag was de Hitlervlag! Die hing je uit, dus daar zei je ja tegen op dat moment. Mocht je dat, mocht je dat niet: het is de vraag die in élk totalitair regime cónstant terugkomt.’

Uitzending

‘Zit eens in Nederland en krijg de opdracht: contact met Duitsland. [haalt haar schouders op en kijkt vragend] […] Ja, één zin werd erbij gezegd: ‘Ga ook langs Essen, daar is een burgemeester en da’s een leuke man. Ja, nou, dat was alles! […] Dus wij gingen naar Essen, naar die leuke burgemeester. Dat was Heinemann, die naderhand Bondskanselier werd. Was inderdaad een leuke man! Hij zei: ‘Ik vind ’t fantastisch wat jullie gaan doen, dat is precies wat we nodig hebben.’ […] Daarna zijn we naar enkele predikanten, die ik nog niet kende, gegaan. Ik ging dus nadenken: op welke manier kunnen we het beste contact leggen? Toen bedachten we dat een van de beste manieren zou zijn om een Nederlandse jongen in Duitsland te stationeren. Want als ik vanuit Nederland, [Hebe spreidt haar armen] zo’n groot Duitsland.. Dat was onmogelijk! […] Dat is dus de reden dat ik begon met ’t uitzenden van studenten.

Guten Morgen

‘Toen ik dus opgeroepen werd door de Gestapo om voor te komen, dan heb je angst. Je weet niet wat er gaat gebeuren dus je bent bang. En je gaat erheen en je denkt; [recht haar schouders] houding geven. En je zegt dus: ‘Guten Morgen.’ Héél natuurlijk, helemaal niet gepland. En die rotkerels roepen: ‘Kannen Sie nicht grüßen?!’ En dan denk je; ‘verdraaid, dat plezier zal ik ze niet doen.’ En ik zei: ‘Ist Guten Morgen kein schöner Grüß?’ Daar kunnen ze natuurlijk geen nee op zeggen, want ‘Guten Morgen’ is vriendelijk, niks op tegen. Dus dat konden ze niet. Dus ik [maakt een grijpbeweging] hád ze. Nou dat namen ze natuurlijk niet, dus toen ging ‘k de bak in.’


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM