Uitgebreid zoeken

Nieuw-Guinea was voor ons het beloofde land

Interview met meneer Keller

George Wilhelm Keller is geboren in 1928 in Sawah-Loento, een mijnbouwstadje in het Barisangebergte op West-Sumatra. In 1946 meldde hij zich op 18-jarige leeftijd aan voor het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Bij de opheffing van het KNIL in 1950 werd meneer Keller overgeplaatst naar de Koninklijke Landmacht (KL). Hij vertrok als soldaat naar Nieuw-Guinea, met in zijn achterhoofd daar een bestaan op te bouwen als kolonist. In 1951 gaf hij zich vrijwillig op om in Korea te vechten, waar hij zwaar gewond raakte. Hij is vervolgens weer teruggekeerd naar Nieuw-Guinea. Daar stuurde in 1955 een commandant hem naar Nederland toe om een graad te behalen. Meneer Keller stapte op het vliegtuig en in de komende jaren behaalde hij hogere rangen op de kaderschool in Nederland. In 1962 keerde hij terug naar Nieuw-Guinea, maar dit keer om te vechten. Nederland verloor de strijd en moest zijn kolonie afstaan aan Indonesië. De thuislandsdroom van meneer Keller was verwoest en hij keerde terug naar Nederland. In 1983 ging hij met pensioen.

In het verhaal van meneer Keller staan zijn militaire dienst, zijn kolonistenleven in Nieuw-Guinea en zijn migratie naar Nederland centraal.

Door: Judith Calkhoven

KNIL

In 1946 ging meneer Keller op 18 jarige leeftijd in dienst van het KNIL. Omdat meneer Keller Indo-Europees was en geen Nederlandse nationaliteit had, werd hij ingedeeld in een inheems compagnie. Hij had naar eigen zeggen wel aanpassingsmoeilijkheden. ‘Religie, op een matje slapen, andere soort humor, het zijn Indonesiërs hè, allemaal soorten. Ik had Boeddhisten, Islamieten, Chinezen. Dat houdt dus in dat ik geen varkensvlees kreeg, geen koeienvlees kreeg, alleen maar eieren [lacht hardop].’ Zijn familie was niet zo blij met zijn keuze. ‘Ja, nee mijn familie, mijn vader voornamelijk, vond er niks van, want het vooroorlogse KNIL, de blanken dat was tuig in hun ogen. Het is een Indische familie met een bepaalde cultuur. Pa vond het niet leuk en in het bijzonder omdat ik dus in een inheemse compagnie zat.’ Maar bij het KNIL werd meneer Keller goed verzorgd. ‘Indië was ons huis hè. Het KNIL is je huis. Je wordt verzorgd, het eten het slapen, alles.’

Meneer Keller: "Nu kijkend was dat een chaotische… bende. Voor ons hè. De Nederlanders waren geregeld, die gingen terug, de Ambonezen bijvoorbeeld die werden overal gecentraliseerd, maar al die loslopende figuren zoals ik, en nog een paar anderen, daar wisten ze geen raad mee. En dus konden wij niet op de nominatie om naar Nederland te gaan, maar zouden we overgedragen worden, zomaar, aan het Indonesische leger. En dat willen we niet. Als eenling bereik je niets en dat was een probleem geweest. Het is een chaotische toestand, want toen we naderhand, de Indische jongens van het KNIL, bij elkaar kwamen op Java, toen waren we ook een beetje verenigd en een van mijn minpunten, dat geef ik gewoon toe, wij hebben daar de Hollandse officieren platgeslagen, omdat zij voorlichting kwamen brengen aan ons dat wij niet welkom waren in Nederland door scholing, noem maar op. Maar onze vrouwen en kinderen ook niet. En dat namen we niet. Een van mijn minpunten, we hebben ze platgeslagen. En toen kwam er een generaal, generaal Luchtinger, zal het nooit vergeten, die komt binnen, dappere vent vind ik, we waren aan het vechten [lacht]. En die schreeuwde daar: jullie gaan naar Nieuw-Guinea toe! Ons, van vroeger af ons stamland. En toen zijn we gestopt. Afwachtend op het transport naar Nieuw-Guinea. Dat duurde nog even, want Westerling was net bezig geweest, Ambon vocht zich vrij, op Makassar werd gevochten, dus dat duurt nog even voordat er een troepentransportschip was, ‘De Waterman’ om ons naar Nieuw-Guinea te brengen. En dat was in 1950."

Judith: Wat vond u er van dat u naar Nieuw-Guinea moest?

Meneer Keller: "Een bevrijding. We gingen daar naar toe met 2000 man, vrouw en kinderen. Schoppen, spaden, geiten, kippen: als kolonist. In het achterhoofd wel als militair, maar voornamelijk als kolonist om me daar te vestigen. En ik had me opgegeven in een kolonistencentrum, Manokwari, was het. Dat bestond al voor de oorlog voor kolonisten. En daar ben ik aan land gesteld. Maar vraag niet hoe [grinnikt]. Uit tijdverschil, eb en vloed, dat is tussen de 3 en 5 meter. Dat hadden wij niet door. Leggen onze bagage op het strand. Denken dat morgen op te halen. Toen we de volgende ochtend terugkwamen was alles weg. We kwamen in een barak, daar kon je doorheen kijken. Uh de plee bestond uit een goot met twee stokken er op. Een warboel eigenlijk. En daar zijn we in 1950 in Manokwari mee begonnen. Als je nagaat, er staan nog foto’s van op internet, die kazerne heb ik nog opgebouwd, dat hebben we in koraalriffen opgedoken, om terrasjes van te maken. Dynamiet opgeblazen om het vlak te krijgen. We hebben gewoon gewerkt om de kazerne goed te krijgen. Maar praat niet over kazerne, dat zijn barakken eigenlijk hè?"

Meneer Keller: "De Papoea’s zijn een heel ander volk dan wij gewend zijn. Prachtige krullen, heel ander soort. Vrij. Ze keken je aan, ze praatten goed tegen je. Een heel ander soort cultuur eigenlijk dan dat we in Indonesië aantroffen. Een tweede punt, wil het toch even aanhalen, in Indonesië woonden de Europese mensen niet in kazernes, de vrouwen en kinderen dan hè. In Nieuw-Guinea wel. De Europese vrouwen en kinderen van de KNIL-troepen woonden in de kazerne, dus tussen de bedrijven door zaten kinderen te spelen, vrouwen noem maar op. Het was een gezellig familiefeest altijd. [glimlacht] Ja."

Judith: Had u nog een taak in Nieuw-Guinea?

Meneer Keller: "Ja soldaat hè. Eigenlijk in afwachting op mijn demobilisatie als kolonist. Is er nooit van gekomen. [stilte] In Nieuw-Guinea bestond onze voornaamste taak uit patrouilleren. Niet een dag [lacht], maar een paar weken. Met alle bagage op je ransel en maar blijven lopen. Je bracht alles mee, maar voor mij was het heel interessant want het was een heel ander soort volk. Prachtig mooi, heel anders. En de dreiging is weg hè. Je werd niet meer beschoten uit elk hoekje en gaatje. Het waren gewoon normale mensen. Oh ja, er tussen door. Voor de oorlog al waren er missionarissen, dominees noem maar op die hadden de Papoea’s bijvoorbeeld kippen gegeven, Hollandse Kippen, Barnevelders. Hadden wij niet. Dat ruilden wij om tegen de Papoea’s tegen kleren, want ze hadden geen geld, dat hadden ze niet nodig. Maar kleren, ondergoed, mooie messen, dat ruilden we om tegen een kip. Dus een ruilhandeltje deden we wel tijdens de patrouilles."

"Voor mijn Nederlanderschap moest ik mij melden bij de officier van justitie in Middelburg. Nog erger, van te voren moest ik mij melden bij de vreemdelingendienst. En uit belediging ging ik in vol uniform, met alles erop en eraan [lacht] ging ik me melden. En die meneer die heette Meneer de Hollander, een aardige man, maar dat zag ik niet. En alles wat hij zei, daar probeerde ik de fout te pakken. Uhm, bij de officier van ju-, nee. Nee, hij zei tegen mij: waar heeft u Nederlands geleerd? Oh, ik zei: aan boord. Dat is een geijkte vraag van ons. Waar heb je Nederlands geleerd? Aan boord. Ik zei: en ik nog wel in het vliegtuig. Het tweede punt is: waarom ben je zo blank? Ik zei, ik ben overdag gemaakt. Mijn broer die is zwart, die is ’s avonds gemaakt. Uh, bij de officier van justitie, ik moest hem meneer de officier noemen, dat doe ik niet. En toen deed iemand achter me, die gaf me een zetje: [fluisterend:] ‘meneer de officier!’ Toen heb ik hem zo een kaakslag gegeven, gelijk verwijderd [lacht]. Maar goed, de officier van justitie die vroeg aan mij… droom jij in kleuren? Ik zei: toevallig wel. Rood, wit en blauw daar droom ik elke dag van. Nou, voelt u het nog? Dat is een trauma die nog in mij zat. Hoe moet ik het zeggen, een hele aparte beleving was het… "

Judith: Voelde u zich misschien gediscrimineerd?

Meneer Keller: "Ja. Maar, ik maakte het ook zelf waar hè? Ik maakte het er zelf naar. Zodra iemand wat zei wat me niet beviel, zei ik: ja dat komt zeker door waar ik vandaan kom. En dat hoorde ze aan mijn stem. Ik werkte er zelf naar toe, achter af hè, achteraf. Uhm, als iemand me aankeek, zeg ik: wat heb ik van je aan? En je moest oppassen, want je hebt zo een lel van me te pakken."

Judith: Want hoe voelde u zich toen u te horen kreeg dat u niet in Nieuw-Guinea kon blijven? Hoe voelde u zich toen?

Meneer Keller: "Een… een… een… doodse stilte. Mevrouw, Kaimana is een kleine kustplaats, pak weg 2-300 meter. En daar is een kleine haven, een rede. En daar stonden een kleine 3-4-500 Papoea’s te huilen. Man, vrouw en kinderen. En wij zaten aan boord. Alleen maar zwaaien. Verschrikkelijk.  Ik heb de week aan boord doorgeslapen tot ik in Sorong kwam, dat is de andere kant van Nieuw-Guinea, ik dacht dat het 10 dagen was. Ik weet het niet. Ik weet niet hoe ik daar naar toe ben gekomen. Ik weet ook niet hoe ik van Nieuw-Guinea uit in Holland ben gekomen. Weet ik ook niet. Dat is een gat in me. Wel toen ik hier in Holland aankwam. Midden in de nacht, geloof ik. In ieder geval, de tweede keer is voor mij een duister geval van vertrek in Kaimana tot de aankomst. Ik weet het wel, maar het kan er niet uit komen."

"Nieuw-Guinea. Het zit in mijn hoofd. Ik neem er wel afstand van hè zo over de jaren. Maar zodra er wat is over Nieuw-Guinea, dan zie ik niet die zwarte man daar, dan zie ik mijn eigen kolonisatieproces. Mijn oom, mijn oma, de landerijen overal, grond, de vruchten die we daar hebben. Dat zie ik. Heel scherp. Een mislukt, een mislukte kolonisatie, zo in die geest. Maar in mijn hoofd is het niet mislukt.[…] Ik woonde daar. Al eeuwen lang. Uh, een Nederlander, laten we het daar bij houden, die heeft zijn kapitaal verloren. We hebben ons land, onze cultuur, onze vrienden, onze kennissen, onze familie verloren. En daar zit het verschil in. En dat moet ik vertellen. Ja."


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM