Uitgebreid zoeken

Oral History gebruiken binnen een Spoorzoekersproject

Binnen het Spoorzoekersprojecten doen leerlingen historisch onderzoek naar de geschiedenis van mensen met een migratieverleden, in hun eigen familie of directe omgeving. Veelal aan de hand van privé-foto’s bevragen de leerlingen iemand over wat migratie voor hun dagelijkse leven heeft betekend. Het is voor veel leerlingen de eerste keer dat zij iemand interviewen en gebruik maken van oral history. Maar wat is oral history precies en hoe gebruik je dat wat in het geheugen van de persoon in kwestie ligt opgeslagen als historische bron? En veel praktischer: hoe benaderen leerlingen iemand, hoe leer je leerlingen vragen stellen, hoe zorg je ervoor dat leerlingen kritisch kijken naar de betrouwbaarheid van herinneringen en hoe leggen ze het gesprek vast en verwerken ze het? 

Oral history, of mondelinge geschiedenis, is een vorm van geschiedschrijving waarbij de herinneringen van ooggetuigen centraal staan. Door middel van interviews worden de herinneringen van geïnterviewden vastgelegd zodat deze kunnen dienen als historische bron. Op die manier krijgen ook groepen die in traditionele bronnen ondervertegenwoordigd zijn een stem. Minderheden zijn hier een goed voorbeeld van. Er wordt veel óver hen geschreven in bijvoorbeeld beleidsstukken, die uiteindelijk in lokale of nationale archieven terecht komen. Maar in diezelfde archieven zijn nauwelijks stukken te vinden waarin deze minderheden zélf aan het woord komen. De stem van de gewone man heeft doorgaans weinig plaats in de geschiedschrijving.

Door leerlingen ‘de gewone man’ te laten interviewen, komt het vak geschiedenis meer tot leven. Het besef dat hét verleden niet bestaat en dat het bij geschiedenis gaat om verhalen en reconstructies wordt door het gebruik van mondelinge geschiedenis eens temeer aangewakkerd. Leerlingen leren door middel van interviews met ooggetuigen op een natuurlijke wijze de ruimere historische context te begrijpen en gebruiken. Ze gebruiken op een actieve manier dat wat ze bij het vak Geschiedenis leren, om zelf geschiedenis ‘te maken’. Door bijvoorbeeld hun verslagen en interviewopnames op te slaan in lokale archieven, dragen zij bij aan de vorming van hun stadsgeschiedenis. 

Leerlingen worden uitgedaagd om kritisch te kijken naar dat wat voortkomt uit het interview. Want wat was het doel van het interview? Was er een specifieke onderzoeksvraag of was het doel om zoveel mogelijk te documenteren over een bepaalde onderwerp? Wat werd er gezegd en hoe werd het gezegd? Welke ervaringen en gebeurtenissen selecteerde de geïnterviewde en hoe verwoordde en beoordeelde degene die vervolgens? En wat is het verschil tussen het interviewen van eigen familie en kennissen enerzijds en onbekenden anderzijds? Erg veel zaken om rekening mee te houden. In praktijk blijkt dan ook dat het lastig is om dit allemaal van leerlingen te verlangen. Een aantal bevindingen uit de praktijk:

Informatie verzamelen en ordenen

Laat leerlingen nadenken over het doel van het interview. Willen ze zoveel mogelijk te weten komen over het levensverhaal van de geïnterviewde of over bepaalde aspecten van diens leven? Je kan ze helpen door klassikaal een voorbeeld vragenlijst te maken om de informatie die ze willen verzamelen, te ordenen. Wanneer het gaat om levensverhalen van migranten is het vaak handig om vast te houden aan de grotere thema’s: vertrek uit thuisland, aankomst in Nederland (reis), wonen, werken, contact met Nederlanders, familie/gezin en vrije tijd.

Vragen stellen

Oefen veelvuldig met vragen stellen. Leerlingen denken in veel gevallen dat interviewen niet lastig is, je stelt toch gewoon een aantal vragen? Ze houden echter geen rekening met zenuwen, gesprekken die stokken, geïnterviewden die teveel praten of het gebrek aan kennis waardoor doorvragen als eng ervaren wordt. Laat ze daarom klassikaal oefenen, met elkaar of met jou als docent. Zie de punten onder ‘IV Leren vragen stellen’ voor tips.

Omgaan met ooggetuigen als bron

Leerlingen hebben de neiging om dat wat hen verteld wordt in een interview voor waar aan te nemen. Het is dan ook lastig om hen duidelijk te maken dat de geïnterviewde niet hoeft te liegen, maar dat zijn verhaal toch hier en daar niet geheel waarheidsgetrouw hoeft te zijn. Dit is nog lastiger wanneer het eigen familie betreft, kritisch kijken naar het verhaal van opa, oma of vader en moeder is moeilijk. Verwacht dan ook niet dat leerlingen dit snel zullen doen. Om leerlingen toch wat houvast te bieden om tijdens het uitwerken van het interview een onderscheid te maken tussen wat relevant is en wat niet, kun je ze van tevoren onderzoek doen naar het land van herkomst (plaats en tijd van vertrek), waarom migreerden mensen vanuit die regio en Nederland ten tijde van aankomst? 

Interviewen van eigen familie

Het interviewen van eigen familie kent voor- en nadelen. Het grootste voordeel is dat het vertrouwd is en voor veel leerlingen daardoor minder eng is om een interview af te nemen. Het is laagdrempelig, het is gemakkelijk om nog een paar vragen te stellen die werden vergeten tijdens eerste interview en er is doorgaans meer tijd voor een interview. In de praktijk blijkt dat leerlingen die eigen familie interviewen ook beter in staat zijn te contextualiseren in een eindverslag. Dat komt over het algemeen omdat familieleden meer contextkennis bieden in het interview; oma of opa die even snel uitlegt hoe dat vroeger zat.

Een nadeel bij het interviewen van familieleden is dat veel leerlingen het lastig vinden om kritisch te kijken naar het verhaal dat verteld wordt. Het is dan ook heel lastig dit van ze te verlangen. Een ander nadeel wordt gevormd door de informatie die familieleden, en dan met name ouders, nog wel eens achter willen houden. Het kan voor het geïnterviewde familielid kwetsbaar voelen om alles te vertellen, bijvoorbeeld over de angsten die gepaard gingen met de migratie naar Nederland. Ouders willen hun kinderen beschermen en zullen geneigd zijn sommige dingen niet vertellen. Deels omdat ze hun kind daar te jong voor vinden, deels omdat ze het beeld dat kinderen van hun ouders hebben niet willen aantasten. In het geval van grootouders is dit vaak anders. Uit de verscheidene Spoorzoekersproject blijkt dat grootouders leerlingen soms zaken vertellen die hun ouders niet eens weten. Juist omdat deze grootouders hun eigen kinderen ook niet wilden belasten met ervaringen, maar de afstand tot het kleinkind anders voelt en ze op een leeftijd zijn waarop ze reflecterend terug kunnen kijken. 

  • Wanneer leerlingen mensen benaderen voor een interview, kan het handig zijn (en vertrouwen geven) dat ze een informatiebrief meenemen waarin de docent vanuit de school kort schrijft waar het project over gaat en toe dient. Mocht er samengewerkt worden met een plaatselijk archief, dan is het verstandig de leerlingen direct een toestemmingsbrief mee te geven waarin de geïnterviewde kan aangeven of het materiaal (zowel de geluidsopname als eventuele foto’s) mag worden opgeslagen door het plaatselijke archief.
  • Laat leerlingen het interview opnemen op audio. Dit kan doorgaans op alle mobiele telefoons. Op die manier hoeven ze tijdens het interview niet te schrijven, kunnen ze beter opletten en kunnen ze de opname aan de docent sturen.
  • Laat de leerlingen een klein bedankje meenemen voor het interview. Ze komen immers iets ‘halen’, dus kunnen ze ook iets geven. Een doosje chocolade is vaak voldoende. 

1. Lees je goed in het onderwerp en de tijd in.

Laat leerlingen informatie opzoeken over het land van herkomst en over de tijd waarin de geïnterviewde naar Nederland kwam. Laat ze daarbij niet alleen kijken naar wat er speelde in het land van herkomst in die tijd, maar juist ook in Nederland in die periode. Welke partijen waren er aan de macht, welke maatschappelijke thema’s speelden er en welke positie namen migranten in (vergelijk bijvoorbeeld eens de komst en ontvangst van gastarbeiders in de jaren zestig/zeventig met de komst van vluchtelingen of arbeidsmigranten uit Oost-Europa in recente jaren).

2. Maak een goede vragenlijst als houvast.

Zelfs volleerde interviewers of journalisten schrijven vaak een aantal vragen of steekwoorden op voordat ze een gesprek ingaan. Dit geeft houvast als het gesprek een hele andere kant op dreigt te gaan, maar geeft leerlingen ook een leidraad voor de opbouw van het interview. Tegelijkertijd moet de leerling niet te star vasthouden aan de vragenlijst. Niet alle vragen hoeven gesteld en heel statisch afgewerkt te worden. Leer leerlingen juist goed te luisteren, samen te vatten en door te vragen (ezelsbruggetje: LSD). Wellicht komt er een onderwerp ter sprake dat veel interessanter is en waar dieper op ingegaan kan worden.

3. Open en gesloten vragen

Alle leerlingen weten het verschil tussen open en gesloten vragen, in theorie. In de praktijk vergeten ze dit nog wel eens. Daarnaast is het natuurlijk helemaal niet erg om af en te gesloten vragen te stellen, soms moet dat ook om de feiten helder te krijgen. Maar leer leerlingen daarnaast aan vooral beleveningsvragen te stellen: ‘beschrijft u eens..., wat was uw indruk van..’. In plaats van de vraag te stellen: hoe was de Tweede Wereldoorlog in Den Haag, kunnen ze ook vragen: wat kunt u zich nog herinneren van de Tweede Wereldoorlog in Den Haag, beschrijft u eens hoe die periode er voor u uitzag. Zie ook punt 8.

4. Korte en duidelijke vragen

Oefen met leerlingen op het stellen van duidelijke, korte vragen. De praktijk leert dat leerlingen vaak te korte gesloten vragen stellen of heel uitgebreide open vragen, waardoor de geïnterviewde de draad kwijtraakt. Stel duidelijke vragen voor een duidelijk antwoord. Stel nooit twee vragen in één en maak het niet te ingewikkeld.

5. Geen vragen waar je mening in doorklinkt

Het draait om het verhaal van de geïnterviewde, niet om de mening van de leerling. Leer leerlingen daarom om waardevrije vragen te stellen. Op die manier voelt de geïnterviewde zich ook vrij om te vertellen. Daarbij is het ook heel belangrijk dat de interviewer geen woorden in de mond legt, maar zeker ook niet uit de mond trekt. Dus geen vragen als: U was vast heel erg bang in de oorlog. Dat geeft de geïnterviewde maar twee mogelijkheid: ja ik was bang of nee ik was helemaal niet bang, in plaats van een eigen beschrijving van zijn/haar gevoelens te geven.

Ook al denk je als interviewer te weten waar de geïnterviewde heen wil met zijn/haar antwoord, nooit zinnen afmaken met: ‘u bedoelt zus en zo zeker’. Laat de geïnterviewde in zijn/haar tempo vertellen, kleur het verhaal niet voor hen in.

6. Opbouw van een interview

Met welke vragen begin je en interview en met welke zeker niet? Een interview begint rustig door eerst wat over koetjes en kalfjes te praten (bijvoorbeeld over het huis waar de geïnterviewde woont, dat geeft de leerlingen gelijk de mogelijkheid rond te kijken naar mogelijke objecten die het levensverhaal van de geïnterviewde weerspiegelen) om beide partijen om hun gemak te laten zijn. Daarna het interview beginnen met eenvoudige feitelijke vragen en langzaam naar de wat lastigere of zwaardere onderwerpen bewegen. Daarnaast kunnen leerlingen ervoor kiezen om het interview chronologisch op te bouwen (leven in land van herkomst, vertrek naar Nederland, aankomst, wonen, werk, contact met Nederlanders, etc.) of juist een aantal onderwerpen laten kiezen (wonen, werk, eten, etc.).  

7. Directe en indirecte informatie (van horen zeggen)

Een van de lastigste zaken tijdens het houden van een oral history interview is het onderscheid weten te maken tussen wat iemand zelf heeft meegemaakt, wat ze van horen zeggen hebben uit die tijd en welk deel van hun verhaal ingekleurd is door latere beeldvorming over die tijd. Een goed voorbeeld hiervan is iemand interviewen over zijn/haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er zijn eindeloos veel boeken geschreven en films gemaakt over de Tweede Wereldoorlog, wat de herinneringen van ooggetuigen aan de tijd zeker heeft gekleurd. Probeer dit zoveel mogelijk te ondervangen door te vragen naar de individuele en concrete ervaringen en de eigen beleving daarvan.

8.  Emoties

Migratie gaat gepaard met emotie. Het verlaten van het thuisland, het achterlaten van familie en het opnieuw beginnen in een land waar veel totaal anders is en waar men waarschijnlijk de taal nog niet van sprak. Geef dit aan leerlingen mee voordat ze gaan interviewen en laat ze vooral de geïnterviewde volgen in hun reactie hierop. Sommige geïnterviewden willen door de emotie heen toch het verhaal vertellen, terwijl anderen liever een bepaald onderwerp niet bespreken. De geïnterviewde is hierin leidend.

9. Interview situatie

1-op-1 interviews zijn meestal het beste, laat leerlingen in ieder geval niet met meer dan 2 interviewers iemand interviewen, dat kan erg overweldigend zijn. Zorg ervoor dat de geïnterviewde zelf ook niet de hele familie uitnodigt, die actief deel gaan nemen aan het interview.

Een interview bij iemand thuis geniet om twee redenen de voorkeur: 1) de geïnterviewde voelt zich op zijn/gemak, wat het interview ten goede komt en 2) het geeft de leerlingen de kans om ook rond te kijken in het huis naar eventuele objecten die de geïnterviewde mee heeft genomen uit het thuisland of die iets vertellen over hem/haar. Daarnaast geeft dat de leerlingen ook de kans om naar foto’s te vragen uit privé albums. 


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM