Uitgebreid zoeken

Patat, pierogi en poffertjes

Interview met Andrzej Skibiński

Andrzej Skibiński werd in 1955 in Warschau geboren. Als  gepassioneerd fotograaf, werkende bij een drukkerij, kwam hij bij Solidarność terecht. Hij klom hoger op binnen deze beweging, maar verloor na verloop van tijd zijn passie voor de anticommunistische organisatie. Hierdoor migreerde hij in 1981 in ‘een opwelling’ met zijn gezin uit Polen. Na een tijdelijk verblijf in Oostenrijk van ongeveer een jaar hoorden zij dat Holland honderd Polen op zou vangen. Zo kwamen zij in 1982 uiteindelijk in Nederland terecht. Omdat Andrzejs vrouw, Teresa, familie in Breda had, besloot het gezin zich daar te vestigen. Het leven in het nieuwe land was duur. De lening die zij van de overheid kregen, zorgde ervoor dat Andrzej zich ‘nog niet zo arm in zijn leven heeft gevoeld.’ Maar na taallessen, het vinden van een baan en de afbetaling van de lening ging het beter. Na verloop van tijd kon het gezin zelfs een autootje aanschaffen. De eerste vakantie naar het geboorteland stond in de planning. Dit bleek echter een vreemde thuiskomst in een ander Polen.

Door: Dennis van Leeuwen

Na een week in het gasthof in Oostenrijk kwam het nieuws van de staat van beleg van Polen aan.

‘..Wij waren wel enorm geschrokken, want dat was  zo surrealistisch wat daar gebeurde. En er was ook weinig berichtgeving. Je kon ook niet meer bellen, je kon thuis niet bereiken of ouders bellen. De lijnen waren afgesloten, dus je wist verder niet wat er aan de hand was. Komen de Russen eraan? Dat was wel even schrikken, maargoed. Toen wisten we al: we zullen Polen nooit meer zien.’

Dennis: ‘Hoe voelde dat om te weten voor het vertrek? Dat je nooit meer terug zou komen...’

Andrzej: ‘Nah… [stilte] Ik heb daar niet echt bij stil gestaan, eigenlijk. Ik wist het wel, ik zag een toekomst in Australië. Ik dacht al: “zo, misschien word ik in Australië wel zo’n schapenhoeder of ga ik in een fabriek aan de lopende band werken... wasmachines in elkaar monteren.”’ Zulke beelden had ik. Maar verder had ik geen... Nee, daar stond ik niet bij stil. Wat het is om je land te verlaten. Veel later kwam ik daarachter, wat het maakt dat je een land verlaat. Dan knip je echt alle sociale verbindingen weg, hè. Dan ben je niet meer. Niemand zit op jou te wachten, nergens. Je moet een eigen plek gaan winnen, in een hele andere omgeving dan waar je geboren bent.’

In Oostenrijk keek Andrzej naar de mogelijkheden om te migreren naar Australië of Canada. Ook hoorden zij dat Nederland honderd Polen op zou vangen. Omdat zowel Canada als Nederland toestemming gaven, had het gezin een keuze. Europa had de voorkeur en Nederland was perfect. De reis maakte veel indruk. Andrzej vertelt enthousiast over de grote KLM-jumbojet die hij niet gewend was. Bij aankomst (het was inmiddels 1 september 1982) op Schiphol werden zij samen met dertig andere Polen opgewacht door een vertegenwoordiger van Immigratiezaken en een vertaalster. Zij kregen te horen dat ze naar een opvangcentrum in Callantsoog zouden gaan. Tijdens de busreis kon het contrast niet groter zijn.

‘Dat hele stuk door Holland. Het was zo’n typisch Hollands weer. Zo’n regenachtige dag… Dat vergeet ik ook nooit meer. We zaten een jaar lang in Oostenrijk. Mooie heuvels, de natuur en zo’n lieflijke dorpje waar geraniums hangen en zo. En dan kwam je in zo’n grauw weer en zo’n vlakte tot de horizon. De hele jeugd op de fiets. Het was waarschijnlijk de tijd dat de jeugd uit school was… En die polders. Die fietspaden en de mensen in de regenpakken, fietsen. Dat was wel echt iets heel anders, dan wat je kent.’

Taallessen

Eenmaal in Callantsoog aangekomen ging er veel veranderen. Andrzej en zijn vrouw kregen zakgeld en moesten zelf voor hun eten zorgen. Ook kregen de nieuwe bewoners elke werkdag vijf á zes uur Nederlandse les. André schrok ervan hoe duur alles in Nederland was. Ze waren niet meer gewend om boodschappen te doen en nu moesten ze in een vreemd land, met vreemde producten in een vreemde taal hun avondmaal bijeen schrapen. De lessen begonnen stug.

‘Daar, in het klaslokaal, hingen dan van die borden met: ‘ik ben, jij bent, wij zijn, wij lopen, jij loopt’, dat soort dingen. Wij dacht: ah, dat leer je nooit. Dat is toch een rare combinatie van toevallige letters bij elkaar. [lacht] Maargoed, na twee maanden konden we ons verstaanbaar maken. We konden in de winkel ongeveer uitleggen wat we wilden hebben en we konden een beetje met de mensen praten. Dat ging snel.’

‘…De eerste keer naar Polen, met de kinderen. De kinderen kenden Polen eigenlijk niet. De jongste helemaal niet en de oudste kon het zich nog vaag herinneren. Niet veel. We waren naar Warschau gereden. Ja, dat was wel een shocktoestand. Ik weet niet of het bij iedereen zo is, maar ik denk het wel. Wij hebben de herinneringen van vroeger in ons hoofd mooier gemaakt. Wij hebben de gewoonte dat we dingen in ons hoofd mooier maken dan dat ze werkelijk waren. En dus in die lange rit… We waren al acht jaren buiten Polen en omgeven door het mooie, rijke Westen. In Oostenrijk was het helemaal een sprookje. En dan Nederland. Het is allemaal keurig, netjes, mooi en welvarend. Alles is gewoon netjes. En wij gingen blijkbaar de herinneringen van onze eigen stad, het ouderlijk huis en de straat zo zien zoals je dat in het westen ziet. Dat botst met werkelijkheid. Toen we daar kwamen… Het was totaal niet zoals we dat ons konden herinneren. Het was verschrikkelijk. We liepen daar echt met tranen in onze ogen door de stad te kijken hoe grauw en somber het allemaal was. Mensen die zo ongelukkig zijn. Ik denk dat dát ook is wat een westerling ziet als hij naar Oostbloklanden gaat. Dat grauwe en de armoe. Mensen die ongelukkig zijn, niet blij zijn en niet lachen. Dat hadden wij. Omdat wij al zo lang hier waren, was de botsing met de realiteit zo groot. Vroeger, toen we jong en verliefd waren, liepen we door de straat en alles was zo mooi. Nu was het zo lelijk.’

De Skibiński’s eten vrijwel geen Pools eten in Nederland. Zélfs geen pierogi, het beroemdste Poolse gerecht. ‘De smaken kloppen niet.’ De producten die zij in Polen gebruikten, waren hier niet beschikbaar. Andrzej mist deze smaken ook niet. Hij vindt het eten hier veel te lekker. Van zijn buurvrouw leerde hij nasi en bami maken en zijn eerste contact met de Nederlandse snackbar was ook niet bepaald kortstondig.

‘Wij (het gezin) gaan er allemaal honderd procent voor. Niet dat eenmaal eten, nee, wij eten zeven dagen frietjes en frikadellen. [lacht] Omdat het lekker is, weet je wel.’

‘Wij hebben ook het huis bezocht waar we gewoond hadden. Waar onze oudste zoon geboren was en waar wij, geloof ik, vier jaar hebben gewoond. En dat huis stond er precies zo bij zoals wij het verlaten hadden. Daar woonde niemand, daar was niks. Zoals wij in ’81 de deur sloten, openden wij deze weer in ’89. Zo stond het huis. Dat was ook weer zoiets.. Ik heb hier gewoond, dit was mijn huis en toch was alles anders. Het was een oud, houten huis. Het stond er al zoveel jaren, niet verwarmd of iets. En daar stonden mijn tandenborstel en scheermesje zoals ik die toen achtergelaten had. En in de kast hing mijn pak van toen. In de broekzak vond ik nog iets.. Volgens mij was het een tramticket of iets van toen. Dat is zo emotioneel, dat is niet uit te leggen. Ik ging terug in de tijd. Dat heb ik een paar keer meegemaakt, in Polen. Zo’n teruggang in de tijd en dan… Ik weet niet wat ik ermee moet. Dat doet iets met me.’

Stateloos

Dennis: ‘Voel je je meer Pool of Nederlander?’

Andrzej: ‘Moeilijk, heel moeilijk. Voor mezelf, Pool. Maar ik weet: in Polen ben ik geen Pool meer. Voor Polen ben ik geen Pool. Voor Polen ben ik vaak een Polenhater, bijvoorbeeld omdat ik iets zeg over Poolse verschillen. Zoals bepaalde gebruiken of het karakter van Polen. […] Ik heb mijn land pas echt leren kennen toen ik verhuisd ben. Voor Polen ben ik geen Pool en voor Nederlanders ben ik geen Nederlander. Ik ben eigenlijk stateloos…’


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM