Uitgebreid zoeken

Sadik Yemni, Turkse schrijver in Amsterdam

Sadik Yemni (Istanbul 1951) kwam midden jaren zeventig naar Nederland om te studeren. Maar het liep anders, want in Amsterdam zou hij uitgroeien tot schrijver. Hij zette daar zijn eerste verhalen op papier, werd er vader en veel van zijn romans spelen zich er af. Alleen heeft hij nooit echt vriendschap met Nederlanders weten te sluiten, ondanks zijn open karakter. Wel heeft hij de hoofdstad in zijn hart gesloten. Als variant op de beroemde uitspraak van president John F. Kennedy zei hij ooit: “Ich bin ein Amsterdammer.” De stad heeft hem nooit laten voelen dat hij er niet bij hoort. Hij heeft er vele banen gehad en in vrijwel elke wijk gewoond, zelfs in een kraakpand. Overal ontmoette hij vriendinnen, kwam hij in cafés en op sportscholen. Hij bracht vooral ontelbare avonden door in de bioscoop, want van jongs af was hij verslingerd aan (westerse) films. De Amerikaanse acteur Marlon Brando beschouwde hij als een rolmodel. Amsterdam is de stad van zijn volwassenheid. Meer dan het wereldse Izmir, de Turkse stad waar hij opgroeide, is de hoofdstad hem altijd welgezind geweest. Als het om taal en cultuur gaat, is hij Turkser dan ooit. Maar in Amsterdam is hij geworden wat hij wilde zijn: een Turkse schrijver in het hart van Nederland.

Op 24-jarige leeftijd kwam Sadik Yemni naar Nederland, met het idee een lange vakantieperiode door te brengen bij een broer van zijn vader in Amsterdam. Om wat bij te verdienen verrichtte hij illegale werkzaamheden in het naaiatelier van deze oom Hasan. Al snel besloot hij te blijven en zijn studie scheikunde te vervolgen, in het Nederlands. Maar die belasting bleek na een jaar te veel. Daarna kwam hij terecht in het circuit van de gangbare baantjes voor gastarbeiders in die tijd. Dat waren overwegend Turken van het platteland, waar hij als westers gerichte stadsjongen niet meteen aansluiting bij vond. Hij werkte als schoonmaker, zowel op kantoren als bij de Nederlandse Spoorwegen. Met name zijn ervaringen bij het in ploegendienst reinigen van internationale treinen, verwerkte hij in zijn eerste verhalenbundel. De ijzeren snavel (1987) kwam uit bij het culturele centrum De Balie, dat ook de vertaling regelde. Want Yemni heeft altijd in het Turks geschreven, tot op de huidige dag. Zijn taalvermogen is gevormd in zijn land van herkomst en als schrijver heeft hij nooit de overstap naar het Nederlands kunnen maken. 

In 1981 solliciteerde Sadik Yemni bij zijn werkgever, de NS, op een baantje als brugwachter bij een spoorwegovergang. Dat eenzame beroep heeft hij zeven jaar uitgeoefend en het veranderde zijn leven ingrijpend. Hij werkte eerst in Loenersloot, bij Nieuwersluis, en vervolgens voor meerdere bruggen in de regio Amsterdam. De Zaanbrug, twee bruggen in Purmerend, die van Krommenie, Weesp, Abcoude en Breukelen. Hij viel in voor de vaste brugwachters, die in de buurt woonden en van wie er ’s winters regelmatig één verstek liet gaan. De leegte van al die lange dagen in een kleine ruimte bood hij het hoofd met veel lezen, maar later begon hij ook zelf aantekeningen te maken. Door zich te concentreren probeerde hij dat deel van zijn hersens te activeren waar het geheugen zetelt. Door zulke oefeningen stuitte hij op halfbewuste herinneringen uit zijn jeugd. Ook maakte hij in zijn hoofd een soort reizen naar de droomwereld van zijn jeugd in Izmir of riep hij bij daglicht allerlei visioenen op. Over zulke oefeningen schreef hij uitgebreid in zijn dagboek De geest van de brug (1991), dat hij vooral op aandrang van zijn uitgever publiceerde. Het maakte beduidend minder reacties los dan zijn debuut. Aan zijn roeping als schrijver twijfelde hij echter niet langer. Alleen wilde hij wel eens een ander genre proberen.

 

Bij het schrijven van zijn eerste detective, De roos van Amsterdam (1993), was het Sadik Yemni er vooral om te doen een verhaal te verzinnen in een verdacht milieu van Turkse koffiehuizen. Hij bleek op het juiste moment over het juiste onderwerp te schrijven. De politiek en de media hadden de criminaliteit van buitenlanders in het vizier gekregen, dus een thriller over de Turkse maffia vormde een schot in de roos. Met de publicatie van zijn manuscript sloeg de uitgever twee vliegen in één klap: het aan de orde stellen van een maatschappelijk gevoelig thema en de lancering van een migrantenschrijver. De kritiek reageerde welwillend, met uitschieters naar boven en een enkele naar beneden. In het vervolg, De ridders van Amsterdam (1994), was de auteur volgens de thrillergids pas echt op dreef. Hij had meer aandacht voor de sfeer en schiep sterkere karakters. Ook wist hij smakelijk over eten te vertellen. Anderen waren veel minder gelukkig met de twee detectives. Vooral vanwege de clichés over Turken. Het leek wel alsof iedere migrant in Nederland vuile handen maakte. Zulke verwijten hebben Yemni nooit geraakt, omdat het misdaadgenre volgens hem niet zonder stereotiepen kan. Ook vond hij achteraf dat hij de Turkse wereld van de jaren tachtig, met z’n eerwraak, bloedwraak en maffiapraktijken, eigenlijk nog veel te aardig had beschreven. Hij wilde nog wel eens een echte hard core misdaadroman over de onderwereld van zijn landgenoten schrijven. Maar het is bij twee thrillers gebleven.

 

 

Het genre waarin hij echt furore zou maken, was dat van het magische realisme. Niet eens zozeer in Nederland, waar alleen het eerste deel van zijn vele boeken over een door geesten bevolkte wereld in vertaling verschenen. Dat kwam ook, doordat uitgeverij Metis uit Istanbul hem in 1996 als een soort verloren zoon binnenhaalde. Sindsdien verschijnt in Turkije vrijwel om het andere jaar een boek van zijn hand en is hij naar eigen zeggen uitgegroeid tot een bekende auteur. Alleen is hij daar financieel niet veel wijzer van geworden. Ook woont hij nog altijd in Amsterdam, al verschijnen zijn boeken sinds tien jaar niet meer in het Nederlands. Van het eerste deel van zijn trilogie over het Turkse jongetje Sarp Sapmaz, De amulet (1995), kwam nog wel een vertaling op de markt. Het is een vertelling uit een vaag bekende oosterse sprookjeswereld, waarin de lezer wordt binnengevoerd in een theater met geesten, feeën, witte en zwarte heksen, een betoverde jonge vrouw, een magische spiegel en de macht van amuletten. Een meesterlijk spookverhaal uit Duizend-en-één-nacht, vond vrijwel iedereen. Het boek kwam ook terecht op de longlist van de AKO-prijs 1995. Maar de verkoop van zijn boek viel zwaar tegen. Nederlanders lezen geen Turkse schrijvers van eigen bodem, zei hij er vele jaren later over. Vandaar dat hij het roer omgooide en de steven beroepsmatig naar zijn geboorteland wendde.

 

Het laatste boek van Sadik Yemni waarvan een Nederlandse vertaling verscheen, is de magische thriller De vierde ster (2000). Een beeldend geschreven en spannende vertelling, met mooie meisjesportretten. Maar het is geen toegankelijk boek, doordat het perspectief steeds wisselt. Hoofdpersoon is Mark de Vries, een volkomen ingeburgerde Turkse man met een Nederlandse vriendin. Hij moet zien te achterhalen of er een systeem zit in de moorden op een aantal succesvolle landgenoten. Dan is er een mysterieuze tweede verteller, Kalender, een asielzoeker die al twintig jaar in Nederland woont. Een man met een scherp oog voor alle problemen waar Turken in Nederland mee kampen. Het verrassende plot van het boek werpt het leven van Mark volkomen omver. Ook deze thriller hoeft het niet te stellen zonder geesten en bizarre ontmoetingen. Maar onder al die verhaalplots is het grondthema: de zoektocht naar identiteit. De auteur lijkt te suggereren dat aanpassing nodig is, maar dat de integratie nooit te ver mag gaan. Anders dreigen migranten hun identiteit te verliezen. Het is nodig om de eigenheid van naast elkaar levende nationaliteiten te bewaken. Yemni beschouwde dit boek als het eerste deel van een trilogie over de ‘Turkse mens’ in Europa. Een ontdekkingsreis naar hun achtergronden, hun gelaagde cultuur en geheime zalen. Maar de latere delen over dit thema zijn alleen in het Turks verschenen, waardoor de Nederlandse lezers zijn afgesneden van de ontwikkeling van een veelzijdig literair talent uit Amsterdam.  

 

 


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM