Uitgebreid zoeken

Surinaamse migranten tijdens en na de dekolonisatie

Tot 1975 bezaten Surinamers het Nederlandse staatsburgerschap. Het stond hun dus vrij zich in Nederland te vestigen. Door de onafhankelijkheid verloren Surinamers die in Suriname woonden de Nederlandse nationaliteit en daarmee in principe onbeperkte toegang tot Nederland. Na de onafhankelijkheid kwamen beide landen overeen dat nog vijf jaar lang soepele toelatingseisen zouden gelden. Veel Surinamers besloten hiervan gebruik te maken, zoals Ramon: "Ik kwam in Nederland na de Onafhankelijkheid, in de zomer van 1976. Toen ik hier kwam was ik al afgestudeerd jurist. Ik werkte in Suriname in het eerste Kanton als griffieambtenaar. Ik deed voornamelijk echtscheidingen. Ik luisterde naar mijn vader, hij had zelf gestudeerd in Amerika. Hij zei mij: 'Als Suriname onafhankelijk wordt, dan moeten jullie kiezen voor Nederland.'" Daarna werd het veel moeilijker voor Surinamers om toegelaten te worden tot Nederland. Zij werden voortaan op gelijke voet gesteld met andere vreemdelingen, dus was een visum noodzakelijk. Surinamers konden nog wel op grond van gezinshereniging voor een verblijfsvergunning in aanmerking komen. Ook kon men, zoals iedereen, als vluchteling asiel aanvragen in Nederland.

Huisvesting

Omdat vlak voor en na de onafhankelijkheid zoveel Surinamers naar Nederland kwamen, werd besloten tot een vestigings- en spreidingsbeleid. De Nederlandse overheid was bang dat de meerderheid van de Surinamers zich in de Randstad zou vestigen. Dat zou een te grote belasting vormen voor dit toch al dichtbevolkte deel van Nederland. Alle gemeenten met meer dan 25.000 inwoners werden verplicht huisvesting ter beschikking te stellen aan Surinaamse migranten en maatregelen te nemen om hun toegang te verschaffen tot de arbeidsmarkt. Dat beleid mislukte. Van Surinaamse zijde kwam veel protest: veel Surinamers wilden namelijk bij elkaar in de buurt wonen. Maar ook was hun aantal te groot om het beleid te laten slagen. Zo ontstonden toch concentraties van Surinamers. Creoolse Surinamers trokken veelal naar de Amsterdamse Bijlmermeer en naar Rotterdam en Utrecht. Hindostaanse Surinamers vestigden zich in Noord-Nederland (Leeuwarden, Delfzijl, Hoogezand-Sappemeer en Groningen), Noord-Brabant (Den Bosch, Sint Michielsgestel en Tilburg) en in de Randstad (Rotterdam, Den Haag Zoetermeer, Amsterdam, Almere en Utrecht).

Werken

Surinamers uit alle sociale klassen vertrokken naar Nederland, voornamelijk om economische maar ook wel om politieke redenen. Zoals een Surinamer vertelde: "In Suriname deed ik van alles wat, je doet wat om aan centen te komen. Ik ging vaak naar de bioscoop, ik had geen vast werk, ik deed allemaal kleine klusjes, dat was ik zat. Dus toen ging ik naar Nederland. Ik werkte in de bauxiet op Mongo en daarna in Param, en ik heb ook gevaren. Ik wilde een betere toekomst, ik kwam naar Nederland voor beter, vast werk, Suriname blijft toch een derde wereld land. Nederland bood een beter toekomstperspectief: van onderwijs, werk tot medische voorzieningen." Vanaf 1954, toen Suriname een volwaardig rijksdeel van Nederland werd, tot 1980, toen het soepele toelatingsbeleid ten opzichte van Surinamers ophield, zijn velen naar Nederland gekomen.

Begin jaren ‘70 waren er zo’n dertig Surinaamse welzijnsorganisaties actief in Nederland. De onafhankelijkheid van Suriname had tot de nodige verdeeldheid geleid onder de verschillende bevolkingsgroepen. Afro-Surinaamse (Creoolse) politici hadden het land naar de onafhankelijkheid geleid, maar dat gebeurde zeer tegen de zin van de meeste Hindostaanse en Javaanse politici. Deze verschillen leidden ook tot het uiteenvallen van aanvankelijk algemeen Surinaamse organisaties in Nederland, en wel in Hindostaanse, Afro-Surinaamse en Javaanse organisaties. In totaal zijn vanaf de jaren ‘60 zo’n 1200 Surinaamse organisaties opgericht. Eerst waren deze organisaties vooral actief op het terrein van de huisvesting en welzijnswerk, in de jaren ‘80 kwamen er steeds meer clubs die zich richtten op cultuur en geschiedenis. Daarnaast hebben Hindostaanse organisaties in de jaren ‘70 en ‘80 zich zeer ingespannen om het religieuze leven van zowel hindoes als moslims te faciliteren.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM